Auteursarchief: Frank Koster

Over Frank Koster

Beleid- en onderwijspensionado (MBO) Liefhebber van muziek, lectuur, tuinen en vooral van partner, familie en vrienden.

Over Paulus en over de bijbel van Guus Kuijer

Ik ben in een streng katholiek gezin opgevoed en voor een katholieke jeugd relatief veel met de bijbel in aanraking geweest. Als misdienaar heb ik veel brieffragmenten van Paulus aangehoord en, na de aanschaf van een grote familiebijbel, met illustraties van Gustave Doré, las pa een tijdlang voor uit de indrukwekkende verhalen van het Oude Testament.

In mijn studententijd ben ik met het katholieke geloof opgehouden. Het geloof heeft dan nog alleen een rol in de rand van mijn leven. Ik word geconfronteerd met godsdienst­waanzinnigen die moord en -doodslag voor het ware geloof niet uit de weg gaan (Khomeiny, al-Qaeda, Taliban, IS) en meisjes en vrouwen als slaven en tweederangsburgers behandelen. Ik lees over het geweld waarmee missionaris-bisschoppen (Bonifatius was voor vele missionarissen na hem, ook in het geweld dat hij toepaste, een voorganger) namens Jezus gewapenderhand tot kerstening overgingen in allerlei uithoeken van de wereld. Ik maak mee hoe talrijke misbruikschandalen in allerlei geloofsgemeen­schappen, kloosters en kostscholen eindelijk na eeuwen onthuld worden. Ik verneem hoe in Canada begraafplaatsen ontdekt worden van honderden, misschien wel duizenden inheemse kinderen die bij hun ouders en uit hun cultuur weggehaald zijn en uiteindelijk onder een christelijke terreur bezweken zijn. Ik bezocht de basilieken van Petersburg en vroeg me af hoeveel slavenarbeiders bij de bouw ervan het leven lieten. Ik zag hoe burgerrechtenbeweging (dominee ML King, Black Muslims e.a.) in de jaren 60 opnieuw de strijd aan bindt met het racisme in de USA. En ik lees de gruwelijke berichten over de ontvoering door Boka Haram van honderden schoolmeisjes in Nigeria. En ik raak ontroerd bij de passage van de Johannes Passie waarbij Jezus zijn moeder een nieuwe zoon, Johannes, aanbeveelt.

En, zodra het boek verscheen haal ik de Nederlandse vertaling van ‘Jozef en zijn broers’ van Thomas Mann en begin het opnieuw te lezen, nadat eerdere pogingen in de Duitse en Engelse versie gestrand zijn. In zijn versie maakt Mann van veel Bijbelse figuren weer (hele) gewone mensen: Jacob was geen goede vader en de vrouw van Potifar was geen slet.

Een vriendin gaf me een boek van Tom Wright, Paulus een biografie.[1] Tom Wright is een Schotse dominee van de Anglicaanse kerk en sinds enige tijd hoogleraar theologie. In kerkelijk kringen staat hij bekend als dè Pauluskenner, hij heeft veel over hem en zijn brieven gepubliceerd.

Wright heeft grondige kennis van de brieven van Paulus en van de godsdienstige kwesties uit de begintijd van het christendom. Hij heeft voor dit boek alles wat van en over het leven van Paulus (historisch) bekend is, en dat is niet uitzonderlijk veel, bij elkaar genomen en daar een samenhangend verhaal van trachten te maken aan de hand van de vraag: wat bezielde deze man en waarom had hij succes?

Paulus is een jood en oudtestamentisch kerkgeleerde (farizeeër) uit Tarsus, gelegen in wat nu Zuidoost Turkije is, die in dezelfde tijd als Jezus leefde. Paulus gaat met woord en daad tekeer tegen de nieuwe joodse sekte die als volgelingen van Jezus in Jeruzalem en andere steden aan de weg timmert. Op een reis naar Damascus valt hij van zijn paard en bekeert zich tot Jezus.

Hij voelt zich (door Jezus) geroepen om het geloof in de nieuwe Messias te verbreiden, ook onder de niet-Joden. In de jaren daarna ontpopt hij zich tot een gedreven zendeling of missionaris van het nieuwe geloof reist stad en platteland af voor de verkondiging daarvan.

‘Stad en platteland’ betekent in die tijd: de gebieden als het westelijke deel van de Levant, het zuidelijke deel van het huidige Turkije, Griekenland, Macedonië en uiteindelijk ook het zuidelijk deel van Italië. In deze gebieden heeft hij succes, hij sticht nieuwe gemeenten met volgelingen van Jezus. Deze gemeenten onderhouden intern niet alleen een gedeeld religieus leven, maar zijn elkaar ook tot steun in allerlei voor- en tegenspoed. Om de contacten met deze gemeenten te onderhouden schrijft hij op zijn reizen stichtelijke brieven naar deze gemeenten, waarin hij diverse geloofskwesties nog eens uitgebreid uit de doeken doet. Zo schrijft hij o.a. brieven naar de christelijke gemeenten in Galati, Efeze, Kollosse, Thessaloniki, Korinthe en ook Rome. Deze brieven zijn later tot onderdeel verklaard van het Nieuwe Testament, en een belangrijk onderdeel van het boek De handelingen van de Apostelen.

Wright legt uitgebreid uit dat Paulus de voorvechter was van het idee dat God er voor iedereen is, niet alleen voor de Joden. Omdat het christendom voortkomt uit het Joodse geloof heeft Paulus heel wat woorden moeten gebruiken om uit te leggen dat christenen, als zij van niet-joodse mensen afstammen zich niet meer aan de Joodse regelgeving (spijswetten, jongensbesnijdenis, sabbat, e.d.) hoeven te houden en niet meer gebonden zijn aan de Joodse feestdagen. Ook andersgelovigen of niet-gelovigen kunnen, zonder de joodse tussenpas, direct gedoopt worden als zij dat willen. Met name in de Jezus-gemeente van Jeruzalem hebben destijds deze opvattingen tot wrijving en gedoe geleid.

Paulus is ook degene die de continuïteit en doorlopende lijnen vanuit het Oude Testament naar het leven van Jezus, de nieuwe Joodse Messias steeds opnieuw benadrukt. En deze boodschap deed hij steeds opnieuw met enorme gedrevenheid en grote kennis van de Joodse overlevering. Hierin was Paulus baanbrekend. Ook vrouwen en slaven zijn voor God belangrijk. Het geloof, het vertrouwen en de verbondenheid met God maakt dat alle mensen een nieuw perspectief krijgen: het koningschap van Jezus Christus verandert de mensenwereld, aldus Paulus.

Het verkondigen van een dergelijke nieuwe religieuze overtuiging was in Joodse en niet-Joodse gemeenschappen bepaald niet zonder gevaar, meerdere keren wordt hij opgepakt, gemarteld en verhoord. Bij de laatste arrestatie beroept hij zich, onder verwijzing naar zijn Romeins staatsburgerschap, op de keizer en wordt dan naar Rome gevoerd om daar voor keizer Nero terecht te staan. Het proces laat echter op zich wachten, hij heeft contact met volgelingen uit Rome en Wright weet niet of hett proces uiteindelijk heeft plaats gevonden. Er zijn ook aanwijzingen dat hij nog een reis naar Spanje heeft gemaakt. Hoe en waar hij gestorven is rond het jaar 65 is niet bekend.

Ik heb dit boek ter hand genomen, omdat mij verteld werd dat Paulus de eerste was die de gelijkheid (minstens voor God) van alle mensen bepleitte. En dat is bijzonder. Vanuit een belangstelling voor de geschiedenis en een beetje kennis van de bijbel en het christelijk geloof (ik ben zoals gezegd destijds katholiek opgevoed) heb ik dit boek ter hand genomen.

Al snel moet ik in de beginhoofdstukken de conclusie trekken dat woord “biografie” in de titel veel te groot is voor dit boek. Over Paulus’ leven is simpelweg geen biografie te schrijven, we weten meer nìet dan wèl.

Ik noem een paar punten die een biografie zou moeten bevatten, voordat het een biografie genoemd kan worden. De samenstelling en de maatschappelijke positie van het gezin waarin Paulus is geboren, zijn ouders, broers, zussen, hoe zijn relatie met zijn familie was en zich heeft ontwikkeld, niets is over dit alles bekend. Maar evenmin: welk onderwijs heeft hij gekregen heeft en met wie trok hij veel op, wie waren zijn (jeugd)vrienden. Waarom reisde hij vóór zijn bekering door de Levant en hoe was toen zijn levensonderhoud als tentenmaker? En: hoe was zijn relatie met de andere apostelen (afgezien van het aanvankelijke meningsverschil met Petrus over de positie van niet-joodse Jezus-volgelingen), hadden die het goed met elkaar, spraken ze in hun eigen tijd dezelfde taal? Heeft hij ooit Johannes ontmoet, volgens de overlevering Jezus’ lievelingsvolgeling of Jacobus de broer van Jezus? Was Paulus getrouwd, had hij vrouw en kinderen, hoe onderhield hij contacten als deze?

Maar vooral: over de binnenwereld van Paulus weten we nog minder. Wright schrijft dat hij wanhopig en moedeloos zal zijn geweest in gevangenschap in Efeze, maar er zijn geen dagboekaantekeningen, geen geboekstaafde gesprekken.

Wright schetst her en der enkele historische gebeurtenissen uit de tijd van Paulus’ leven die wat inzicht geven in achtergrond en tijd waarin het geheel zich afspeelt en beschrijft in chronologische volgorde op wat er wel bekend is van Paulus en geeft zo de brieven van Paulus een plek in een groter verhaal.

De meer specifieke religieuze kwesties die Wright aanhaalt zijn aan mij niet besteed, ik neem er kennis van en kan het soms plaatsen. De nieuwsgierige spanning die ik heb als ik een nieuw boek open, ebde hier weg op de pagina dat Wright schrijft, zonder enige vorm van desnoods boterzachte bronvermelding, dat (toen nog) Saulus op weg naar Damascus van zijn paard viel en Jezus ontmoette. Hier, wist ik nu, is een gelovige aan het woord, niet een historicus.

Dit blijkt voor mij ook uit het feit dat Wright steevast alle niet-Joodse mensen ‘heidenen’ noemt en in plaats van ‘mensen met een ander geloof’ of ‘ongelovigen’. Het denkraam van iemand uit de twintigste eeuw moet mijns inziens breder zijn dan van schrijvers uit het begin van jaartelling. De vele gruwelijke omvangrijke misdaden, ook seksuele, van gewapende predikers, zendelingen, kruisridders, missionarissen en bisschoppelijke legers en van kerkelijke instituties jegens vele inheemse volken uit Afrika, Amerika, Azië en Australië, moet bij Wright bekend zijn. Maar hij noemt hen nog steeds ‘heidenen’ en dit acht ik een barbaarse belediging.

Niettemin: het is boeiend te lezen hoe Paulus zijn weg zocht en zijn verbondenheid met God preekte, in een vijandige wereld daarin volhardde en dit waarschijnlijk met zijn dood moest bekopen.

Op hetzelfde terrein verdergaand besloot ik de Bijbel voor ongelovigen van de Nederlandse schrijver Guus Kuijer ter hand te nemen[2].

Kuijer dacht wellicht: deze verhalen zijn ook net iets anders te duiden dan alleen als grondslag van het Jodendom en het latere christelijke geloof. De bijbel is ontstaan, zo stelt Kuijer her en der, ietwat terloops, uit de traditie van de nazaten van Jacob (Israël) om de geschiedenis van hun families mondeling, via verhalen door te geven. Je moest daarbij ook goed in de gaten houden en onthouden wie de vader was van wie en welke zoons deze weer voortbracht. Niet alleen de oude Bijbelse verhalen (A won B, B won C, C won D, enz.) maar ook Guus Kuijer volgt deze traditie. Hij laat daarbij inderdaad heel andere perspectieven zien in de Thora en de andere boeken van wat christenen het “Oude Testament” noemen. Verschillende personages vertellen de onderscheiden verhalen vanuit haar of zijn perspectief. Adam vertelt Genesis, Cham de opstandige zoon van Noach vertelt het verhaal van de zondvloed, de Egyptische prinses vertelt het verhaal van de bevrijding van de Israëlieten uit de slavernij van Egypte, daar gebracht door een dreigende hongersnood. Guus Kuijer geeft daarbij de vrouwen weer hun rol terug die ze in de bijbel, op een enkeling na niet of nauwelijks kregen. Vrouwen zijn niet alleen de slavin, derde vrouw van of de moeder-van maar vervullen een belangrijke rol in vrijwel alle verhalen.

En dan die verhalen zelf. Kuijer vertelt ze net even anders, draait de manier van vertellen een kwartslag of haalt een detail naar voren zodat het perspectief op een navolgbare manier veranderd wordt. En dan is de bijbel niet het verhaal van het uitverkoren volk dat door hun God zonder naam of beeltenis, naar hun beloofde land wordt geleid. Neen, dan is het een verhaal van een vechtersvolk, oorspronkelijk herders en trekkers die met harde hand en soms een vooruitziende blik, met succes uit Egypte weet te vluchten en gewapenderhand Kanaän in bezit neemt, met de rechtvaardiging (want ook toen woonde in Kanaän al andere mensen) dat God dit land hen beloofd had. In de Joodse Bijbel is “Ik ben er” (een prachtvondst van Kuijer) (Jahweh) de God die de Israëlieten een eigen plek geeft onder de zon, of moet ik zeggen: De Israëlieten hebben met veel geweld zich een plek in de Levant toegeëigend en vertelden daarbij dat het van hun God mocht en moest. Een parallel met de naoorlogse geschiedenis van Palestina en Israël, dringt zich op. Hoe dan ook: geweld staat centraal in de oude bijbel. In de christelijke bijbel, het Nieuwe Testament, wordt daarentegen veeleer liefde en begrip voor anderen gepredikt, maar Guus Kuijer heeft deze niet herschreven.

De Filistijn Seraja, getrouwd met de zus van Goliath, vertelt het verhaal van de koningen Saul, David en Salomo. De vele oorlogen, de verkrachting van Tamar, de intriges, de vele moorden worden me hierna te veel. De verhalen lijken hier op een oerversie van de Europese oorlogsgeschiedenis of op een oude maar grootschalige en vooral gewelddadige versie van Twin Peaks of Peyton Place.

Abigail, de belangrijkste vrouw van koning David, sluit het verhaal van David af. Ik leg het boek daarna weg, op zijn minst voor een tijdje.


[1] Tom Wright, Paulus, Een biografie, Uitg. Van Wijnen Franeker, 2019 (oorspr. San Francisco 2018)

[2] Guus Kuijer, De Bijbel voor ongelovigen, Atheneum, Amsterdam, 2018 (eerder verschenen in enkele afzonderlijke delen).

Is China een gevaarlijke draak?

N.a.v.:

Rob de Wijk, De nieuwe Wereldorde, hoe China sluipenderwijs de macht overneemt, Amsterdam 2019;

Frans-Paul van der Putten, De wederopstanding van China, van prooi tot wereldmacht, Amsterdam, 2020

Joanna Chiu, Çhina over grenzen, een nieuwe wereldwanorde, Rotterdam 2021 (oorspr. China Unbound: A New World Disorder, Canada, 2021)

Henk Schulte Nordholt, Is China nog te stoppen? Hoe een virus de wereldorde verandert,Querido, 2021.

Rob de Wijk

Sinds de overwinning van het communistische Volksleger van Mao Zedong op het leger van de nationalisten, de Kuomintang van oorspronkelijk Sun Yat-sen, later onder leiding van Chiang Kai-shek, in 1949 heeft China met veel binnenlands geweld tegen andersdenkenden een gigantische ontwikkeling doorgemaakt. Aanvankelijk in coöperatie met de Sovjet-Unie, later in vrijwel compleet isolement, werd de landbouw en later de industrie ontwikkeld. Gewone Chinezen mits ze gehoorzaamden en hun mond hielden konden sinds de jaren 60-70 hopen op een leven zonder honger en gebrek. Na een periode van stagnatie heeft Deng Xiaoping in de jaren 80 de economische grenzen van China opengezet, zocht aansluiting bij de wereldmarkt en ontwikkelt China zich snel tot een machtige welvarende mogendheid. Bedrijven en onder­nemingen, weliswaar gecontroleerd door de staat en de Communistische Partij, konden zich ontwikkelen, innoveerden hun productieprocessen met moderne technologieën en maakten een immense groei door. Deze economische groei werd mogelijk door een (vanzelfsprekend) grote binnenlandse markt en sterk gegroeide buitenlandse handel en waarbij China er ook in slaagde met veel landen in de wereld, via bilaterale verdragen handelsoverschotten te realiseren die het land geen windeieren legden én een groot overschot aan buitenlandse valuta mogelijk maakte.

De Wijk begint zijn boek met een beschrijving van de internationale rechtsorde en hoe de westerse wereld deze conform haar belangen (vrijhandel en vrede met name) heeft vorm­gegeven na WO II, met inbegrip van de instituties die hierin functioneren, zoals de VN, de Veiligheidsraad, het IMF en de Wereldbank.

De Wijk vertelt ook over de aparte positie van de Sovjet-Unie, het Pact van Warschau en het huidige Rusland. Rusland heeft nooit vrede gehad met de afbrokkeling van de eigen veiligheidszone in Oost-Europa door het opheffen van het Warschaupact. De toetreding van enkele Oost-Europese landen tot de NAVO was steeds een doorn in het oog. De vrijmoedige opstelling van Georgië t.o.v. het westen deed Rusland daar ingrijpen; Georgië heeft nu een Rusland-vriendelijke regering. In 2014 annexeert Rusland de Krim en geeft de op Rusland gerichte separatisten in oost Oekraïne volledige steun. Rusland heeft het neerslaan van de opstand in Belarus in 2019 van meet af aan met woord, daad en wapens gesteund. Reeds in 2017 beschrijft De Wijk helder hoe Poetins Rusland na een decennium van economische groei, steeds meer te maken krijgt met binnenlandse onvrede en dat getracht wordt deze te keren met repressie en met de strijd om De Krim en de Oekraïne. Poetin heeft dit land nooit erkend als zelfstandige staat en zal in 2022 deze dwaling van de geschiedenis proberen te corrigeren. Poetin, als vorst van de orthodoxie, stoort zich aan God noch gebod en tracht zijn Byzantium te herstellen.

De rol van China in de wereldpolitiek is sinds jaren gebaseerd op hun uitgangspunt van non-interventie, je bemoeit je niet met binnenlandse aangelegenheden van andere landen. Natiestaten zijn autonoom en kunnen op basis daarvan samenwerken. Daarnaast beschouwt China enkele kwesties als van levensbelang voor China, kernbelangen, noemt Van Wijk deze. Het gaat op de eerste plaats om territoriale kwesties als de positie van de Tibet, etnische minderheden als de Oeigoeren, Senkaku-eilanden (Japan), Hongkong, Taiwan en het beheer/eigendom van de gehele Zuid-Chinese Zee, die voor veel landen cruciale scheepvaartroutes bevat. Er ligt kortom hier een explosief geheel van kwesties met andere landen waar China geduldig en behoedzaam mee omgaat.

De kernbelangen omvatten daarnaast technologische kennis die China in de jaren 80 veelal niet had. China maakte daarom handelsafspraken waarbij technologie-import onderdeel van de deal was. Intussen heeft China deze achterstand ingehaald en zijn met name bij netwerk- en internettechnologie Chinese bedrijven vooroplopend. Veel kennis is overigens ook via slimme samenwerkingsconstructies met westerse universiteiten en via spionage in China terecht gekomen.

Ook heeft China met een stille aanpak economische kernbelangen veiliggesteld, d.w.z. de zekerheid van de aanvoer van grondstoffen uit de gehele wereld. Via leningen en ontwikkelings­projecten (infrastructuur, mijnbouw, enz.) “helpt” China voornamelijk ontwikkelingslanden (maar ook landen als Griekenland, Italië en Hongarije) en verkrijgt zo in veel landen een poot tussen de deur. De bijbehorende transportroutes worden door China, die voor het eerst serieus werk maakt van de ontwikkeling van een zeemacht, bewaakt. China komt niet, maar is er al, in Afrika, in Latijns-Amerika en in Europa. Alleen de naaste Aziatische buren (Filipijnen, Japan, Thailand, VietNam, India, Indonesië, Myanmar e.a.) zijn zeer voorzichtig in hun benadering van China.

De snel gestegen welvaart ging aanvankelijk gepaard met enorme milieuvervuiling én met de kneveling van elk afwijkend denken en doen. Maar als je je voegt en je pakt het slim aan kun je ook in China erg rijk worden en heb je mogelijkheid, net als oligarchie van Rusland om overal ter wereld grote huizen, jachten en stranden op te kopen. Net als in Rusland is een enorme rijke bovenlaag ontstaan die met kennis, ondernemingslust en veel internationale contacten, binnen de grenzen van het centrale beleid de Chinese bedrijvigheid naar grote hoogten stuwt en zichzelf enorm verrijkt. Om gelijke kansen voor iedereen en een meer gelijke welvaartsverdeling is het communistische China het niet te doen. Van Wijk noemt China ook niet langer ‘communistisch’ maar ‘staatskapitalistisch’. De reisverhalen die Ruben Terlouw voor de VPRO in China maakte hebben niet alleen de enorme economische ontwikkeling laten zien en ook allerlei voorbeelden van hoe China poot aan de grond krijgt in andere werelddelen. Wat ik niet zal vergeten dat in zijn gesprekken met individuele Chinezen geheel sterk naar voren komt dat, hoewel ze bijna met 1,4 miljard zijn, elke Chinees een individu is, met een eigen leven, eigen wensen, eigen dromen, eigen verdriet.

Frans van der Putten

Na Rob van Wijk heeft Frans-Paul van der Putten, net als Van Wijk ook werkzaam bij Clingendael, een boek geschreven over de opkomst van China. Daar waar Van Wijk de aandacht legt bij de systeem-kanten van de wereldpolitiek, met name na WO II, kijkt Van der Putten naar de geschiedenis van de Chinese verhoudingen met het buitenland en hun buitenlandse politiek vanaf midden 19e eeuw.[1]

Van der Putten vertelt in een pakkende stijl hoe het grote China, dat onder de Qing[2] (spreek uit: Tsjing)-dynastie dat eeuwenlang, in relatieve afzondering, van zichzelf dacht het centrum van de menselijke beschaving en de wereld te zijn, in de 19e eeuw wakker geschud werd uit deze droom. De Britten, de imperialistische mogendheid van die tijd, dringen het land binnen met militair geweld en nemen enkele strategisch cruciale havensteden in bezit (w.o. Hongkong) – het Chinese leger was veel te zwak om effectief weerstand te kunnen bieden – om met handelswaar de enorme Chinese markt te veroveren. Vanzelfsprekend moeten deze handelsbases militair beschermd worden tegen andere imperiale machten uit die tijd, zoals Japan en Rusland. Ook België, Frankrijk, Portugal en Nederland waren in die tijd in deze gebieden actief, maar Groot-Brittannië (GB) was de baas op de zeeën. De toenmalige minister van BUZA van GB, Palmerston, gedroeg zich t.o.v. de landen van Zuid- en Oost-Azië als een geen tegenspraak duldende buldog. GB en in hun kielzog Frankrijk, Duitsland, Japan en de VS dwongen bij het zwakke China handelsverdragen af die voor China ongunstig waren, m.b.t. invoerrechten, beheer van de douane en wederkerigheid van de handel. China had deze vernedering maar te slikken en zich te schikken. De macht van het Chinese keizerrijk brokkelde verder af bij verdedigingsoorlogen met Rusland en Japan die het om de beurt op Mantsjoerije en enkele enclaves daaromheen gemunt hadden. Bij deze invasies kwam pijnlijk naar boven dat China niet in staat was buitenlandse agressie het hoofd te bieden en haar honderden miljoen inwoners te beschermen tegen rooftochten, brandschatten, grootscheepse plunderingen en moordpartijen en verkrachtingen. Ook bleven er militaire confrontaties ontstaan met GB, de twee opiumoorlogen en de Boksersopstand. Ook hierin trok China aan het kortste eind. Zo ontstond in kleine intellectuele kringen een sfeer waarin jonge, in het westen opgeleide, talentvolle jongerenideeën en idealen ontwikkelden over een republiek China waarbij geheel China, inclusief Tibet, Macau, Hongkong, Mantsjoerije en Taiwan weer onder welvarend Chinees beheer zou komen. China zou weer een trotse natie van belang worden, zonder knechting door imperialistische mogendheden.

Van der Putten noemt dit verlangen de daadwerkelijke lijn die vanaf eind 19e begin 20ste eeuw de ontwikkelingen in China tot op de dag van vandaag karakteriseert. In feite zijn volgens Van der Putten veel stappen en bijdragen aan de ontwikkeling van China van wingewest tot wereldmacht in deze lijn te begrijpen.

Ik noem de knooppunten in deze lijn hier samengevat.

Daar was het werk van topambtenaar van het keizerrijk Li Hongzhang op het eind van de 19e eeuw die trachtte de macht van GB in China in te perken. Er waren de inspanningen van diplomaat Gu Weijun op internationale vredesconferenties aan het begin van de 20ste eeuw die werk maakte van een volwaardige positie van China in de wereldpolitiek. Het ideologische en samenbindende werk van Sun Yat-sen in de eerste helft van de 20ste eeuw en zijn start van de nationalistische beweging Kuomintang[3] en van zijn opvolger Chiang Kai-shek, resulteerden uiteindelijk in de opheffing van het keizerrijk, de oprichting van de republiek met een goed georganiseerd staand leger. Daarna kwam de bepaald niet zachtzinnige burgeroorlog tussen de legers van de Kuomintang en de communistische partij (CPC) van Mao Zedong en Zhou enLai, de overwinning van de laatst-genoemden in 1949 en de stichting van de Volksrepubliek. Intussen is Japan op het einde van WO II uit Mantsoerije verjaagd. Al in de eerste jaren van de Volksrepubliek is bewust gekozen voor internationale isolement (in de jaren 50 en 60) waarbij de door de staat en partij gecontroleerde landbouw en zware industrie – weliswaar met veel geweld – ontwikkeld werden en er een grote vraag naar grondstoffen ontstond.

In de internationale politiek kwamen de conflicten met de Sovjet Unie en later de hernieuwde contacten met de VS in de jaren 70 en ging China (economische) betrekkingen aan met ontwikkelingslanden in Latijns Amerika, Afrika en Azië en later ook met Europese landen. Als territoriale kwesties deden zich de annexering voor van respectievelijk Tibet, Macau en later ook Hongkong. De claims op een aantal eilanden ten oosten van China, uiteraard de claim op Taiwan en ten slotte ook een claim op de Zuid-Chinese Zee als Chinees grondgebied, bleven daarbij actueel. Deng Xiaoping opende in de jaren 80 de economische grenzen van China en opende zo de binnenlandse markt van China voor westerse ondernemingen, vaak in joint venture-constructies met door de staat (en partij) gecontroleerde Chinese bedrijven. Daarbij waren ook veel infrastructurele investeringen van cruciaal belang bij- havens, vliegvelden, wegen en hogesnelheidstreinen. Zo kwam China’s internationale handel tot bloei en groeide ook de productie van consumptiegoederen voor binnenlandse en buitenlandse markten. Westerse bedrijven startten hun productie in China, o.a. vanwege de grote aantallen goedkope arbeidskrachten die China heeft. Later kent China ook een grote elektronicasector, wel steeds onder volledig Chinese controle.  Een en ander had wel een paar ernstige schaduwkanten, een daarvan was de enorme milieuvervuiling en de smog als gevolg daarvan boven de grote steden.

Zo is een situatie gegroeid waarin China in veel ontwikkelingslanden een machtige factor is geworden in hun economie en handelsrelaties heeft met veel landen en daarbij vaak grote handelsoverschotten verwerft en ook in Europese landen (Hongarije, Griekenland, Italië, Servië) vele grote investeringen doet. Kortom, in de 21ste eeuw is China een politiek- economische wereldmacht geworden met veel buitenlandse investeringen in heel veel landen, ook de westerse.

De vernieuwing van de Zijderoute, op initiatief van Xi Jinping, over land door Azië, overzee en via internet, met de bijbehorende militaire en digitale “veiligheidsmaatregelen”, is de huidige (2022) stap in de ontwikkeling die moet maken dat in 2049 China machtig en welvarend moet zijn. Xi Jinping is ervan overtuigd dat in dat jaar 2049, 100 jaar na de stichting van de Volksrepubliek, de grote heropleving van de Chinese natie gerealiseerd zal zijn, d.w.z. China zal dan een moderne welvarende socialistische democratie zijn die een belangrijke bijdrage zal kunnen leveren aan een vreedzame, harmonieuze wereld. Xi Jinping verwoordde deze droom in 2012.

Van der Putten heeft een boeiend boek geschreven. Eenmaal begonnen kon ik niet stoppen te lezen. Het leest als een Shakespeareaans koningsdrama. En ofschoon ik vanuit mijn opleiding wel wat wist van de geschiedenis van China is me via dit boek veel duidelijker geworden over hoe gebeurtenissen door de hoofdrolspelers bedacht en in gang gezet zijn en hoe het een en ander is gelopen.

‘De wederopstanding van China’ is de titel van het boek en deze titel suggereert echter meer, veel meer dan het kan waarmaken. Van der Putten schrijft ongeveer 170 jaar geschiedenis van China als een toneelstuk in enkele bedrijven, waarin een twintigtal slimme mannen (vooral generaals, partijleiders, diplomaten) er in slagen met geduld en verstand hun tegenstrevers uit andere landen te weerstaan en uiteindelijk te slim af te zijn. Dit is spannend en dit heeft Van der Putten in een goed verhaal meeslepend beschreven.

Er zijn echter veel meer mensen in China dan de bovenlaag van partijfunctionarissen en het door de staat en partij gecontroleerde management van China’s grote en minder grote bedrijven. Van der Putten beschrijft geschiedenis zoals vroeger gebruikelijk: geschiedenis gaat over de bovenlaag van koningen, generaals en andere belangrijke mannen. Hij beschrijft het China van partijleiders, generaals, diplomaten en andere topfunctionarissen. Deze focus ligt ook voor de hand als je schrijft over de wereldpolitieke verhoudingen. Een geschiedenis van het Chinese volk is het niet. 

De Volksrepubliek China gaat haar eigen weg in de wereldpolitiek en haar leiders-/machthebbers dulden van geen enkel ander land of internationale instantie bemoeienis met hun binnenlandse politiek. De ontwikkeling van China gaat met een draconische aanpak gepaard. Voorbeelden zijn onder meer de massale hongersnood tijdens de landbouw­experimenten van de grote Sprong Voorwaarts (…miljoen honger doden), de onderdrukking van gelovigen (christenen, moslims, boeddhisten), de 100% controle over pers en media, het negeren van basale individuele mensenrechten, de slechte positie van vrouwen waar Jung Chang al eerder over schreef[4],

Het genoemde boek van Jung Chang

de knechting van en pogingen tot simpelweg uitroeiing van etnische minderheden (Tibetanen, Oeigoeren), de massale slachtingen tijdens de culturele revolutie, het neerslaan van de studentenopstand in Peking in 1989, de kneveling van de oppositie in Hongkong. Er wordt gehakt in China en er vallen veel spaanders, maar dan op bijna onvoorstelbaar grote en wrede schaal. Er is berekend dat het regime van de Kuomintang en het daaropvolgende communistische regime in de 20ste eeuw gezamenlijk 45 miljoen doden aan Chinese inwoners op hun conto schreven, waarvan 10 miljoen door de Kuomintang vermoord zijn komen en 35 miljoen aan de communisten toe te rekenen zijn.[5]

Zoals gezegd is dit boek geen geschiedenis van het Chinese volk. Dat is ook niet makkelijk te realiseren daar directe contacten met gewone Chinezen niet eenvoudig zijn te leggen en informatie over hun dagelijks leven vroeger en nu moeilijk te verkrijgen is. Maar het kan wel. In zijn reisseries voor de VPRO-tv heeft Ruben Terlouw gesproken – in het Chinees – met gewone Chinezen en heeft zo -tot nu toe ongeëvenaard – laten zien dat de huidige 1,4 miljard Chinezen evenveel individuen zijn die onderling allemaal net zo verschillen als de bewoners van Nederland. Het is zeer de vraag of die 1,4 miljard Chinezen de ontwikkeling van 1949 tot nu ook ervaren als een wederopstanding van hun land. Ook zij hebben hun dromen, hun zorgen, hun toegenomen welvaart maar worden voorts in alles gecontroleerd. Welvaart gaat in China met harde hand boven vrijheid. Zo lijkt de wederopstanding van China de wederopstanding van nieuwe keizers met een compleet en ultramodern repressieapparaat.

Joanna Chiu

Dit beeld wordt eveneens en ministens zo afschrikwekkend neergezet door de Canadese journalist Joanna Chiu in haar boek China over grenzen. In dit boek onderzoekt Chiu, een Canadese van Chinese afkomst, hoe de Volksrepubliek China haar invloedssfeer op de wereld tracht de vergroten. Voor zover ik al niet geschrokken was van de eerste twee boeken, Chiu voegt daar nog een de nodige schrikbeelden aan toe. Het gaat om twee aspecten die mij met name om aandacht vragen: de naïviteit van allerlei landen, westerse mogendheden, bij het binnenhalen van Chinese investeringen en bedrijven enerzijds en de ongekende repressie- en spionageactiviteiten jegens de Chinese diaspora in allerlei landen waar China economische activiteiten ontwikkeld.

Dat ontwikkelingslanden hun infrastructuur laten ontwikkelen door Chinese bedrijven en aanvankelijk weinig bezwaren zien tegen deze omvangrijke investeringen, snap ik vanuit de gedachte dat als je geen eigen middelen hebt om deze ontwikkelingen te starten je geneigd buitenlandse hulp maar al te graag te accepteren. Ruben Terlouw liet in een reeks reisdocumentaires over Chinezen over de gehele wereld[6] zien dat bijv. een grote spoorbaan in Kenya aangelegd door een Chinees bedrijf, slechts een beperkte betekenis heeft voor Kenya: personeel op de trein is Chinees, de informatiebordjes en aanwijzingen in de trein zijn Chinees, en de betekenis van de spoorbaan is ook voor een niet gering deel voor China en minder voor Kenya, namelijk onderdeel van de nieuwe Chinese handelsverbindingen, de nieuwe zijderoute. De spoorlijn moet een betrouwbare verbinding vormen van een aantal Afrikaanse gebieden met strategische grondstoffen en de Indische oceaan. Kenya zit met een schuld aan China en heeft beperkt profijt van de spoorlijn.

Van westerse landen als Griekenland, Italië, Australië, Canada e.d. mag je verwachten dat zij, al dan niet samen met hun buren of bondgenoten genoeg informatie verzamelen over de bedoelingen en handelswijzen van China en goed nadenken voordat ze met een Chinees (overheids)bedrijf in zee gaan. Italië, haalt echter via staatssecretaris Geraci van de Vijfsterenbeweging, Xi Jinping binnen alsof het Sinterklaas is en maakt grootschalige afspraken over Chinese investeringen in de strategisch gelegen haven van Palermo en geeft ruim aan activiteiten van Huawei en een aantal Confucius instituten in Italië. Journalisten en wetenschappers die zich kritisch uiten over China worden gemaand of kranten en tijd­schriften krijgen het signaal niet meer van deze mensen nog te publiceren zich rustig te houden. Via het (taal)onderwijs op de Confuciusinstituten worden Chinese visies op de wereld verspreid en worden volop niet-vrijwillige contacten onderhouden met Chinezen in Italië.

De meest westerse landen zijn niet goed geïnformeerd over het Chinese beleid en de activiteiten China. Ze zijn ofwel goedgelovig, naïef, en raadplegen geen Chinese bronnen, die wel volop te benaderen zijn. Chiu zegt dat veel westerse functionarissen Chinese informatie niet vertrouwen of als geheimtaal beschouwen. Maar er zijn in alle landen voldoende Chinezen die de taal machtig zijn en behulpzaam kunnen zijn bij het ontsluiten van allerlei bronnen.

Hier ligt bovendien een ander heikel probleem naast. In veel landen wonen veel mensen van Chinese komaf. De Chinese ‘diaspora’ is groot en wereldwijd. In grote landen wonen honderdduizenden Chinezen, in Australië 1,2 miljoen, in Canada 1,8 miljoen, in Frankrijk 600.000, Vietnam 2,5 miljoen, USA 4 miljoen, Italië 350.000, Indonesië 4,3 miljoen, Venezuela 500.000, Brazilië 350.000, enz. enz.[7] Deze Chinese diaspora zijn een bron van wereldwijde onrust in de wereld over China en derhalve voorwerp van uitgebreide niets ontziende repressie. Chiu beschrijft indringend hoe deze praktijk, gedirigeerd vanuit de CP van China als Eenheidsfront-aanpak eruitziet. Het wereldwijde netwerk van agenten van het Eenheidsfront van de CP is zeer effectief in het benaderen en de mond snoeren van kritische Chinezen, en vooral hen die via kranten, tijdschriften en sociale media en niet nalaten hun kritische geluiden over de Chinese praktijken te laten horen. Naast de vele kritiek op het neerslaan van de studentenopstand in 1989, op de kneveling van journalisten en wetenschappers in eigen land, de onderwerping van de democratie in Hong Kong, de felle repressie van de Oeigoeren is dit een internationale praktijk die nauwelijks in de media de aandacht krijgt, maar wel erg verontrustend is. China treedt hiermee ver buiten haar grenzen. Het gebrek aan aandacht hiervoor wordt niet alleen veroorzaakt doordat Chinezen in de diaspora vaak een eigen leefwereld, eigen woonwijken, eigen kranten en clubs behouden en zo voor inheemse landgenoten niet zo makkelijk bereikbaar zijn. Hun relatieve afgeslotenheid zou trouwens niet zelden afgedwongen kunnen zijn door bezoekjes van stille agenten van het Eenheidsfront. Wat daar nog bij komt is dat veel Chinezen in de diaspora vaak met racisme te maken hebben. Zo zijn bijv. veel Chinezen persoonlijk aangesproken op het coronavirus dat bij hen vandaan zou komen. Ook Trump voedde dit racisme. Dit racisme maakt communicatie niet voordehand liggend.

Henk Schulte Nordholt

Schulte Nordholt (SN) ziet in het buitenlandse en binnenlandse beleid van de Chinese Volksrepubliek o.l.v. de CCP van Xi Jiping een welbewuste poging om het Chinese Rijk als wereldmacht te vestigen, als leidende macht die zich ontwikkelt tot een sleutelspeler in het internationale politieke en economische verkeer, in de toegang tot zeewaterwegen en tot cruciale grondstoffen en in digitale innovatie.

Dit streven gaat gepaard met een immense verfijnde repressie van haar eigen bevolking en, via de Verenigd Front-aanpak[8], ook van Chinezen overal ter wereld. Dit streven is erop gericht om de heerschappij van de CCP kost wat kost te handhaven en daarmee de positie en immens rijkdom van honderd families rondom Mao Ze Dong, de ”communistische adel”, te bestendigen. Het beeld dat men in de wereld heeft van China, zo blijkt uit onderzoekingen is de afgelopen twee jaar in ongunstige zin veranderd. Hier heeft de Chinese aanpak en communicatie over de Coronauitbraak veel mee te maken, dit heeft, voor zover nog nodig, nog meer ogen geopend. Ook de meedogenloze repressie van de democratische paraplubeweging Hongkong en de breideling van de pers daar heeft de goede naam van China geen goed gedaan. Daarvóór, sinds ongeveer 2015, werd er al meer en meer bekend over de etnische zuiveringen door China van de Oeigoeren. Wie nu nog denkt dat het wel meevalt, kijkt niet goed.

De westerse landen doen er volgens Schulte Nordholt goed aan hun beeld van China bij te stellen en eendrachtig mensen, technologieën, economieën en vooral ook waarden te beschermen tegen deze kwaadaardige supermacht. SN zegt daarbij dat het belangrijk is onderscheid te maken, anders dan Trump die over het Chinavirus sprak en daarmee veel racistische uitingen opriep, tussen de Chinese bevolking enerzijds en de Chinese leiders en hun regeringsapparaat anderzijds. Dat lijkt me juist.

Ik kan me goed vinden in wat SN aangeeft hoe om te gaan met China. De westerse wereld heeft de afgelopen periode veel invloed en zeggenschap verloren aan China door naïviteit en het niet-opmerken van spionage, infiltratie en bedrog bij internationale afspraken. Het is nu zaak met het oog op de handhaving van onze waarden om de risicovolle banden met China beter in de gaten te houden en waar nodig te stoppen. Een belangrijk aspect hierbij is een tegenwicht bieden aan de wijze waarop China investeringen doet in de infrastructuur van ontwikkelingslanden. Veel landen hebben nog steeds een open-deur-politiek als het om Chinese bijdragen gaat. Maar ook daar gebeurt het steeds vaker dat landen de leningen niet kunnen terugbetalen en heeft China vervolgens een spoorlijn of een haven als onderpand. De wereldgemeenschap moet, net als bij milieu, oorlogen en klimaat haar eigenbelang ruimer gaan zien en met meer zicht op de lange termijn gaan denken en handelen. Korte termijn successen zijn vaak op langere termijn kortzichtig. De Beëlzebub van het westerse, door macht en kapitaal geregeerde wereldsysteem, lijkt te verkiezen boven de draak van de Chinese wereldorde.


[1] Frans-Paul van der Putten, ‘De wederopstanding van China, van prooi tot wereldmacht, Amsterdam, 2020.

[2] Ik gebruik hier dezelfde spelling bij Chinese namen als Van der Putten.

[3] Zowel bij de oprichting van de Kuomintang als van de Communistische Partij van China (CPC)  heeft vanuit de Komintern Henk Sneevliet een belangrijke rol gespeeld bij het opzetten van partijafdelingen, het organiseren van acties en het inrichten van het partijapparaat. De CPC en de Kuomintang hebben jaren innig samengewerkt

[4] Zie onder meer Jung Chang, Drie zwanen van China, Amsterdam 1992; dit boek is zeer de moeite waard en heeft destijds bij mij het Chinese communisme voor het laatste beetje ontluisterd.

[5] De getallen zijn geteld door de Amerikaanse historicus Rudolph Rummel en genoemd in de Huizingalezing van Bram de Swaan, Moord en de staat, Amsterdam 2003, p.12

[6] Ruben Terlouw, De wereld van de Chinezen, VPRO, 2021

[7] Bron: Wikipedia.

[8] Joanna Chiu noemt dit de Eenheidsfront aanpak.

Eerste Liefde

De hele nacht liggen woelen en draaien. Eindelijk was het morgen geworden. Vandaag was de dag. Hij mocht naar school, de grote vakantie was voorbij en de school ging weer beginnen. Kleuterschool. Zijn moeder had al schone kleren voor hem klaar gelegd. Hij schoot ze snel aan en ging de trap af naar de kamer voor het ontbijt. Zijn twee zussen zaten al aan tafel. ‘Te laat, te laat!’ riepen ze in koor naar hem. Hij stak zijn tong uit en nam plaats bij zijn bord. Daar lag ook al een trommel met daarin een boterham en een appel zag hij toen hij het opende. Dat openen was nog niet gemakkelijk, zijn handen konden de trommel niet goed omvatten. Een plastic beker met deksel bleek met melk gevuld. ‘Pindakaas’ riep hij als antwoord op de vragende blik van zijn moeder die zijn boterham maakte.

Hij was nog eerder klaar dan zijn zussen en klokte de laatste slokken melk weg. Hij kon niet langer stil zitten. Hij stormde de trap op om zijn tanden te poetsen. Met moeite kon hij de dop van de tandpasta loskrijgen, deed wat op zijn borstel en poetste zijn tanden.

Toen vijf minuten later ook zijn twee zussen klaar waren om naar school te gaan vertrokken ze met hun drieën; de oudste, Tineke, zou hem bij zijn kleuterklas afleveren. Ook zijn twee zussen bleken wat druk en opgewonden. Dichterbij school zagen ze steeds meer kinderen met rugzakjes naar school lopen. En sommigen kwamen op de fiets. Hier en daar zag hij een vader of moeder die kinderen naar school bracht. Gelukkig vond zijn moeder dat niet nodig.

Ze waren veel te vroeg. De deur was nog dicht. Tineke bracht hem bij de ingang van het kleuter gedeelte, aaide even over zijn bol en zei: Dat gaat zo wel hé? Ik kom je om drie uur weer ophalen. ‘Zitten je veters nog vast en zit je gulp dicht?’  ‘Net mijn moeder’ dacht hij nog toen zij naar een andere ingang liep.

Wat verlegen stond hij daar ineens alleen tegen de muur en keek naar de andere kinderen. Een paar jongens renden heen en weer, hij bleef bij de muur staan, stil. Dan, om de hoek van het gebouw zag hij een meisje aan komen lopen aan de hand van een ouder meisje. Hij keek naar haar en hield zijn adem in. Een rozig en gaaf gezichtje met een klein neusje en grote ogen werd omgeven door halflang sluik licht haar. Hij wist niet dat er ook zulke meisjes waren. Ze had een jurkje aan met blauwe en roze bloemetjes. Zo zien prinsesjes eruit. Hij slikte, zweette een beetje en voelde dat hij bloosde. Hij was blij dat Tineke dit niet meer zag. Zijn benen werden slap. Hij draaide en dreutelde wat heen en weer en keek af en toe tersluiks even naar haar. Aan haar voeten zaten open bruine schoenen met witte sokjes. Ze stond vlak bij hem, er stonden twee kinderen tussen. Zij moest blijkbaar ook naar de kleuterklas, misschien ook wel voor het eerst. Zijn hart klopte in zijn keel. Zouden de kinderen zien dat hij zo bloosde? Hij hoorde haar zachtjes praten tegen een ander meisje. Het oudere meisje met wie ze was, was alweer weg. De deur ging open. Een vriendelijk lachende juf in een geel-rode jurk riep; ‘groep A, dat zijn jullie’, ze wees de kinderen aan die hier allemaal stonden, ‘jullie kunnen naar binnen’.

Langzaam schuifelde hij naar binnen, niet voordringend en ook niet helemaal achteraan, zo onopvallend mogelijk. Zij liep een eindje voor hem. Hij zag dat ze midden in de derde lange rij plaats nam. In een flits besloot hij in de vijfde rij te gaan zitten, op dezelfde hoogte in het midden. Niet naast haar, dat was veel te riskant, maar wel op dezelfde hoogte zodat hij naar haar kon kijken. Er kwam een jongen naast hem zitten. Zijn rossige krullen waren hem buiten ook al opgevallen. ‘Bijt jij nagels?’ vroeg hij. De krullenkop knikte. Hij noemde zijn naam niet en hij ook niet. Niemand deed dat. Toen iedereen zat zei de Juf: ‘Jullie kunnen voorlopig op deze plek blijven zitten. Binnen enkele weken krijg je je vaste plek. Ik noem nu alle namen en je zegt ja als ik je naam noem. Zo weten we direct of iedereen er is. Zo hoorde hij dat zijn buurman-met-de-krullen Klaas heette. Kort erna riep de juf: ‘Thomas van der Dun?’ ‘Ja’ riep hij met een zacht stemmetje, waarbij hij even keek of zij naar hem keek toen hij zijn naam zei. Weer later bleek zij aan de beurt: ‘’Marijke Post? ‘Ja’ klonk achteloos van haar plaats. Ze heet Marijke en ze vindt het gewoon en niets bijzonders haar naam te zeggen.

Na deze start kregen ze als eerste een allemaal een gloednieuw schrift. Ook kregen ze per tweetal een doosje met kleurpotloden. Juf deed voor hoe je een kleurpotlood kon slijpen met de slijper op haar bureau. Juf zei dat iedereen op de eerste bladzijde een bloem kon tekenen in kleuren. Hij begon aan een rood-gele tulp, de kleuren van de jurk van de juf. Klaas begon ook met de groene steel van een narcis, zei hij. Hij was snel klaar, de meeste kinderen waren nog bezig. Bij het wachten zat hij voorzichtig en zo onopvallend mogelijk naar haar te kijken. Haar haar hing over haar naar het schrift gekeerde gezichtje. Plotseling hief ze haar hoofd op en keek ze terug. Naar hem, recht in zijn ogen. Hij was te laat voor het wegdraaien van zijn hoofd en bleef naar haar kijken alsof zijn hoofd was stilgezet. Ze glimlachte voorzichtig terug. Toen dat tot hem doordrong jubelde hij vanbinnen: ze zag hem! Die glimlach was echt. Hij ging rechtop zitten, met het hoofd recht boven zijn bovenlichaam. Hij bloosde, maar genoot. In een flits vroeg hij zich af of Klaas het gemerkt had.

Hij werd uit zijn trance wakker geschud door de nu indringende stem van de juf die hen vroeg er een grote andere bloem bij te maken. Met de energie die hij nu ineens van binnen voelde ging hij aan de slag. De juf liep goedkeurend rond. Tussendoor keek hij weer een enkele keer naar haar.

Net toen hij zijn hoofd van haar weer naar het schrift keerde zag hij dat zij haar hoofd wendde en weer naar hem keek. Ze keek met een onzeker lachje. Hij keek terug. Uit de stilte om hem heen waarin alleen zij bestond, hoorde hij ineens: ‘Thomas, ben je al klaar?’ Betrapt. Hij boog zijn hoofd naar het schrift en keek even hoe Klaas met de opdracht bezig was. Hij kleurde de paardenbloem wat bij en keek snel nog even naar Marijke. Deze keek niet op terwijl zij bezig was.

Bij de pauze rond het middaguur werd Marijke opgehaald door het oudere meisje, zij ging blijkbaar naar huis. Hij bleef over in de klas met nog een enkele kinderen die wat verder van school woonden, net als hij en Klaas. Ze aten hun boterham met melk en praatten wat tegen elkaar. Toen iedereen klaar was mochten ze naar buiten op het speelterrein. Er was een klimrek, een voetbal en er waren kleine racefietsjes met dikke banden om mee te spelen. Naarmate de pauze vorderde keek hij terloops steeds vaker of zij er weer aankwam. Het speelterrein was al bijna vol toen hij haar eindelijk de hoek om zag komen. Hij was klaar met voetballen, had geen zin meer en liep zo onopvallend mogelijk in haar richting. Even stond ze alleen te dralen en hij raapte direct al zijn moed bij elkaar en zei: ‘dag Marijke’. Hij bloosde en lachte tegen haar. ‘Zullen we samen een rondje hardlopen?’. ‘Is goed’ antwoordde zij en rende meteen weg. Haar haren en jurk wapperden. Even overdonderd rende hij achter haar aan. Hij haalde haar niet in. Weer terug bij de hoek stonden ze allebei na te hijgen. ‘Jij kan goed rennen’, zei hij, ‘Jij ook Thomas’ antwoordde ze tussen het hijgen door. Ze wist zijn naam nog.

De middag op school was gevuld met spelen in verschillende hoeken van de klas. Daar stonden een speelkeuken, een hoek met allerlei houten blokken die juf ‘bouwhoek’ noemde, een hoek om met grote vellen papier te schilderen en een hoek met een grote doos met duplo. Alle kinderen waren bezig. Hij was ingedeeld bij het schilderen samen met nog zes andere kinderen. Hij schilderde dezelfde bloemen als vanmorgen, maar dan veel groter en met verf. Hij vond het leuk om te doen. Marijke was in de duplohoek bezig. Ze leek hem niet meer te kennen en was druk bezig. Hij probeerde af en toe haar blik te vangen maar zij keek geen enkele keer in zijn richting. Later bij het opruimen keek ze evenmin. Geen seconde. De schooldag eindigde met twee liedjes die de juf met de klas zong. Elke regel zong zij voor en de klas zong haar na.

Een zoemer kondigde het einde van de schooldag aan. Eindelijk klaar, hij durfde nu openlijk naar haar te kijken. Maar Marijke was in beslag genomen door haar buurvrouw en daar stond het oudere meisje al dat haar ook vanmorgen had gebracht. Zonder ook maar een blik liep ze weg met dat meisje.

Thomas wachtte op Tineke. Klaas liep naar de deur en zei zachtjes in het voorbijgaan tegen hem: ‘Er zeiden een paar jongens dat je een meidengek bent, ze moesten om je lachen.’  Klaas waarschuwde hem voelde hij. Hij schrok en moest denken aan een kort tafereel op het schoolplein in de middagpauze. Daar werd een jongen nageroepen met ‘brillenjood!’. Die jongen was toen overstuur geraakt. De meester die op het plein was had niet ingegrepen.

Hij liep onopvallend maar dicht achter Klaas aan naar de deur waar hij Tineke zag. ‘Hoe ging het?’ vroeg ze toen ze zijn hand pakte. Klaas keek nog even om, dat vond hij prettig. Voor Klaas hoefde hij niet bang te zijn. ‘Wel goed’, antwoordde hij Tineke nonchalant. Van binnen verschenen twee bange beelden: hij wordt nageroepen voor ‘Meidengek!’ en, nog erger, Marijke vond hem niet meer leuk. Maar hij zei verder niets tegen zijn zus. Hij keek wel uit.

Herfstochtend

Het park lag er verlaten bij deze vroege morgen. Het schemerde en de waterkou van de nacht was ondanks de jas voelbaar. Brr.

Voor hem hupte een merel van onder een heg het pad op en verdween enkele meters verder weer onder heg. Op de achtergrond hoorde hij de zachte geluidsbrij van de snelweg een kilometer verderop, het autoverkeer draaide al volop. Een natte dichtgevouwen krant lag aan de rand van de stoep tussen de bladeren. Een voorpaginafoto van een groot verkeersongeluk drong zich op. Oud nieuws, de krant was van eergisteren blijkbaar. Hij hield zijn handen in de zakken van zijn jas, zo bleven ze een beetje warm. Hij had zijn handschoenen aan moeten doen. Via een fietssluis liep hij het verlaten park in. Wandelend langs een rij bomen links met hier en daar een bank en rechts langs een plas ontwaarde hij wat verderop de donkere schaduw van een in een jas diep weggedoken persoon. Hij naderde. De persoon verroerde zich niet, het leek of deze hem niet opmerkte. Toen hij nog een meter van de onbekende verwijderd was, schraapte hij licht zijn keel en zei: ‘Goedemorgen’.

Met enige vertraging kwam er iets onverstaanbaars terug van een mannenstem. Hij keek de onbekende wat beter aan en zag nu een gezicht met een hoornen bril en een lichte baard in het schemerdonker. Hij schatte de man op ongeveer 50 jaar.

Hij wist niet of hij verder zou gaan met de korte uitwisseling van woorden. Erg uitnodigend was deze immers niet. Het viel hem op dat de man in het zwart gekleed was en wist verder nog steeds niet of en wat hij zou zeggen. De korte patstelling werd doorbroken door een snel naderende hardloper die met stevige pas het park door snelde. Tijdens het voorbijsnellen van de kleurig geklede hardloper hoorde hij de in het zwarte geklede man zachtjes mompelen: ‘Wat een uitslover!’ Blijkbaar had hij zijn omgeving toch goed in de gaten.

Nu verzamelde hij zijn moed en begon nog eens: ‘U bent vroeg op is het niet koud op deze bank? De man bewoog nu wat en draaide het hoofd langzaam in zijn richting. ’Weet u in mijn situatie doet de kou en het tijdstip van de dag er niet meer toe.’ Het leek hem of er geslagenheid doorklonk in zijn stem. ‘Wat doet er dan wel toe?’, de vraag rolde sneller zijn mond uit dan hij besefte. ‘Tja, mijnheer, dat is een goede vraag. Daar weet ik niet zo snel het antwoord op.’  ‘Wilt u dan misschien vertellen, wat er is gebeurd dat maakt dat kou en tijdstip van de dag er niet meer toe doen voor u?’

De man was even stil, hij leek na te denken of hij wel zou antwoorden. Maar na korte tijd draaide hij zijn hoofd wat naar hem toe en sprak. ‘Mensen gaan tegenwoordig hun eigen gang en trekken zich niets meer aan van anderen, van God noch gebod. Prominente personen hebben geen gezag meer en vrijwel iedereen is van God los. Verenigingen hebben een moeilijke tijd en kerken lopen leeg. Ook de mijne. Gisteren is de kerk definitief gesloten. Op zondagen kwamen de laatste tijd nog slechts een handjevol mensen. Dat kon niet meer. Nu heb ik niets meer te doen.’

Hij keek de man aan en was even stil. Zijn woorden klonken ijl na. ‘Waar zijn de laatste gelovigen heen, naar een andere gemeente, of heet dat bij u een parochie?’ Na een korte pauze kwam een vermoeid antwoord: ‘Ik heb hen met een mooie dienst over gedaan aan een andere parochie, wij behoorden tot de katholieke kerk. Daar zullen mijn parochianen mij spoedig terugzien, het aantal geestelijken is dermate klein geworden dat parochies op grote schaal worden samengevoegd en ik snel gevraagd zal worden om bij toerbeurt ook daar de mis te doen op zondag.’  ‘En nu?’, vroeg hij na enige nadenken, ‘Wat gaat u nu wel doen, hier in de schemerkou op de vroege morgen op een bankje zitten?’

‘Ik wacht, wacht, inderdaad ik wacht’, zei hij meer tegen zichzelf dan tegen de voorbijganger. ‘Ik wacht tot de zinloosheid opgelost is en ik weer wat moed en zin heb iets te ondernemen. De komende tijd heb ik geen agenda nodig, ga op ongewone tijdstippen de stad in en zal allerlei dingen zien gebeuren en misschien ook wel meemaken die tot voor kort voor mij geen betekenis hadden. Zo hoop ik de zinloosheid op te lossen en te proeven van het leven. Dat is het.’

’Dit gesprekje is dus een ongewone ervaring voor u dat u verder moet helpen?’. ‘Ja precies. Ik wil u wel verklappen dat ik me vanmorgen rot en zielig voelde. Maar deze paar minuten helpen me, uit dat humeur te treden. Dit praten doet me goed. Als priester was ik niet gewend om over mezelf te praten. Je moest er vooral zijn voor anderen. Luisteren. De hemel mag weten hoeveel ik wel niet geluisterd heb.’

Hij zweeg en ging even verzitten en keek stil voor zich, alsof hij vond dat het wel klaar was. Een kleine zachte plons rechts voor hen deed hen allebei opkijken. In de schemering was een lepelaar geland in de plas voor hen. ‘Wat bijzonder. Vandaag gebeurt er iets. Goedendag.’  De schemering was bijna licht geworden en hij vervolgde zijn weg, met zijn handen nog steeds in zijn jaszakken.

Over Roel In ’t Veld, Kennisdemocratie,

(de kwetsbaarheid van kennis)

In het oog van de orkaan, Boom, Den Haag, 2021

In de NRC verscheen begin november 2021 een interview van Kees Versteegh met Roel In ’t Veld naar aanleiding van het verschijnen van zijn geheel vernieuwde tweede versie van Kennisdemocratie. Het boek gaat o.a. over de crisis van de parlementaire (‘vertegen­woordigende’) democratie en de rol van kennis in het overheidsbeleid en de rol van de massamedia en sociale media.

Het boek is doorweven met het autobiografische teksten over zijn eigen leven en loopbaan.

Het interview las ik en raakte bij mij aan twee langer bestaande ergernissen: de vele talk­shows op de televisie en de verkorte blik van media én bestuurders en ambtenaren die vooral op de tv-studio’s en de Randstad gericht is. Ik heb in mijn werkbezoeken en overleggen (van 2013-2018) in het kader van het beleid tegen het voortijdige schoolverlaten aan de regio’s Kop van Noord-Holland, Friesland, Groningen en Twente) voldoende scherp op mijn netvlies gekregen dat de blik van de regering en haar Haagse ambtenaren niet op de eerste plaats op de economisch zwakke regio’s is gericht[1]. De andere ergernis is het grote aantal talkshows waar tv-kijkers mee vermaakt en geïnformeerd worden; deze hebben een vaste kliek aan draaideurgasten (deskundigen, journalisten, politici en BN’ers) die steeds bij toerbeurt hun eigen plas over de actualiteit mogen doen. Dat is blijkbaar makkelijker dan zelf wat gravende reportages te maken. Deze nauwe banden tussen politici en media waar In ’t Veld van rept is al jaren mij een doorn in het oog. Ik schaf het boek aan en lees het in de randen van mijn dagen.

In ’t Veld heeft in de discussie in de sociale wetenschappen over het verband tussen waarden en kennis, met behulp van Robert Pirsig’s (.. ja die ..) visie op kwaliteit, een pad gekozen waarin waarden intrinsiek verbonden zijn met kennis. Kennis is in de ogen van In ’t Veld altijd waarden-gedreven; je doet bijvoorbeeld alleen maar onderzoek naar de bronnen van ­ongelijkheid omdat je het belangrijk vindt dat er iets aan gedaan wordt. Pirsig heeft het over statische (grofweg gericht op beheersing van processen) en dynamische kwaliteit (gericht op verandering) en dat geeft In ’t Veld de mogelijkheid de hoedanigheid van veranderingen en de gevolgen van politieke besluitvorming te onderzoeken en te duiden.

Allereerst behandelt hij enkele uitgangspunten van de bestuurskunde, namelijk het ‘prisonners dilemma’ die leert dat er samenwerking tussen burgers en een overheid nodig is om de gezamenlijke welvaart in een land te bevorderen. Ook de paradox van Kenneth Arrow passeert de revue. Deze luidt -in eigen woorden-: er is geen meerderheidsregel te bedenken die de verschillende individuele voorkeuren van burgers zo weet te honoreren dat iedereen tevreden kan zijn. De representatieve (‘parlementaire’) democratie lijkt niettemin jarenlang het politieke systeem waar de minste bezwaren aan kleven.

De laatste 30 jaar is deze democratie in ons land echter aan flinke erosie onderhevig. Traditionele, vaststaande waarden bij kiezers verdwijnen met het eroderen van de voor ons land klassieke zuilsgewijze organisatie van wat meestal het maatschappelijk middenveld wordt genoemd. Deze ontzuiling gaat gepaard met het mondiger worden van burgers, met nieuwe politieke partijen, met meer tegenspraak richting autoriteiten waarbij in de 21ste eeuw het internet grote hoeveelheden informatie voor individuele burgers toegankelijk maakt. Tegelijkertijd verliezen de traditionele massamedia (kranten, radio en ook de tv) aan gezag én verliezen hun gezamenlijke monopolie op informatieverspreiding. De topdown communicatie van de massamedia wordt aangevuld én tegengesproken door de sociale media (Instagram, Facebook, Twitter, LinkedIn, TikTok, enz. enz.). Kennis, ook wetenschappelijke, werd in de sociale media de afgelopen decennia in toenemende mate selectief gebruikt, verdraaid, ontkend dan wel gedegradeerd tot ‘ook maar een mening’. Het dieptepunt hiervan is voorlopig aan te wijzen in de campagnes van Trump en tijdens de coronacrisis. Veel medeburgers pretenderen virologische, microbiologische, medische, historische kennis te hebben en ook nog bondscoach te zijn.

Naast deze verwording hebben het internet en de sociale media daarentegen ook toeganke­lijke en goedkope mogelijkheden opgeleverd om de representatieve democratie aan te vullen met besluit­vormings­processen waarin burgers een grote rol spelen en niet alleen de kiezers zijn van de besluitvormers.

In ’t Veld hield in de laatste fase van zijn loopbaan zich bezig met duurzaamheid. Deze kwestie – door sommigen ongetwijfeld een ‘wicked problem’ genoemd, d.w.z. ingewikkeld en moeilijk oplosbaar vanwege tegenstrijdige belangen en ongelijksoortige klonteringen van beschikbare relevante informatie – komt uitgebreid aan de orde en gebruikt de schrijver om zijn inzichten over de betekenis van onderzoek naar toekomstige ontwikkelingen voor het beleid van vandaag, naar voren te brengen.

Kennis kàn weer een rol gaan spelen in de politieke besluitvorming en zo de betekenis van vooroordelen, desinformatie en vaste overtuigingen terugdringen.

In ’t Veld maakt onderscheid tussen diverse manieren van wetenschap bedrijven. Aan de ene uiterste kant gewone (monodisciplinaire) wetenschap­pelijke kennis van gespecialiseerde onderzoeksinstituten waarvan de resultaten in internationale vaktijdschriften gepubliceerd worden. Deze kennis is meestal weinig bruikbaar vanwege het zeer beperkte bereik en geldigheid van deze kennis. Aan de andere kant van het spectrum ziet hij transdisciplinaire toekomstgerichte kennisverwerving. Dit is een werkproces waarbij (1) inzichten en bevindingen van meerdere wetenschappen (sociale, medische, technische enz.) worden gecombineerd en wetenschappers van verschillende huize ook bij onderzoek zelf samenwerken én (2) waarbij in het onderzoeks- en communicatieproces gewone burgers en wetenschappers voortdurend met elkaar in contact staan over de te onderzoeken vraag­stukken, over de gegevens en inzichten die de onderzoekingen opleveren en over de vraag hoe dit in beleid – gecentraliseerd vanuit de overheid dan wel decentraal in een wijk, een dorp of stad -toegepast kan worden.

De uitholling van en het verdampen van het vertrouwen in het democratische proces kan beter aangepakt worden door actieve participatie van burgers in plaats van nog meer sociale media-kanalen en nog meer talkshows. Kennis en actieve participatie van burgers kan tot beleid leiden in de richting van het goede leven, ‘de echte dingen’[2], voor vandaag en morgen én gericht op voorzorg voor toekomstige generaties.

In ’t Veld schrijft niet met meel in zijn pen maar met gitzwarte inkt als hij de huidige politieke situatie kenschetst die hem tot een pleidooi brengt voor meer kennis en meer actieve participatie. Enkele van zijn constateringen wil ik eruit lichten: (1) uit de wens zoveel mogelijk risico’s te vermijden komen opgeklopte hypes voort over voedselveiligheid, over gebreken in de zorg, en over feilen van justitie en politie. Deze brengen steeds meer verfijnde regelgeving voort[3] met meer bureaucratie en meer reacties weer daarop. (2) De uitholling van het stelsel van sociale zekerheid en de schaalvergroting (in onderwijs, zorg en gemeenten o.a.) in de (semi)publieke sector maken de herkenbaarheid en intimiteit van de dienstverlening kapot en maken de grote hybride organisaties voor burgers en ook voor bestuurders en politici ondoorzichtig. En een pareltje tenslotte is: ’Een onafzienbare reeks schandalen bracht aan het licht dat in het bedrijfsleven, maar ook in de semipublieke sector de dominantie van begeerte boven fatsoen niet was getemperd door controle en toezicht, maar wel aan raffinement had gewonnen’ (p. 115).

Ik wil hier bij twee punten in het betoog van In ’t Veld stil staan.

Het gaat om reflexiviteit en om de drie dimensies van duurzaamheid. In ’t Veld spreekt over verschillende mechanismen of verschijnselen die een rol spelen bij veranderingsprocessen: causaliteit, serendipiteit, dialectiek en reflexiviteit. Deze mechanismen maken sturing van veranderingsprocessen ingewikkeld. Reflexiviteit is daarbij het vermogen van mensen om hun gedrag aan te passen als gevolg van kennis over zichzelf. In ’t Veld zegt dat mensen als zij kennis tot zich nemen over zichzelf zij daarvan leren en hun gedrag aanpassen. Sociaal-psychologische kennis loopt zo steeds achter de feiten aan. Kennis van een systeem verandert dat systeem direct. Hij past dit inzicht toe op de werking van de sociale zekerheid en het toezicht daarop, op het gedrag van bedrijven en financiële instel­lingen en op het gedrag van bijv. departe­menten. Ik denk dat hij hier de interne ver­houdingen binnen een organisatie, binnen een departement te weinig onderkent. Leren in organisaties en systemen gebeurt mijns inziens weliswaar bij individuen en teams, maar het management en directie en hun belangen zijn dominant, niet de nieuwe inzichten van mensen op de werkvloer. Ik heb bij het ministerie van OCW zelf mogen ervaren dat bijv. het woord van een directeur-generaal, een zinsnede uit een regeerakkoord of de uitkomst van een een-tweetje van de bewindspersoon met de premier, de doorwerking van nieuwe inzichten doet verstoppen. Macht bepaalt wat er geleerd wordt. Reflexiviteit lijkt daarmee de uitkomst te worden van de wijze waarop machten met nieuwe informatie of nieuwe kennis omgaan. In ’t Veld onderkent dit ook als hij beschrijft hoe kennis, resultaten van toekomstonderzoek op departementen gebruikt wordt, of juist niet (p.243). Toch geeft hij reflexiviteit zo’n belangrijke plek in het politieke proces van innovatie.

Bij het vraagstuk van duurzaamheid onderkent In ’t Veld een sociale, een ecologische en economische dimensie. Voor een haalbaar duurzaamheidsbeleid, waarvoor in de samenleving draagvlak te vinden is, moeten we met alle drie dimensies rekening houden. Dit geldt temeer daar binnen een democratie als de onze geen globale overeenstemming te verwachten is – gezien de vergruizing van waarden en waardenhiërarchieën bij individuen en groepen – over belangrijke maatschappelijke kwesties. Als wij bijv. de zorgen van de industriële melkvee­houderijen over hun toekomst niet serieus nemen, komen we niet ver in de verduurzaming van de landbouwsector. Op zich is deze stellingname begrijpelijk. Maar als je in ogenschouw neemt (NRC, 12 feb 2022) dat Oxfam berekende dat de rijkste 10% van de wereld verantwoordelijk is voor meer dan de helft van de CO2-uitstoot, bereik je weinig resultaat als je de vuistregel van In ’t Veld hanteert, namelijk dat alleen die maatregelen gericht op duurzaamheid aandacht verdienen die in geen van de dimensies een verslechtering opleveren (p. 37).  Ik denk daarentegen dat verduurzaming van onze economie een mondiale kwestie is van – op de langere termijn – een ingrijpende mondiale herverdeling van welvaart. David van Reybrouck meldt in zijn Huizingalezing[4] dat het westen de toekomst van de gehele aarde verregaand gekoloniseerd heeft en dat derhalve op mondiaal niveau grondige ingrepen in de economie onvermijdelijk zijn.

Vooralsnog lijkt mij dat de drie kernvragen van Ralf Dahrendorf (door In ’t Veld aangehaald op p. 79) nog steeds van toepassing zijn op het zojuist genoemd vraagstuk:

  • How can we bring about changes in our societies without violence?
  • How can we control the rulers with the support of a system of checks and balances and ensure that they will not abuse power?
  • How can all citizens participate in the exercise of power?

Een opvallend onderdeel van het boek zijn autobiografische passages, waarin de auteur schrijft over zijn jeugd (in oorlogstijd) in Den Haag, zijn middelbare schooltijd, zijn loopbaan aan de universiteiten van Leiden en Nijmegen, waar ik bij hem afstudeerde, en op het ministerie van OCW (directeur-generaal Hoger Onderwijs en Wetenschappelijk Onderzoek), zijn kortstondige staatssecretarisschap, zijn werk als voorzitter van de Raad van Commissarissen van ProRail bij de besluitvorming over de exploitatie van de Betuwelijn en zijn kortstondige samenwerking met Pim Fortuyn. Deze teksten zijn zonder franje, bijna onderkoeld opgeschreven in woorden en zinnen die her en der een hoog soortelijk gewicht hebben, ook over eigen fouten en verkeerde inschattingen. Juist daardoor oogt het geheel als open en kwetsbaar. Deze teksten zijn ook onthullend over bestuurlijke kortzichtigheid en onbenul én machtsmisbruik. Heerlijk om kennis van te nemen. In ’t Veld presenteert ze als casussen. Zijn werk als directeur-generaal Hoger Onderwijs en Wetenschapsbeleid geeft enkele voorbeelden van hoe kennis in het beleid wordt gebruikt (heel weinig, ondanks de inzet van de schrijver zelf): veranderingsprocessen zijn complex. De besluitvorming over de exploitatie van de Betuwelijn is een voorbeeld van hoe met scenario’s gewerkt kan worden maar niet gebeurt. Zijn kortdurende rol van staatssecretaris Hoger Onderwijs laat zien dat kennis, relaties en macht een explosief en pijnlijk mengsel kunnen zijn. Zijn belevenissen met Fortuyn laten zien dat ideologieën aan belang hebben ingeboet en politiek nu veelal draait om persoonlijkheden die zoveel mogelijk publieke sentimenten op de kiezersmarkt aanspreken.

Als ik deze persoonlijke belevenissen lees bekruipt me het sterke gevoel dat macht en (persoonlijke) verbindingen met machtigen bepalend zijn in politieke processen. Hij geeft met deze persoonlijke geschiedenissen voorts een goed beeld van zijn eigen waarden van waaruit hij werkt, denkt en schrijft, of zoals hijzelf zegt: ’Waarden vormen mijn identiteit’ (p. 21). Zijn ontboezemingen lijken -op enige afstand- oprecht en overtuigend.

Ik vond het leuk en stimulerend om dit boek te lezen. In ’t Veld’s ideeën over aanvullende participatieve vormen van democratie spreken mij zeer aan. Ook als er ooit grondige veranderingen komen in de manier waarop wij leven en samenwerken, hebben we nog steeds te maken, legt In ’t Veld uit, met allerlei vraagstukken over kennis, meningsvorming in de media, met machten en belangen en ook nog steeds met niets ontziende begeerte van een aantal individuen naar macht en rijkdom te maken.

Het kost soms een mensenleven om goed te beseffen hoe dierbaar iemand is, was, schrijft In ’t Veld (p.16).  Inderdaad.


[1] Op de eerste dag dat ik hieraan schrijf verneem ik op het NOS Journaal dat er een kazerne moet sluiten: niet die van Eindhoven, Rotterdam of Doorn maar nota bene de tweede in de afgelopen tien jaar van Drenthe; na Emmen dreigt ook Assen haar kazerne te verliezen.

[2] Titel van een (congres)bundel essays uit 2015 over de kwaliteit van het onderwijs onder redactie van Roel in ’t Veld, met overigens een aantal zeer lezenswaardige teksten.

[3] Bij de regeling belastingtoeslagen maakte de alom gevreesde fraudemogelijkheden dat er in de uitvoering geen ruimte was voor ambtenaren om uitzonderingen te maken. Zie verder Jesse Frederik, Zo hadden we het niet bedoeld. De tragedie achter de toeslagenaffaire, De Correspondent, 2021

[4] David van Reybrouck, De kolonisatie van de toekomst, Leven aan de vooravond van de klimaatcatastrofe, Uitgeverij Elseviers Weekblad, 2021.

Een groot vraagstuk

Inleiding

Ik kreeg onlangs als cadeautje de bundel Towards a fair and just economy, Social business as a transformational approach (LM Publishers, 2018) cadeau van oud studiegenoot Fons van der Velden. Hij is directeur van Context, een bedrijf gericht op internationale ontwikkelings­vraagstukken waarbij lokale gemeenschappen centraal staan. In deze bundel worden verschillende inspirerende voorbeelden en werkwijzen uit de doeken gedaan.

Dit boek sluit af met een slotbeschouwing van de samensteller Fons van der Velden. Hierin vraagt hij zich af of en hoe sociale bedrijven de wereld kunnen veranderen. Fons zoekt hierbij naar een nieuwe linkse omvattende visie. Hij voert klassieke (neo)­marxistische denkers op die wijzen op het beperkte bereik van sociale (coöperatieve) ondernemingen die niet alleen een financieel resultaat/financiële waarde maar ook een maatschappelijke resultaat/waarde nastreven en daarmee bijdragen aan verandering. Er moet meer gebeuren. De macht over de staat, de wetgeving, het recht moet eveneens verworven worden, maar vooral: het eigendom van de productiemiddelen moet op grote schaal, en niet alleen bij een aantal sociale ondernemingen, op andere leest geschoeid worden. Eigenaars van kapitaal, dat zich internationaal beweegt, mogen niet meer bepalen hoe de wereld zich ontwikkelt, of beter gezegd hoe de wereld afstevent op uitputting van grondstoffen, nog grotere ongelijkheid, meer rampen van sociale, humanitaire, economische en ecologische aard.

De vraag is: is er misschien een nieuwe visie te verwoorden waarmee op hoopvolle wijze deze vraagstukken kunnen worden aangepakt.

Ik verken hier het antwoord op deze vraag door op te noemen wat er nodig is om de urgente mondiale vraagstukken aan te pakken. De vraagstukken die ik hier bedoel zijn:

  • De enorme kloven die wereldwijd gegroeid zijn tussen massa’s armen en een kleine rijke, niet zelden criminele bovenlaag;
  • De snelle uitputting van het vermogen van de aarde zich te herstellen van mijnbouw, agro-industrie[1] (nog steeds verhullend “landbouw en veeteelt” genoemd) industrie en commerciële dienstverlening en de gevolgen van dit alles voor het wereldwijde klimaat, met name voor die armere delen van de wereld die het minst bijdragen aan de opwarming van de aarde, er veel meer last van hebben en die geen middelen hebben voor klimaatadaptatie;[2]
  • De steeds meer verstevigde (ook militaire) greep van de politiek-economische bovenlaag op het leven op aarde en op de politieke besluitvorming en, daarmee samenhangend,
  • Het steeds meer zich verspreidende gevoel bij grote groepen mensen op de gehele wereld dat ze geen noemenswaardige greep hebben op hoe de wereld, hun omgeving en hun leven zich ontwikkelt;
  • De vele opkomende populistische en nationalistische bewegingen die een hunkering naar vroegere tijden verwoorden, zich afkeren van het denken over de toekomst van de gehele wereld en zich keren tegen allerlei emancipatiebewegingen. Deze populistische en nationalistische groepen zijn bovendien veelal bereid om geweld te gebruiken ten einde de loop van de geschiedenis te keren;
  • De gegroeide digitale verbindingen tussen financieel-economische elites, criminele elites en militaire machthebbers enerzijds en de massieve repressiemiddelen die in met name de Arabische, Russische en Aziatische landen (maar ook elders) wordt toegepast om sociale en democratische bewegingen de kop in te drukken.
  • De enorme internationale netwerken van criminele drugs- en wapenhandelaren en jonge warlords die in staat zijn overal ter wereld zich in bovenwerelden in te werken en met geweld het verloop der dingen naar hun hand te zetten en ook hun lokale maffiose pendanten die plaatselijke gemeenschappen en vooral de jongeren, niet alleen in Zuid-Italië, in hun greep krijgen.

Enkele vragen

Hans-Jürgen Krahl betoogde al vijftig jaar[3] terug dat er geen omvattende visie meer mogelijk was. Er is sinds de jaren zestig-zeventig van de vorige eeuw ook geen totaalvisie meer verwoord over hoe we de mondiale problematiek – van grote ongelijkheid, internationale wapenhandel, vernietiging van natuurlijke hulpbronnen en de catastrofale gevolgen voor milieu en klimaat, de alomtegenwoordige terreur tegen oppositie die gericht is op meer democratie en op het aanpakken van deze grote problemen – kunnen aanpakken.

Ook ik kom niet verder dan enkele vragen te stellen die zo’n visie moet beantwoorden en beginnen van antwoorden te suggereren. Ik noem de vragen voorlopig in willekeurige volgorde.

  1. Hoe kunnen grote groepen mensen over de gehele wereld er meer van overtuigd worden dat grondige veranderingen in de manier waarop wij produceren, geld verdienen en consumeren hoogstnoodzakelijk én mogelijk zijn? Hoe kunnen wij effectief de desinformatie die overal en steeds geavanceerder verspreid wordt, tegengaan? Hoe kunnen wij hierbij iedereen niet alleen met informatie maar ook in hun emotie bereiken? En hoe doen we dat met ongeletterden?
  2. Hoe kunnen we het voorbereiden en het denken, de besluitvorming en de uitvoering van de noodzakelijke veranderingen niet overlaten aan beroepspolitici en hun staatsapparaten?
  3. Hoe kunnen we bij dit alles de mensenrechten en democratische waarden beschermen en de onderdrukking van minderheden (vrouwen, etnische minderheden, kinderen, lhbti+, enz.) beëindigen en voorkomen?
  4. Hoe kunnen wij de honderden miljoenen van oorlogsgeweld getraumatiseerden over de gehele wereld op een hoopvolle en vertrouwenwekkende manier actief bij deze veranderingen betrekken en een beter perspectief bieden dan alom tegenwoordige verleidingen tot individueel gewin en maatschappelijke apathie?
  5. Hoe is de grote formele en vooral ook informele invloed van grote bedrijven op het gedrag van overheden tegen te gaan? Hoe kunnen we de netwerken van managers, directeuren, leidinggevende medewerkers van overheden, bedrijven, leger, politie, rechterlijke macht, advocatenkantoren en zorg, transparant maken en deze openbaar maken?
  6. Hoe kunnen de gewelddadige internationale criminele bendes van wapen- en drugshandelaren en hun lokale vertegenwoordigers worden aangepakt? Hoe kunnen warlords waar ook ter wereld worden opgepakt en hoe moet de mondiale samenwerking hierin eruitzien?

Beginnen van antwoorden

  1. Het is me niet duidelijk waarom de marxistische visie zo strak schematisch denkt: eerst de staatsmacht dan de productiewijze aanpakken. Het kan misschien net zo goed andersom: eerst grote veranderingen in de manier waarop wij produceren en daarover denken en dan uiteindelijke ook de macht over de staat.
  2. De visie die Fons hier in het laatste hoofdstuk presenteert is wat mij betreft te schema­tisch én te veel gericht op nationale staten i.p.v. op de wereldmarkt. De wereld is inder­daad deels langs de lijnen van de nationale staten georganiseerd, maar voor een invloed­rijker deel in een grote veelheid aan internationaal opererende bedrijven en platform-economieën, met hun ook onderlinge contacten met bedrijven in de informatie­voorziening, met bancaire instellingen en met topambtenaren van de nationale over­heden. Het vrijwillig doen ombuigen van de intenties van deze complexe wereld in de richting van vrede, van duurzaamheid, van een redelijke verdeling van welvaart, zorg en welzijn is een klus die we niet moeten overlaten aan gewapende jonge mannen. Dat zijn immers de Bouta’s, Erdogans, Poetins, Dutertes en Idi Amins van de daaropvolgende jaren.
  3. Het is me niet duidelijk hoe de macht over de bedrijven, het bestuurs- en staatsapparaat en over leger en politie verkregen kan worden op een manier waarbij geen geweld wordt gebruikt. Toegang tot bronnen, tot bepaalde invloedrijke personen en hun contacten en hun bankrekeningen krijg je zonder geweld alleen als men dat vrijwillig doet. Geweld is mijns inziens heilloos, roept tegengeweld op en eindigt steevast vrijwel in een dictatuur. Ik heb het hier uitsluitend over geweld dat niet door de rechterlijke macht is gesanc­tioneerd. Omdat hier geen overtuigende antwoorden zijn, moeten we ernaar zoeken en nieuwe aanpakken proberen.
  4. Te veel wordt louter de vernietiging/verandering van de kapitalistische productiewijze als de hefboom gezien voor een verandering ten goede. Ook na zo’n omwenteling zullen er netwerken ontstaan van hen die informatie, contacten, kapitaal en beslissingsbevoegdheden hebben. (Lokale) Collectieve en coöperatieve productiewijzen met een maatschappelijk doel zullen moeilijk deze netwerken binnen­dringen. Via deze netwerken zullen steeds opnieuw, ook decennia na revolutionaire veranderingen (zie China, Rusland, Oekraïne, Belarus enz.), particuliere initiatieven ontstaan. Deze zijn wellicht alleen met dwang en geweld tegen te houden, want er zullen altijd lieden zijn die zo nodig ten koste van anderen geld willen verdienen.
  5. Bij alle mogelijke vernieuwingen is de vraag van belang waar in regionaal opzicht de eerste prioriteiten gelegd worden. We zouden een dik vraagteken kunnen zetten aan de vanzelfsprekende voorrang die de stedelijke gebieden hebben en nemen hebben. Vooral met het oog op het tegen gaan van de uitputting en opwarming van de aarde zouden we het belang van de rurale gebieden, van de randen van ons land en van het platteland waar ook ter wereld moeten heroverwegen. De agro-industrie zal overal plaats kunnen maken voor geavanceerde hoogwaardige én ecologisch verantwoorde en vooral ook coöperatieve vormen van landbouw en zoveel mogelijk regionale voedselvoorziening.
  6. Bij de stapsgewijze herinrichting van de wereld moeten we uitgaan van samenwerking tussen mensen, waarbij we een individueel motief, een individuele relatie tussen inspanning en beloning gehandhaafd en verzekerd moet blijven. Dit is een van de lessen van de collectieve bedrijven en staatsbedrijven uit Oost-Europa. Er zal met andere woorden ook in een meer sociale en coöperatieve toekomst, naast een sociale ook steeds een individuele verbinding gerealiseerd moeten worden tussen inspanningen en beloningen. Opgelegde collectiviteiten functioneren niet.
  7. Geweldloze, democratische aanpakken van grote veranderingen kunnen op hun werkzaamheid getoetst worden. Te denken valt aan zogeheten “open” vormen van beleidsvorming, d.w.z. niet gedicteerd door overheidsbeleid en niet gekanaliseerd door ambtenaren. Kenmerk hiervan is dat de denkkracht en creativiteit van betrokken burgers gehonoreerd wordt.[4] De vier werkwijzen die Van Reybrouck presenteert in zijn Huizingalezing van zijn daarbij eveneens de moeite waard om nader te onderzoeken en uit te proberen. Ik bedoel hier het preferendum, de global assembly, een systeem van carbon credits en burgerlijke ongehoorzaamheid bij belastingbetaling.[5] Ook voormalig (Nijmeegs) hoogleraar bestuurskunde Roel in ’t Veld pleit hier voor.[6] Voor massale actie kan ook Gandhi een inspiratiebron zijn en kunnen sociale media een cruciale rol spelen.
  8. Willem Schinkel (in gesprek met Sjors Roeters in VN, 20 dec 2021) ziet vooral verbanden en samenhangen tussen allerlei maatschappelijke kwesties en heeft vooralsnog nog allesomvattende visie. Wel vindt hij het belangrijk (ook persoonlijke) verbindingen te leggen tussen allerlei vormen en terreinen waar strijd plaats vindt (Black Lives Matter, toeslagen affaire, de uitputting en misbruik van Groningen, de groter worden inkomensverschillen, enz.) . . Op al deze en andere terreinen worden economie en staat uitgedaagd door mensen die niet alleen in de bestaande orde participeren maar daarnaast ook andere dingen doen die niet door financieel rendement bepaald worden. Coalities zijn mogelijk tussen al deze groepen. Creativiteit en leven blijven woekeren (in zijn woorden). Niet zozeer een omvattend beeld maar een mozaïek van situaties, visies en mogelijkheden.
  9. Bij al deze nieuwe vormen van participatie is het van belang waarborgen in te bouwen voor de evenredige inbreng van mensen van alle leeftijden en dan met name kinderen/tieners en mensen van 70 jaar en ouder en van alle opleidingsniveaus. Zowel op nationaal en internationaal, als op lokaal niveau mag het niet gebeuren dat (mannelijke) hoogopgeleide dertigers en veertigers uit de stedelijke gebieden de toon zetten en de gesprekken beheersen.
  10. Immers, de kracht van emotionele en rationele argumenten en van het benoemende woord in plaats van bommen of kogels, is de kracht die wij nodig hebben om de teloorgang van de aarde te keren.
  11. En dan is er nog het punt van Rutger Bregman[7], dat er geen afstand mag ontstaan tussen leiders en bevolking. Hoe kunnen we voorkomen dat leiders hun eigen en andere mensen niet persoonlijk kennen, m.a.w. op welke kenbare en herkenbare schaal kunnen wij leiderschap organiseren? En hoe kunnen wij daarbij de interne samenhang of sociale cohesie van lokale gemeenschappen, ook tegen criminele bendes en jonge warlords, versterken en betrekken bij een grotere mondiale stroom. En hoe kunnen wij sociale media daarbij hun effectieve verbindende werk laten doen?

Ik heb geen antwoorden, het vraagstuk is te groot voor mij.  Ik heb hooguit voorzichtige vermoedens en nog steeds hoop.

(Bijgewerkt op 21 dec. 2021)


[1] Een indrukwekkende schets van de verwoestende werking van de agro-industrie, nu eens niet over Bangla Desh of het Braziliaans regenwoud is te vinden in Richard Powers, The Overstory ((‘Tot in de hemel’), Vintage Publishing 2018; de Nederlandse vertaling is uit 2019.

[2] Zeer onlangs nog helder en onontkoombaar verwoord door David van Reybrouck, De kolonisatie van de toekomst, Huizinga lezing, Uitgeverij EW, dec 2021.

[3] Hans-Jürgen Krahl stelde dit in een discussie die eind jaren zestig kort woedde in de West-Duitse studentenbeweging; deze discussie is de geschiedenis  in gegaan als ‘Krahl-Schmierer-discussie’, over de gewenste koers van de toenmalige studentenbeweging. Krahl’s oorspronkelijke tekst heb ik niet meer terug kunnen vinden, maar weet nog wel dat het begon met “Thesen…. Deze veelbelovende jonge Krahl is in 1971 bij een auto-ongeluk overleden.

[4] Een presentatie in het Nederlands taalgebied van dergelijke werkwijzen is o.a. te vinden in Peter van Hoesel en Max Herold, Beleidsontwikkeling in de 21ste eeuw, Hoe het anders kan en moet,  Boom, 2020.

[5]  Zie uitgebreider o.a. David van Reybrouck a.w., p. 23 e.v.

[6] „En ten tweede: probeer als media meer hoopvolle ontwikkelingen buiten Den Haag bloot te leggen. Daar vind je experimenten met participatieve democratie die mooie democratische ervaringen voor burgers hebben opgeleverd, zoals bij de ontwikkeling van stadswijken, voedselbanken en energiecoöperaties. Nu de representatieve democratie in crisis verkeert, wordt het tijd voor media meer oog te hebben voor de positieve kanten van de participatieve democratie, en hoe die de representatieve rol kan aanvullen.” (Roel in ’t Veld in de NRC 8 november 2021). Zijn nieuw uitgekomen bewerkte versie van Kennisdemocratie, (Boom, 2021) is om meerdere redenen de moeite waard om te lezen.

[7] Zie Rutger Bregman, De meeste mensen deugen, De Correspondent 2019. Het gaat mij hier met name om hoofdstuk 11, Hoe macht corrumpeert. Bregman legt uit dat afstand en het niet persoonlijk kennen van mensen, oorlogsgeweld van potentaten mogelijk maakt. Een geloofwaardige hypothese.

Twee boeken van Patrick Modiano

‘De plaats van de ster’, Amsterdam 1973 (oorspr. ‘La place de l’étoile’, Gallimard, Paris, 1968) en

‘Uit verre vergetelheid’, Amsterdam 2014, (oorspr. ‘Du plus loin de l’oubli’, Gallimard, Paris, 1996)

Ik las twee boeken van Parijzenaar Patrick Modiano. In het eerste boek, De plaats van de ster (“place de l étoile”) , geeft Modiano een beeld van het kapotgemaakte leven van een joodse Parijzenaar die de oorlog en de Holocaust overleefde.

En daar word je niet vrolijk van. Naast de al eerder her en der gememoreerde zware schuldgevoelens van overlevenden van de Holocaust, (“waarom ben ik de enige van mijn familie die het gered heeft”) komen er psychische stormen, waandenkbeelden, nachtmerries die teruggrijpen op eerdere levensperiodes, SS’ers en Wehrmachtsoldaten die in dromen Joodse namen dragen, in Israël wonen maar leven in het Parijs van 1941, woedeaanvallen en een geregeld verbroken verbinding met de dag van vandaag. Je kunt het zo gek niet bedenken of het komt voor. in Het geheel grijpt mij bij mijn strot en ik begin een klein beetje te ontwaren hoe dit moet zijn. Ik ervaar de machteloosheid van de hoofdpersoon om iets van zijn leven te maken als beklemmend maar ook als vreemd. Zijn belevenissen heeft Modiano zo opgeschreven dat ik er als lezer geen contact mee krijg. De opgeslotenheid van de hoofdrolspeler in zijn eigen psychische gevangenis is hij steeds gedoemd in verkeerde situaties verzeild te geraken of met de verkeerde personen in aanraking te komen. Hij heet Raphaël Schlemilovitch. Misschien is zijn naam wel de kortste samenvatting van wat Modiano wil laten zien. De schuldgevoelens van overlevenden komen indringend naar voren als Schlemilovitch in zijn wanen zelf SS’er is en Eva von Braun ontmoet. Twee punten zijn nog het noemen waard. De her en der typisch joodse humor, waar bij je moet lachen om niet te huilen, is zeer trefzeker. Daarnaast vormt het figureren van talrijke namen uit het Franse openbare en culturele leven van na de oorlog een moeilijkheid. Veel namen zeggen mij niet veel.

Had de plaats van de ster (Place d’ Etoile) een sterk biografisch karakter vanwege Modiano’s eigenverwevenheid met de oorlog en de Holocaust, het tweede boek heeft dat persoonlijke karakter niet. Althans het gaat niet duidelijk over Modiano’s eigen leven. Het kan wel een getuigenis zijn met een autobiografische achtergrond van het stedelijke leven in Parijs en London in de tijd dat de schrijver tot volle wasdom kwam.

Voor bohemiens is het Parijs (en London) van de jaren zestig een kille, lege onverschillige stad waarin mensen ieder voor zich iets van hun leven trachten te maken, maar de zinloosheid druipt van elke belevenis. Men doet wat, zorgt via gokken voor een inkomen en logeert dan hier, dan daar. Men komt anderen tegen met je korte of langere tijd een relatie hebt en samen optrekt. Het is zo weer voorbij. Het maakt niet uit, lijkt het wel. Er zijn altijd wel kennissen die je tijdelijk onderdak bieden. Er is altijd wel ergens een korte opdracht voor een schrijfklus of een onderzoekje te verkrijgen. Modiano schrijft bepaaldelijk niet over een gemiddelde werknemer van Renault – Billancourt, maar eerder over de derde bassist van Johnny Halliday. Van de twee mensen is de man een (in den beginne aankomend) schrijver die geen naam krijgt en heeft de vrouw Jacqueline geen duidelijk omschreven beroep. Zij ontmoeten in Parijs een gokker en in London, enige tijd later een smoezelige pandjesbaas. Deze mensen gaan uit, wandelen, snuiven ether, vrijen (ook als natura vergoeding voor het wonen in een huurflat), bezoeken een Jamaica café, toeren met de metro door de stad, ontmoeten deze en gene. Alle gebeurtenissen en dagen hangen als los zand aan elkaar, er is geen streven dat hun levens samenbindt en energie geeft.

De eerste episode van deze roman begint in Parijs en eindigt in London, na zo’n anderhalf jaar, met de plotse verdwijning van Jacqueline.

De tweede episode, vijftien jaar later, speelt zich af in Parijs. De naamloze protagonist is nu schrijver, leeft alleen en in willekeurige dagindeling. In een metro ziet hij een vrouw die op Jacqueline lijkt, hij gaat achter haar aan, ontdekt waar ze woont en weet enkele dagen later op een feest in haar flatgebouw binnen te komen, in de hoop haar te treffen. En dat gebeurt. Aanvankelijk lijkt ze hardnekkig hem niet te herkennen. Zij is met haar man. Maar bij het afscheid stapt ze met een smoes in dezelfde lift als hij en wordt het contact voor enkele uren vervolgd waar het jaren terug is gestokt. De volgende dag vertrekt ze met haar man naar Mallorca.

In de derde heel korte episode mijmert de schrijver, terwijl hij er wandelt, over de wijk waar Jacqueline is geboren.

Het leven van bohémiens in een grote stad lijkt een leven zonder bedoelde en duurzame verbindingen, toevallige ontmoeting en tijdelijke projecten rijgen zich aan elkaar. Een ontnuchterend boek.

Elke dag oorlog

Over Anjet Daanje, De herinnerde soldaat, Groningen 2019

Europa en ook de rest van de wereld kende in de 20ste eeuw veel oorlogsgeweld. Miljoenen mensen, soldaten en burgers werden gedood en wanneer ze het overleefden waren hun verdere levens erdoor getekend. Velen hebben herinneringen aan een oorlog (‘de oorlog’) waarover ze soms met trots, soms met schrik of afschuw hun avonturen vertellen of juist erover zwijgen.

Voor vele andere overlevenden die ook slachtoffers waren is hun leven door de oorlog meer dan getekend: ernstig getraumatiseerd door verkrachting, het getuige zijn van moord en doodslag, door honger, door gevangenschap, door marteling of na verblijf in een concentratiekamp.

Ik ben van na de (West-)Europese oorlogen en heb iets dergelijk nooit hoeven meemaken, maar ik ben wel steeds nieuwsgierig geweest naar hoe mensen de oorlog(en) ervaren hebben en hoe ze verder zijn gegaan met hun leven als ze het overleefden.

Mede door de ontwikkeling van het wapentuig in de 19de en 20ste eeuw zijn in de afgelopen 120 jaar ook enorm veel burgers gevallen als slachtoffers. Soms kun je zelfs stellen dat het oorlogsgeweld op de eerste plaats gericht was tegen delen van de eigen bevolking, tegen een etnisch te onderscheiden deel van de eigen bevolking of tegen een wanhopig hongerende, werkloze en in bittere armoede verkerende mensenmassa die in opstand kwam.

In de 20ste eeuw is er overal op de wereld op ongekend grote schaal gemoord. De Amerikaanse historicus Rummel heeft dit zo’n 25 à 30 jaar terug grondig in kaart gebracht. Bram de Swaan heeft over zijn onderzoekingen en telwerk een brochure geschreven en een openbare les (Huizingalezing) gehouden[1] in 2003. Hieruit de volgende passage:

Er zijn in de afgelopen eeuw vier regiems geweest die elk meer dan tien miljoen mensen hebben vermoord. Tussen 1917 en 1987 zijn in de Sovjet-Unie tweeënzestig miljoen mensen omgebracht door executie, mishandeling, foltering, uitputting of uithongering. Dat aantal is door geen enkel regiem geëvenaard. Communistisch China komt daar nog het dichtste bij met ruim vijfendertig miljoen vermoorde burgers tussen 1949 en 1987. Naar het totaal dodental onder weerloze mensen komt het nazi-regiem op de derde plaats met eenentwintig miljoen moorden. Als vierde verschijnt in de tabel een regiem dat nagenoeg vergeten is, Nationalistisch China waar de Kwo-min Tang onder Chang Kai-shek tien miljoen ongewapende mensen heeft gedood tussen 1928 en 1949.

En dan zwijg ik nog maar over de massamoorden in Mexico, Armenië, Namibië, Zuid-Afrika, Congo, of recenter, Myanmar, Sudan, Rwanda, Venezuela, Argentinië, Eritrea, enz. Als er iets kenmerkend is voor de geschiedenis van het mensengeslacht, is het wel dat machthebbers steeds opnieuw middelen afdwingen voor en kunnen bevelen naar wrede oorlogsvoering en genocide (massamoord) of democide (volkerenmoord) om hun positie veilig te stellen.

De wereldwijde verbreidheid van het geweld, altijd en overal is de negatieve spiegel van de gevolgen van oorlog en geweld voor een overlevend slachtoffer. In allerlei getuigenissen is de afgelopen 40 jaar de wreedheid van oorlogsgeweld tijdens maar ook na die oorlog voor een enkel individu beschreven. Dagboeken, terugblikken, memoires van allerlei aard laten zien dat een gewoon mens meestal, niet altijd[2], heel veel moeite moet doen om weer een gewoon leven na zo’n oorlogservaring op te pakken. Niet zelden eindigt zo’n leven dramatisch: nachtmerries, echtelijke ruzies, opname in een kliniek, verlatenheid, drugs- of alcoholverslaving, suïcide, waanzin. De aantallen getraumatiseerde overlevenden van oorlogsgeweld op de gehele aarde moet enorm zijn, wellicht wel meerdere honderden miljoenen.

Anjet Daanje heeft met De herinnerde soldaat een roman geschreven over één zo iemand.  Namelijk een die de Eerste Wereldoorlog in de Vlaamse loopgraven overleefde, er zijn geheugen kwijtraakte, niet meer weet wie hij is en wat hij heeft meegemaakt, zwerft hij rond in de buurt van waar tot voor kort gevochten wordt. Hij wordt gevonden en hij belandt uiteindelijk in een inrichting in Gent waar hij de naam Noen Merckem krijgt, want op zekere dag gevonden rond het middaguur bij het plaatsje Merckem.

In de kliniek werkt hij in de tuin en heeft ’s nachts op de slaapzaal bij toerbeurt dienst om te waken over medepatiënten zodat die gekoesterd kunnen worden bij hun nachtmerries.

Op zekere dag, zo’n vier jaar na de oorlog, komen er achtereenvolgens twee vrouwen op bezoek die naar hun vermiste echtgenoot zoeken. De tweede vrouw, Julienne, herkent hem als de hare en met veel getouwtrek met de behandelende arts krijgt zij haar man mee. Hij blijkt Amand Coppens te heten.

Ze woont in Kortrijk met twee kinderen, zijn kinderen, en verdient de kost met een kleine fotowinkel.

Een jaar lang ontspint zich een leven van momenten van herinnering, zwarte angstaanjagende dromen, woedeaanvallen, voorzichtige toenadering tussen hem en de kinderen en de eerste stapjes naar een nieuwe intimiteit tussen de echtgenoten. Zij leert hem het fotografie-vak. Hij leert om te gaan met haar en de kinderen. En dan is er plots weer een aanval van verstandsverbijstering, woede, hevige angst, nachtmerries, vlagen van herinnering door beelden of geuren. De oorlog is elke dag en elke nacht aanwezig. De spanning die soms wat minder wordt, is steeds voelbaar, ondanks dat de verhouding tussen de twee echtgenoten groeit. Er is weer samen lachen, slapen, intimiteit en seks. En er is ook wantrouwen van hem naar haar: vertelt zij wel alles wat er is gebeurd tijdens de oorlog? Hij ontdekt dat haar oorspronkelijke huis in Meenen er nog steeds staat in deze overigens grotendeels verwoeste stad. Coppens fotografie staat nog steeds op de muur in het nog onbewoonde huis, zo ontdekt hij als hij boos om een ruzie op een dag helemaal naar Meenen reist. Zij vertelt later wat de reden is dat zij naar Kortrijk is verhuisd: zij verpleegde Duitse soldaten en werd als moffenmeid uitgekotst door de gemeenschap. Er zijn verschillende momenten van wantrouwen, van niet alles zeggen, van onbegrijpelijke teleurstellingen, plotse boze momenten die vervolgens weer afgewisseld worden door lieve momenten van tederheid, samen genieten van een sigaret in de tuin of een intense vrijpartij.

Echter er verschijnt op zeker moment in zijn dromen een andere blonde vrouw waarvan hij de naam uiteindelijk ook herinnert: Käthe. Drie dromen verder weet hij ook haar naam Tönsing en hij weet: dit moet zijn vrouw zijn. Er komen dromen waarin zij hem voorleest, in een weide, zij aan de overkant van een brede sloot. Weer later komt de naam van het dorp binnen en de hond van de familie, Issie. In steeds meer nissen van zijn geheugen komt licht binnen. Hij maakt ruzie met Juliette over wat te doen, zij zegt dat Käthe zijn vrouw niet was en nodigt hem uit een brief te sturen naar haar in dat Duitse dorp. De brief komt na anderhalve week terug: Juliette heeft er te weinig postzegels op gedaan. Hij besluit na wederom een woordenwisseling over twee weken te vertrekken. Zij laat hem gaan, regelt een reispas op het gemeentehuis voor hem, geeft eten mee voor onderweg naar Duitsland en hij reist per trein eerst naar de grens, dan naar Keulen en dan, is het plan, verder met een lokaal boemeltje. Deze laatste rijdt niet: Duitsland verkeert in een hevige crisis, het openbare leven is lam gelegd door een gierende inflatie. Wie eten wil kopen moet iets te ruilen hebben. Treinkaartjes worden niet meer verkocht. Hij besluit het laatste stuk dan maar te lopen en komt na allerlei avonturen met zwervers en bedelaars aan in het dorp. Hij herkent het en loopt naar de boerderij van de familie. Hij ziet haar met twee kleine kinderen bij zich en zij roept naar hem dat er niets te halen valt en dat ie zich weg moet scheren. Ze gaat naar binnen en komt even met haar hond en een jachtgeweer weer naar buiten. De hond Issie blaft, komt dichterbij en herkent hem dan en spring blaffend en kwispelend tegen hem op. Käthe herkent dan haar dood gewaande Vlaamse man Louis Blauwaert.

Hij blijft twee dagen op de boerderij, Käthe communiceert nauwelijks met hem, zij is hertrouwd en heeft twee kinderen van haar tweede man Rainer. Louis wordt ook door de anderen, behalve de hond Issie (Käthe’s ouders en Käthes man) slechts getolereerd. Hij slaapt in de hooiberg in schone lakens. De tweede nacht komt Käthe bij hem en ze slapen naast en tegen elkaar, praten weinig en vrijen niet. Als hij heel vroeg in de morgen wakker wordt is ze weer verdwenen en blijkt in de keuken zijn koffer, knapzak met eten en drinken voor onderweg klaar gezet te hebben. Hij begrijpt dat zij niet in staat is haar huidige leven overhoop te gooien en vertrekt aan het eind van de nacht, lopend naar Keulen.

Issie gaat echter met hem mee, maar de hond wordt na enige kilometers onrustig en gaat terug naar de boerderij: ook zij kan de boerderij en de mensen daar niet in de steek laten.

In Keulen koopt hij van zijn laatste Belgische franken een kaartje naar de grens. Verder komt hij niet. Dwalend in de regen vlak over de grens valt hij in slaap en droomt dat Juliette in de voering van zijn jas wat extra franken genaaid heeft. Hij wordt wakker, vindt de franken en kan een treinkaartje naar Kortrijk kopen.

Hij besluit tegen Juliette te zeggen dat Käthe niet blijkt te bestaan. Juliette is dolblij hem terug te zien en hij laat haar met haar leugen zegt dat Käthe niet bestaat en dat hij Amand Coppens is.

De alomtegenwoordigheid van de oorlog in Europa – macro en micro- heb ik al genoemd. De verdienste van dit boek is dat deze alomtegenwoordigheid in het leven van deze twee mensen heel indringend verbeeld en verwoord wordt.

Maar er is nog iets anders. De spanningen, botsingen, conflicten en hevige gevoelens van elkaar liefhebben en willen liefhebben van Juliette en Amand twee overlevenden, zijn zeer herkenbaar, ook al heb ik, lezer van dit boek,  de oorlog niet meegemaakt. In bijna elke woordenwisseling of gesprek voelde ik me als lezer partner of partij. Ik heb zelden zo’n empathisch boek over de relatie van twee mensen gelezen. Het lezen van dit relaas ontlokte zelfs wisselende emoties in mijn eigen bestaan in de weken dat ik het las. Daanje maakt mij zo duidelijk dat oorlogstrauma’s menselijke reacties en geen pathologische reacties oproepen bij de overlevenden. Over de stijl van dit schrijfwerk: er zijn lange zinnen en alinea’s die steeds met: En (toen).. beginnen. Er is geen treffender manier om een leeg geheugen opnieuw te vullen. In het hoofd van Amand is geen hiërarchie van grote lijnen en gebeurtenissen. Alles is nevengeschikt, zijn belevenissen met Juliette en de kinderen in Kortrijk (en met Käthe) worden noodzakelijkerwijs aan elkaar geregen als een kralenketting en eerst daarna kan er van onder- en bovenschikking en grote lijnen sprake zijn. Alles is belangrijk als je geen herinneringen hebt. Daanje heeft een groots en belangrijk boek geschreven.


[1] Abram de Swaan, Moord en de staat, Huizingalezing, december 2003

[2] Zo merkte Renate Rubinstein in Vrij Nederland destijds in 1982 verbaasd op dat uit de memoires van Yvo Pannekoek, een joodse arts uit Amsterdam ook een overlevende, juist naar voren komt dat Pannekoek gegroeid is van de oorlog.

Stemmen: een boek over het Concertgebouworkest

Het Concertgebouworkest bestond in 2013 125 jaar. Iedereen die een beetje van muziek weet, weet dat dit orkest tot de top van de wereld behoort samen met die uit Berlijn, Wenen en New York.

Het jubileum heeft dit orkest aangegrepen een uitgebreide wereldtournee te houden en daarbij alle werelddelen aan te doen. Voor een dergelijk groot orkest (+ 125 professionele musici en voor de staf daaromheen is zo’n tournee een gigantische operatie die jaren daarvoor al voorbereid moet worden.

Judith van der Wel reisde mee en trok meer dan een jaar intensief op met het orkest. Zij sprak musici, dirigent, muzikaal directeur, algeheel directeur, de verzorgers (“inspecteurs”), de boekhouder, de planners, de communicatiemedewerkers en leerde zo dit orkest, zijn mensen, zijn traditie, zijn werkwijze en zijn problematiek goed kennen. Alle gesprekken documenteerde zij en bracht deze onder in afzonderlijke hoofdstukjes van drie à zes bladzijden. En deze geven bij elkaar een rijk en zeer divers beeld van dit orkest.

Wat het boek vooral boeiend maakt is dat Van der Wel het licht laat vallen op allerlei onvermoede aspecten van het bestaan van het orkest en het leven van de musici. Het verschil tussen eerste violen en tweede violen en vooral ook tussen de betreffende musici. De eerste groep meer op de voorgrond, in de spotlights en de tweede groep die meer voor de harmonieën en sfeer in de muziek zorgen. Verschillende types musici. De slagwerksectie achteraan die soms weinig te doen hebben en tussentijds vroeger soms achter de gordijnen verdwijnen om …een sigaret te roken en wat te drinken. De ingetogen houtblazers[1] (hobo, klarinet, fagot) verschillen in veel opzichten van de meer masculiene, soms schetterende koperblazers. De Franse en de Duitse school bij de cello’s. En dan heb ik het nog niet over de concertmeesters en de dirigenten Mengelberg en Haitink verschilden hemelsbreed en deze waren weer zeer verschillend in vergelijking met Mariss Jansons, Daniele Gati[2] of Riccardo Chailly. Waar hard werken aan een ijzeren repertoire en internationale erkenning het levenswerk was van Mengelberg, liet Haitink het eigen warme karakter van het orkest meer uit het orkest zelf komen. Waar Haitink Brückner op de kaart zetten was Chailly vooral de vernieuwer met modern repertoire. Het orkest wordt aanvullend op eigen inkomsten gefinancierd door het rijk en de gemeente Amsterdam. In begin jaren negentig – het neoliberale beleid van Lubbers, Kok en Zalm wordt uitgerold over de collectieve sector – moeten zorg, onderwijs en cultuur meer marktgericht gaan werken. Het orkest stelt een commercieel manager aan, maakt werkt van communicatie en website, professionaliseert het personeelsbeleid en wordt in alles een organisatie waarin doordacht met mensen, geld en tijd wordt omgesprongen. Ik heb niet het idee dat dit het orkest slecht is bekomen of dat de muziek eronder geleden heeft.

Van der Wel legt nergens uit wat het geheim van het Concertgebouworkest behelst. Ik vermoed dat het gaat om de vraag hoe komt het dat dit orkest zo goed is (en dat al jaren zo is) en hoe komt dit orkest aan haar karakteristieke warme “sound”?

Haar boek geeft daar geen eenduidig antwoord op maar legt meerdere stukjes van een puzzel op tafel.

Bijvoorbeeld de selectieprocedure, waarin musici en niet de dirigent samen beslissen wie ze aannemen na enkele rondes voorspelen, waarvan de eerste keer blind, achter een gordijn. De musici komen daarbij de laatste dertig jaar uit steeds meer verschillende uithoeken van de wereld: China, USA, Australië, Zuid-Afrika, Frankrijk, Rusland, Noorwegen, Engeland, enz. Deze musici brengen natuurlijk ook allerlei verschillende “scholen” en opleidingsstijlen in dit orkest bij elkaar. Voor de individuele musici is spelen in dit orkest de hemel, hoger kun je niet reiken en deze musici willen maar één ding: dat zij zelf en het orkest nog beter worden. Er zijn musici die vrijwel elk vrij uurtje op hun instrument strijken of blazen, ook tijdens tournees.

Het reizen en de hotels tijdens zo’n wereldtournee moet heel vroeg goed geregeld worden. Orkestleden en hun instrumenten moeten mee en bij overstappen op een andere vlieglijn moet alles goed gaan anders komt een laatste repetitie in de zaal waar men morgenavond optreedt in gevaar. En dan spreek ik nog niet over de musici die een bepaalde nationaliteit en dito paspoort hebben die sommige landen daarom niet in mogen of daar op het vliegveld opgewacht worden om gearresteerd te worden vanwege eerder gedane uitspraken over het politiek systeem van dat land (van herkomst). Zo is er bijvoorbeeld uitgebreid gesproken over de vraag of het orkest een statement zou maken in Petersburg en/of Moskou over het wrede beleid jegens de lhbti-mensen in Rusland. Voor de homo’s in het orkest ligt dit zwaarder dan voor andere. Maar mag je een gastheer bruskeren?

Waar ik evenmin nooit eerder aan gedacht heb is dat er speciale relaties bestaan tussen sommige musici. Je hebt een vader en zoon en enkele echtparen, maar natuurlijk ook verliefdheden en affaires die daar ontstaan. Ook zijn er musici die ooit de docent waren van een jonge getalenteerde collega die in de loop der jaren de senior in kwaliteit en gewicht voor het orkest overstijgt.

Mariss Jansons moet plots op de tournee een concert afzeggen vanwege een crisis in zijn gezondheid. Gelukkig is er een (jonge) reserve dirigent meegereisd die het stokje – de baton- naadloos overneemt. Vrijwel alle cruciale posities in het orkest zijn dubbel bezet en de groep slagwerkers zijn bij traditie multi-instrumentalisten en heel goed uitwisselbaar.

Ik verwachtte het niet, maar er is ook een discussie over het aantal buitenlanders in het orkest. Het is te kort door de bocht om dit op te vatten als (beperkte) xenofobe gevoelens. Terwijl ik denk: hoe meer buitenlanders hoe beter, want hoe meer nieuwe en anders geschoolde professionaliteit in het orkest en daar wordt het orkest alleen maar rijker van, maakt een veelheid van buitenlandse musici de onderlinge communicatie, de sociale samenhang binnen het orkest moeilijker. Hoewel veel musici de Nederlandse taal leren, is communicatie vanuit verschillende culturele achtergronden niet steeds een verrijking. Humor, wat je wel of niet zegt, de inspraak van de musici, de autoriteit van de concertmeester of dirigent de lhbti-mensen in het orkest, jong en oud, enz. dit alles wordt ingewikkelder bij verschillende achtergronden.

De tournee is overigens op den duur niet alleen slopend. Het orkest doet ook bijzondere ervaringen op. Een voorbeeld. Men is gewend op tournee als het even kan een gratis openluchtconcert te verzorgen voor mensen die de dure tickets in een concertgebouw niet kunnen betalen. Zo geeft men gratis wat lessen aan het Cape Youth Philharmonic Orchestra in Kaapstad en bezoeken ze township Soweto voor een gratis openluchtconcert. De orkestleden worden op hun beurt bij aankomst getracteerd op een concert met dans door kinderen die zonder bladmuziek, uit hun hoofd, op eenvoudige instrumenten spelen. Voor de meeste musici een niet te vergeten kippenvelmoment: Vroeger kon ik zo recht uit mijn hart spelen, ik ben dat kwijtgeraakt.

Dit boek is een verrassend, boeiend en daarom waardig monument voor een orkest waar we zuinig op moeten zijn.

Judith van der Wel, Stemmen, Het geheim van het Koninklijk Concertgebouworkest, Querido Amsterdam, 2015


[1] In de jazz spreekt men van rietblazers.

[2] Dit boek is verschenen vóór het ontslag van Gati vanwege beschuldigingen van grensoverschrijdend gedrag.

Steeds vaker hoop ik dat iemand mij vindt

Over twee boeken van Marieke Lucas Rijneveld

In betrekkelijk korte tijd is Marieke Lucas Rijneveld een literaire grootheid geworden. Ze schrijft gedichten die sinds 2015 gepubliceerd worden. Haar eerste roman De avond is ongemak (Amsterdam, Atlas-Contact, 2018) is bejubeld in de vaderlandse pers. Vertalingen zijn uitgebracht en prompt ging de Internationale Booker Prize in 2020 naar de Engelse versie hiervanThe discomfort of Evening vertaald door Michele Hutchison.

Daarna verscheen in 2020 de roman Mijn lieve gunsteling ook bij Atlas-Contact, deze zou nog beter en mooier zijn dat de eerste roman. Zo’n ontvangst als beginnende schrijver komt niet vaak voor, reden genoeg om mijn nieuwsgierigheid te wekken en beide boeken te lezen.

De avond is ongemak verhaalt over een gezin rond de jongste eeuwwisseling op het platteland. Een boerengezin Mulder levend van een fikse veestapel, aangesloten bij en levend volgens de mores van de gereformeerde kerk. Er zijn vier kinderen, twee jongens en twee meisjes. Het verhaal is geschreven vanuit de positie van het meisje dat zichzelf Jas noemt. Zij heeft een zus Hanna en twee oudere broers, Matthies en Obbe. Wanneer Matthies bij een winterse schaatstocht in een wak rijdt en onder het ijs verdrinkt herstelt het gezin zich niet van deze klap. Jas, die sinds die tijd haar jas niet meer uitdoet laat zien hoe langzaam maar zeker het gezin desintegreert: het contact tussen ouders onderling en tussen ouders en kinderen wordt steeds minder. Vroeger zou men het woord ‘atomiseren’ hiervoor gebruiken. In plaats van elkaar te steunen en gezamenlijk het immense verdriet te dragen gaat ieder steeds meer een eigen weg. Moeder en vader hebben steeds minder contact, raken elkaar ook niet meer aan en moeder eet ook steeds minder. De drie kinderen voelen steeds meer verantwoordelijkheid voor het welzijn van hun ouders en zijn hun losheid en onbezorgdheid kwijt. De dreiging van straf van God is dagelijks voelbaar in het leven van de drie kinderen die intussen wel met alle lichamelijkheid en experimenten opgroeien in een leven dat verdoemd is. De kinderen zijn nog het meest natuurlijk en gewoon in dit gezin. Jas mist haar overleden broer, deelt geheimen met zus Hanna en maakt samen met haar het grote Plan om er vandoor te gaan naar de overkant van het water, over de brug. De Overkant krijgt in het boek steeds meer een mythische lading: daar wacht de verlossing en zij zijn vastbesloten daar ooit heen te gaan. Zij ontdekken hun lijf en alle gaten die daarbij horen en onderzoeken met (hun broer) de grenzen van gewelddadigheid jegens dieren (een dwergkonijn, een hamster en een haan moeten het ontgelden). Als de boerderij getroffen wordt door de MKZ-crisis en de veestapel geruimd moet worden is dit de genadeklap voor het gezinsverband. Obbe verwijdert zich van zijn zussen die steeds meer alleen komen te staan net als hun ouders. De aankondiging van nieuwe koeien komt voor het gezin te laat. Jas blijkt niet in staat het verbond met zus Hanna voldoende te vertrouwen ze is bijvoorbeeld doodsbang als Hanna op een winterse dag de schaatsen onder bindt voor een schaatstocht. Ze gaat uiteindelijk haar broer Matthies achterna door zich, met haar twee padden in de vrieskist in de kelder op te sluiten. Ze komt nooit aan de overkant.

De eenzaamheid weet Rijneveld heel goed te verwoorden, haar zinnen zijn mooi van eenvoud en vanzelfsprekendheid. Jas vecht er steeds meer voor niet uit elkaar te vallen, niet te desintegreren. Ze is daarbij in de eerste maanden gericht op anderen voor hulp en erkenning – ik hoop dat iemand mij vindt. Later beseft ze dat ze alleen nog zichzelf kan hebben en eens naar zichzelf terug wil. Als teken daarvan steekt ze een punaise in haar navelbobbel, daarbinnen is haar doel en niemand mag het weten. Rijneveld is overtuigend in het verwoorden en verbeelden van hoe kinderen een dergelijk verlies beleven, hoe kinderen hun ouders beleven en hoe ze beleven dat zij in de puberteit komen. Mythen, associaties, verbindingen tussen binnen- en buitenwereld die voor kinderen heel gewoon zijn, aangevuld met veel bijbelse dreiging, maken dat het heel gewoon is wat Jas doet. Rijneveld doet dit heel knap, vooral doordat zij het genoemde associatieve denken van kinderen zeer aannemelijk en waarheidsgetrouw brengt. Rijneveld is haar kindertijd niet vergeten en dat levert mooie kinderlijk-volwassen zinnen op.

Mijn lieve gunsteling uit 2020 gaat over mensen uit hetzelfde gelovige milieu van veehouders. Ook hier is een gezin met opgroeiende pubers, hier zijn het er twee. De vader is veehouder en communiceert weinig met zijn twee kinderen; zijn vrouw is ooit naar Stavanger vertrokken en wordt hier geregeld genoemd als de verlatene waaromheen een ijzige stilte hangt. Het gat dat haar vertrek in het gezin veroorzaakte is voelbaar. Daarnaast is er nog een niet-meer-iemand aanwezig: de verlorene, een kind dat met een verkeersongeluk om het leven is gekomen Ook hier resulteert dit drama, net als de MKZ-crisis in het eerste boek, dat de drie gezinsleden als drie eilandjes naast elkaar leven en geen contact hebben. Geatomiseerd.

Het onbesprokene heerst ook in dit gezin. Je voelt als lezer de oorverdovende stilte.

Centraal in deze roman staan echter de veearts van dit veehoudersgezin en de 14 jarige dochter. De eerste is na seksueel misbruik door zijn moeder, niet in staat een relatie aan te gaan en te onderhouden met een volwassene. In zijn beroepsleven heeft hij tijdens de MKZ-crisis moeten meemaken dat hij een veehouder ontdekte die zich verhangen had, een gebeurtenis die ook in het eerste boek voorkomt. De veearts zonder naam – de dochter van de veehouder noemt hem Kurt- is gefascineerd door opgroeiende kinderen, meisjes van dertien met een nog ontluikende seksualiteit. Zijn “lieve gunsteling” is de dochter van de veehouder, die eveneens geen naam krijgt in dit boek, die volop bezig is met de verschillen tussen jongens en meisjes en met wat volwassenen met elkaar doen in bed. Zij is gebiologeerd door penissen van jongens en van allerlei soorten dieren. Zij wil ook zo’n jongens-“gewei”, een woord dat Rijneveld van Gerard Reve leent. De veearts is gek van haar en belooft haar een gewei. Het relaas van deze twee, die vooral op initiatief van de veearts een onmogelijke relatie aangaan, wordt achteraf vertelt door de veearts, als zijn vrouw het huwelijk al beëindigd heeft. Hij vertelt in lange zinnen, waar de ene na de andere bijzin en vervolgzin door komma’s aan elkaar geregen worden, een werkwijze die Rijneveld ook in haar eerste roman toepast, de achtereenvolgende geheime gebeurtenissen die tussen deze twee plaats vinden. De kusjes, het aaien, de aanschaf van een matras voor achterin de Fiat, de vermoedens van zijn vrouw, de verterende jaloezie van de veearts als het meisje verkering krijgt met zijn enige zoon, de woede van zijn vrouw, de kinderlijke, ook hier magische, fantasieën van het meisje, haar gesprekken met Hitler en Freud, haar hoofdrol en schuld in de aanslag op de Twin Towers, alles komt tot ons via de veearts die als een bevlogen journalist zeer uitvoerig verslag doet tot de breuk tussen die twee en zijn arrestatie. In dezelfde tijd valt het gezin van de veehouder uit elkaar en kan het meisje een reeds sluimerende carrière als zangeres van een popband starten.

De beide boeken zijn niet alleen door dezelfde schrijver geschreven, maar ook aan elkaar verwant door de keuze van hetzelfde gelovige veehoudersmilieu en de beginnende puberteit van beide hoofdrolspelers. Rijneveld presenteert in beide boeken hele mooie, beeldende zinnen die op overtuigende wijze de denk-, leef en gevoelswereld van jonge pubers die nog weinig nuances maar veel absoluutheden kennen. Deze boeken brengen bij mij de herinnering terug aan de sfeer die ook in mijn puberteit aanwezig was. Rijneveld ontvouwt in beide boeken de stilte, de leegte en het onbesprokene die rond familiedrama’s kunnen ontstaan. Zij sc hrijft vanuit de optiek van het kind en van de veearts. De zwijgende ouders zijn in De avond is ongemak en de zwijgende norse vader in Mijn lieve gunsteling is vanuit het perspectief van volwassenen minder overtuigend: mijn generatie heeft geleerd te praten over wat ons bezig houdt. Rijneveld schetst zodoende een beklemmende sfeer in het milieu waarin zij opgroeide, met een ongeloofwaardige kant: de stille ouders.

Hoeveel waarheidsgehalte dit beeld heeft weet ik niet. Als zij door te overdrijven dergelijke boeken weet te maken, is de vraag naar de sociologie en sociale psychologie van het milieus van de intensive veehouderij wellicht van minder belang.

Ik moet nog wel opschrijven dat het eerste boek mij tot de laatste bladzijde in zijn greep had. Maar bij Mijn lieve gunsteling, verloor ik kort na de eerste helft van het boek langzaam maar zeker mijn belangstelling. Het brandende verlangen van de veearts kwam steeds in andere toonaarden terug en op een gegeven moment was dit voor mij genoeg en voegden nieuwe uitweidingen daarover niets meer toe. Toen liet zich ook wreken dat het verhaal vanuit de veearts geschreven is: bekend met alle uithoeken van zijn verlangen naar haar kwam het voorwerp van zijn verlangens steeds verder van hem en van de lezer af te staan. Zij werd stiller en eigenlijk steeds meer het object van het handelen en de fantasieën van de veearts en steeds minder subject. Net als Jas uit het eerste boek is ook de Gunsteling steeds minder gezien. Dit verwijderingsproces duurt te lang voor mijn gevoel en is ook minder creatief beschreven door Rijneveld. Kortom ik was klaar met dit boek voordat ik het uit had.