Over Roel In ’t Veld, Kennisdemocratie,

(de kwetsbaarheid van kennis)

In het oog van de orkaan, Boom, Den Haag, 2021

In de NRC verscheen begin november 2021 een interview van Kees Versteegh met Roel In ’t Veld naar aanleiding van het verschijnen van zijn geheel vernieuwde tweede versie van Kennisdemocratie. Het boek gaat o.a. over de crisis van de parlementaire (‘vertegen­woordigende’) democratie en de rol van kennis in het overheidsbeleid en de rol van de massamedia en sociale media.

Het boek is doorweven met het autobiografische teksten over zijn eigen leven en loopbaan.

Het interview las ik en raakte bij mij aan twee langer bestaande ergernissen: de vele talk­shows op de televisie en de verkorte blik van media én bestuurders en ambtenaren die vooral op de tv-studio’s en de Randstad gericht is. Ik heb in mijn werkbezoeken en overleggen (van 2013-2018) in het kader van het beleid tegen het voortijdige schoolverlaten aan de regio’s Kop van Noord-Holland, Friesland, Groningen en Twente) voldoende scherp op mijn netvlies gekregen dat de blik van de regering en haar Haagse ambtenaren niet op de eerste plaats op de economisch zwakke regio’s is gericht[1]. De andere ergernis is het grote aantal talkshows waar tv-kijkers mee vermaakt en geïnformeerd worden; deze hebben een vaste kliek aan draaideurgasten (deskundigen, journalisten, politici en BN’ers) die steeds bij toerbeurt hun eigen plas over de actualiteit mogen doen. Dat is blijkbaar makkelijker dan zelf wat gravende reportages te maken. Deze nauwe banden tussen politici en media waar In ’t Veld van rept is al jaren mij een doorn in het oog. Ik schaf het boek aan en lees het in de randen van mijn dagen.

In ’t Veld heeft in de discussie in de sociale wetenschappen over het verband tussen waarden en kennis, met behulp van Robert Pirsig’s (.. ja die ..) visie op kwaliteit, een pad gekozen waarin waarden intrinsiek verbonden zijn met kennis. Kennis is in de ogen van In ’t Veld altijd waarden-gedreven; je doet bijvoorbeeld alleen maar onderzoek naar de bronnen van ­ongelijkheid omdat je het belangrijk vindt dat er iets aan gedaan wordt. Pirsig heeft het over statische (grofweg gericht op beheersing van processen) en dynamische kwaliteit (gericht op verandering) en dat geeft In ’t Veld de mogelijkheid de hoedanigheid van veranderingen en de gevolgen van politieke besluitvorming te onderzoeken en te duiden.

Allereerst behandelt hij enkele uitgangspunten van de bestuurskunde, namelijk het ‘prisonners dilemma’ die leert dat er samenwerking tussen burgers en een overheid nodig is om de gezamenlijke welvaart in een land te bevorderen. Ook de paradox van Kenneth Arrow passeert de revue. Deze luidt -in eigen woorden-: er is geen meerderheidsregel te bedenken die de verschillende individuele voorkeuren van burgers zo weet te honoreren dat iedereen tevreden kan zijn. De representatieve (‘parlementaire’) democratie lijkt niettemin jarenlang het politieke systeem waar de minste bezwaren aan kleven.

De laatste 30 jaar is deze democratie in ons land echter aan flinke erosie onderhevig. Traditionele, vaststaande waarden bij kiezers verdwijnen met het eroderen van de voor ons land klassieke zuilsgewijze organisatie van wat meestal het maatschappelijk middenveld wordt genoemd. Deze ontzuiling gaat gepaard met het mondiger worden van burgers, met nieuwe politieke partijen, met meer tegenspraak richting autoriteiten waarbij in de 21ste eeuw het internet grote hoeveelheden informatie voor individuele burgers toegankelijk maakt. Tegelijkertijd verliezen de traditionele massamedia (kranten, radio en ook de tv) aan gezag én verliezen hun gezamenlijke monopolie op informatieverspreiding. De topdown communicatie van de massamedia wordt aangevuld én tegengesproken door de sociale media (Instagram, Facebook, Twitter, LinkedIn, TikTok, enz. enz.). Kennis, ook wetenschappelijke, werd in de sociale media de afgelopen decennia in toenemende mate selectief gebruikt, verdraaid, ontkend dan wel gedegradeerd tot ‘ook maar een mening’. Het dieptepunt hiervan is voorlopig aan te wijzen in de campagnes van Trump en tijdens de coronacrisis. Veel medeburgers pretenderen virologische, microbiologische, medische, historische kennis te hebben en ook nog bondscoach te zijn.

Naast deze verwording hebben het internet en de sociale media daarentegen ook toeganke­lijke en goedkope mogelijkheden opgeleverd om de representatieve democratie aan te vullen met besluit­vormings­processen waarin burgers een grote rol spelen en niet alleen de kiezers zijn van de besluitvormers.

In ’t Veld hield in de laatste fase van zijn loopbaan zich bezig met duurzaamheid. Deze kwestie – door sommigen ongetwijfeld een ‘wicked problem’ genoemd, d.w.z. ingewikkeld en moeilijk oplosbaar vanwege tegenstrijdige belangen en ongelijksoortige klonteringen van beschikbare relevante informatie – komt uitgebreid aan de orde en gebruikt de schrijver om zijn inzichten over de betekenis van onderzoek naar toekomstige ontwikkelingen voor het beleid van vandaag, naar voren te brengen.

Kennis kàn weer een rol gaan spelen in de politieke besluitvorming en zo de betekenis van vooroordelen, desinformatie en vaste overtuigingen terugdringen.

In ’t Veld maakt onderscheid tussen diverse manieren van wetenschap bedrijven. Aan de ene uiterste kant gewone (monodisciplinaire) wetenschap­pelijke kennis van gespecialiseerde onderzoeksinstituten waarvan de resultaten in internationale vaktijdschriften gepubliceerd worden. Deze kennis is meestal weinig bruikbaar vanwege het zeer beperkte bereik en geldigheid van deze kennis. Aan de andere kant van het spectrum ziet hij transdisciplinaire toekomstgerichte kennisverwerving. Dit is een werkproces waarbij (1) inzichten en bevindingen van meerdere wetenschappen (sociale, medische, technische enz.) worden gecombineerd en wetenschappers van verschillende huize ook bij onderzoek zelf samenwerken én (2) waarbij in het onderzoeks- en communicatieproces gewone burgers en wetenschappers voortdurend met elkaar in contact staan over de te onderzoeken vraag­stukken, over de gegevens en inzichten die de onderzoekingen opleveren en over de vraag hoe dit in beleid – gecentraliseerd vanuit de overheid dan wel decentraal in een wijk, een dorp of stad -toegepast kan worden.

De uitholling van en het verdampen van het vertrouwen in het democratische proces kan beter aangepakt worden door actieve participatie van burgers in plaats van nog meer sociale media-kanalen en nog meer talkshows. Kennis en actieve participatie van burgers kan tot beleid leiden in de richting van het goede leven, ‘de echte dingen’[2], voor vandaag en morgen én gericht op voorzorg voor toekomstige generaties.

In ’t Veld schrijft niet met meel in zijn pen maar met gitzwarte inkt als hij de huidige politieke situatie kenschetst die hem tot een pleidooi brengt voor meer kennis en meer actieve participatie. Enkele van zijn constateringen wil ik eruit lichten: (1) uit de wens zoveel mogelijk risico’s te vermijden komen opgeklopte hypes voort over voedselveiligheid, over gebreken in de zorg, en over feilen van justitie en politie. Deze brengen steeds meer verfijnde regelgeving voort[3] met meer bureaucratie en meer reacties weer daarop. (2) De uitholling van het stelsel van sociale zekerheid en de schaalvergroting (in onderwijs, zorg en gemeenten o.a.) in de (semi)publieke sector maken de herkenbaarheid en intimiteit van de dienstverlening kapot en maken de grote hybride organisaties voor burgers en ook voor bestuurders en politici ondoorzichtig. En een pareltje tenslotte is: ’Een onafzienbare reeks schandalen bracht aan het licht dat in het bedrijfsleven, maar ook in de semipublieke sector de dominantie van begeerte boven fatsoen niet was getemperd door controle en toezicht, maar wel aan raffinement had gewonnen’ (p. 115).

Ik wil hier bij twee punten in het betoog van In ’t Veld stil staan.

Het gaat om reflexiviteit en om de drie dimensies van duurzaamheid. In ’t Veld spreekt over verschillende mechanismen of verschijnselen die een rol spelen bij veranderingsprocessen: causaliteit, serendipiteit, dialectiek en reflexiviteit. Deze mechanismen maken sturing van veranderingsprocessen ingewikkeld. Reflexiviteit is daarbij het vermogen van mensen om hun gedrag aan te passen als gevolg van kennis over zichzelf. In ’t Veld zegt dat mensen als zij kennis tot zich nemen over zichzelf zij daarvan leren en hun gedrag aanpassen. Sociaal-psychologische kennis loopt zo steeds achter de feiten aan. Kennis van een systeem verandert dat systeem direct. Hij past dit inzicht toe op de werking van de sociale zekerheid en het toezicht daarop, op het gedrag van bedrijven en financiële instel­lingen en op het gedrag van bijv. departe­menten. Ik denk dat hij hier de interne ver­houdingen binnen een organisatie, binnen een departement te weinig onderkent. Leren in organisaties en systemen gebeurt mijns inziens weliswaar bij individuen en teams, maar het management en directie en hun belangen zijn dominant, niet de nieuwe inzichten van mensen op de werkvloer. Ik heb bij het ministerie van OCW zelf mogen ervaren dat bijv. het woord van een directeur-generaal, een zinsnede uit een regeerakkoord of de uitkomst van een een-tweetje van de bewindspersoon met de premier, de doorwerking van nieuwe inzichten doet verstoppen. Macht bepaalt wat er geleerd wordt. Reflexiviteit lijkt daarmee de uitkomst te worden van de wijze waarop machten met nieuwe informatie of nieuwe kennis omgaan. In ’t Veld onderkent dit ook als hij beschrijft hoe kennis, resultaten van toekomstonderzoek op departementen gebruikt wordt, of juist niet (p.243). Toch geeft hij reflexiviteit zo’n belangrijke plek in het politieke proces van innovatie.

Bij het vraagstuk van duurzaamheid onderkent In ’t Veld een sociale, een ecologische en economische dimensie. Voor een haalbaar duurzaamheidsbeleid, waarvoor in de samenleving draagvlak te vinden is, moeten we met alle drie dimensies rekening houden. Dit geldt temeer daar binnen een democratie als de onze geen globale overeenstemming te verwachten is – gezien de vergruizing van waarden en waardenhiërarchieën bij individuen en groepen – over belangrijke maatschappelijke kwesties. Als wij bijv. de zorgen van de industriële melkvee­houderijen over hun toekomst niet serieus nemen, komen we niet ver in de verduurzaming van de landbouwsector. Op zich is deze stellingname begrijpelijk. Maar als je in ogenschouw neemt (NRC, 12 feb 2022) dat Oxfam berekende dat de rijkste 10% van de wereld verantwoordelijk is voor meer dan de helft van de CO2-uitstoot, bereik je weinig resultaat als je de vuistregel van In ’t Veld hanteert, namelijk dat alleen die maatregelen gericht op duurzaamheid aandacht verdienen die in geen van de dimensies een verslechtering opleveren (p. 37).  Ik denk daarentegen dat verduurzaming van onze economie een mondiale kwestie is van – op de langere termijn – een ingrijpende mondiale herverdeling van welvaart. David van Reybrouck meldt in zijn Huizingalezing[4] dat het westen de toekomst van de gehele aarde verregaand gekoloniseerd heeft en dat derhalve op mondiaal niveau grondige ingrepen in de economie onvermijdelijk zijn.

Vooralsnog lijkt mij dat de drie kernvragen van Ralf Dahrendorf (door In ’t Veld aangehaald op p. 79) nog steeds van toepassing zijn op het zojuist genoemd vraagstuk:

  • How can we bring about changes in our societies without violence?
  • How can we control the rulers with the support of a system of checks and balances and ensure that they will not abuse power?
  • How can all citizens participate in the exercise of power?

Een opvallend onderdeel van het boek zijn autobiografische passages, waarin de auteur schrijft over zijn jeugd (in oorlogstijd) in Den Haag, zijn middelbare schooltijd, zijn loopbaan aan de universiteiten van Leiden en Nijmegen, waar ik bij hem afstudeerde, en op het ministerie van OCW (directeur-generaal Hoger Onderwijs en Wetenschappelijk Onderzoek), zijn kortstondige staatssecretarisschap, zijn werk als voorzitter van de Raad van Commissarissen van ProRail bij de besluitvorming over de exploitatie van de Betuwelijn en zijn kortstondige samenwerking met Pim Fortuyn. Deze teksten zijn zonder franje, bijna onderkoeld opgeschreven in woorden en zinnen die her en der een hoog soortelijk gewicht hebben, ook over eigen fouten en verkeerde inschattingen. Juist daardoor oogt het geheel als open en kwetsbaar. Deze teksten zijn ook onthullend over bestuurlijke kortzichtigheid en onbenul én machtsmisbruik. Heerlijk om kennis van te nemen. In ’t Veld presenteert ze als casussen. Zijn werk als directeur-generaal Hoger Onderwijs en Wetenschapsbeleid geeft enkele voorbeelden van hoe kennis in het beleid wordt gebruikt (heel weinig, ondanks de inzet van de schrijver zelf): veranderingsprocessen zijn complex. De besluitvorming over de exploitatie van de Betuwelijn is een voorbeeld van hoe met scenario’s gewerkt kan worden maar niet gebeurt. Zijn kortdurende rol van staatssecretaris Hoger Onderwijs laat zien dat kennis, relaties en macht een explosief en pijnlijk mengsel kunnen zijn. Zijn belevenissen met Fortuyn laten zien dat ideologieën aan belang hebben ingeboet en politiek nu veelal draait om persoonlijkheden die zoveel mogelijk publieke sentimenten op de kiezersmarkt aanspreken.

Als ik deze persoonlijke belevenissen lees bekruipt me het sterke gevoel dat macht en (persoonlijke) verbindingen met machtigen bepalend zijn in politieke processen. Hij geeft met deze persoonlijke geschiedenissen voorts een goed beeld van zijn eigen waarden van waaruit hij werkt, denkt en schrijft, of zoals hijzelf zegt: ’Waarden vormen mijn identiteit’ (p. 21). Zijn ontboezemingen lijken -op enige afstand- oprecht en overtuigend.

Ik vond het leuk en stimulerend om dit boek te lezen. In ’t Veld’s ideeën over aanvullende participatieve vormen van democratie spreken mij zeer aan. Ook als er ooit grondige veranderingen komen in de manier waarop wij leven en samenwerken, hebben we nog steeds te maken, legt In ’t Veld uit, met allerlei vraagstukken over kennis, meningsvorming in de media, met machten en belangen en ook nog steeds met niets ontziende begeerte van een aantal individuen naar macht en rijkdom te maken.

Het kost soms een mensenleven om goed te beseffen hoe dierbaar iemand is, was, schrijft In ’t Veld (p.16).  Inderdaad.


[1] Op de eerste dag dat ik hieraan schrijf verneem ik op het NOS Journaal dat er een kazerne moet sluiten: niet die van Eindhoven, Rotterdam of Doorn maar nota bene de tweede in de afgelopen tien jaar van Drenthe; na Emmen dreigt ook Assen haar kazerne te verliezen.

[2] Titel van een (congres)bundel essays uit 2015 over de kwaliteit van het onderwijs onder redactie van Roel in ’t Veld, met overigens een aantal zeer lezenswaardige teksten.

[3] Bij de regeling belastingtoeslagen maakte de alom gevreesde fraudemogelijkheden dat er in de uitvoering geen ruimte was voor ambtenaren om uitzonderingen te maken. Zie verder Jesse Frederik, Zo hadden we het niet bedoeld. De tragedie achter de toeslagenaffaire, De Correspondent, 2021

[4] David van Reybrouck, De kolonisatie van de toekomst, Leven aan de vooravond van de klimaatcatastrofe, Uitgeverij Elseviers Weekblad, 2021.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s