Auteursarchief: Frank Koster

Over Frank Koster

Beleid- en onderwijspensionado (MBO) Liefhebber van muziek, lectuur, tuinen en vooral van partner, familie en vrienden.

Herfstochtend

Het park lag er verlaten bij deze vroege morgen. Het schemerde en de waterkou van de nacht was ondanks de jas voelbaar. Brr.

Voor hem hupte een merel van onder een heg het pad op en verdween enkele meters verder weer onder heg. Op de achtergrond hoorde hij de zachte geluidsbrij van de snelweg een kilometer verderop, het autoverkeer draaide al volop. Een natte dichtgevouwen krant lag aan de rand van de stoep tussen de bladeren. Een voorpaginafoto van een groot verkeersongeluk drong zich op. Oud nieuws, de krant was van eergisteren blijkbaar. Hij hield zijn handen in de zakken van zijn jas, zo bleven ze een beetje warm. Hij had zijn handschoenen aan moeten doen. Via een fietssluis liep hij het verlaten park in. Wandelend langs een rij bomen links met hier en daar een bank en rechts langs een plas ontwaarde hij wat verderop de donkere schaduw van een in een jas diep weggedoken persoon. Hij naderde. De persoon verroerde zich niet, het leek of deze hem niet opmerkte. Toen hij nog een meter van de onbekende verwijderd was, schraapte hij licht zijn keel en zei: ‘Goedemorgen’.

Met enige vertraging kwam er iets onverstaanbaars terug van een mannenstem. Hij keek de onbekende wat beter aan en zag nu een gezicht met een hoornen bril en een lichte baard in het schemerdonker. Hij schatte de man op ongeveer 50 jaar.

Hij wist niet of hij verder zou gaan met de korte uitwisseling van woorden. Erg uitnodigend was deze immers niet. Het viel hem op dat de man in het zwart gekleed was en wist verder nog steeds niet of en wat hij zou zeggen. De korte patstelling werd doorbroken door een snel naderende hardloper die met stevige pas het park door snelde. Tijdens het voorbijsnellen van de kleurig geklede hardloper hoorde hij de in het zwarte geklede man zachtjes mompelen: ‘Wat een uitslover!’ Blijkbaar had hij zijn omgeving toch goed in de gaten.

Nu verzamelde hij zijn moed en begon nog eens: ‘U bent vroeg op is het niet koud op deze bank? De man bewoog nu wat en draaide het hoofd langzaam in zijn richting. ’Weet u in mijn situatie doet de kou en het tijdstip van de dag er niet meer toe.’ Het leek hem of er geslagenheid doorklonk in zijn stem. ‘Wat doet er dan wel toe?’, de vraag rolde sneller zijn mond uit dan hij besefte. ‘Tja, mijnheer, dat is een goede vraag. Daar weet ik niet zo snel het antwoord op.’  ‘Wilt u dan misschien vertellen, wat er is gebeurd dat maakt dat kou en tijdstip van de dag er niet meer toe doen voor u?’

De man was even stil, hij leek na te denken of hij wel zou antwoorden. Maar na korte tijd draaide hij zijn hoofd wat naar hem toe en sprak. ‘Mensen gaan tegenwoordig hun eigen gang en trekken zich niets meer aan van anderen, van God noch gebod. Prominente personen hebben geen gezag meer en vrijwel iedereen is van God los. Verenigingen hebben een moeilijke tijd en kerken lopen leeg. Ook de mijne. Gisteren is de kerk definitief gesloten. Op zondagen kwamen de laatste tijd nog slechts een handjevol mensen. Dat kon niet meer. Nu heb ik niets meer te doen.’

Hij keek de man aan en was even stil. Zijn woorden klonken ijl na. ‘Waar zijn de laatste gelovigen heen, naar een andere gemeente, of heet dat bij u een parochie?’ Na een korte pauze kwam een vermoeid antwoord: ‘Ik heb hen met een mooie dienst over gedaan aan een andere parochie, wij behoorden tot de katholieke kerk. Daar zullen mijn parochianen mij spoedig terugzien, het aantal geestelijken is dermate klein geworden dat parochies op grote schaal worden samengevoegd en ik snel gevraagd zal worden om bij toerbeurt ook daar de mis te doen op zondag.’  ‘En nu?’, vroeg hij na enige nadenken, ‘Wat gaat u nu wel doen, hier in de schemerkou op de vroege morgen op een bankje zitten?’

‘Ik wacht, wacht, inderdaad ik wacht’, zei hij meer tegen zichzelf dan tegen de voorbijganger. ‘Ik wacht tot de zinloosheid opgelost is en ik weer wat moed en zin heb iets te ondernemen. De komende tijd heb ik geen agenda nodig, ga op ongewone tijdstippen de stad in en zal allerlei dingen zien gebeuren en misschien ook wel meemaken die tot voor kort voor mij geen betekenis hadden. Zo hoop ik de zinloosheid op te lossen en te proeven van het leven. Dat is het.’

’Dit gesprekje is dus een ongewone ervaring voor u dat u verder moet helpen?’. ‘Ja precies. Ik wil u wel verklappen dat ik me vanmorgen rot en zielig voelde. Maar deze paar minuten helpen me, uit dat humeur te treden. Dit praten doet me goed. Als priester was ik niet gewend om over mezelf te praten. Je moest er vooral zijn voor anderen. Luisteren. De hemel mag weten hoeveel ik wel niet geluisterd heb.’

Hij zweeg en ging even verzitten en keek stil voor zich, alsof hij vond dat het wel klaar was. Een kleine zachte plons rechts voor hen deed hen allebei opkijken. In de schemering was een lepelaar geland in de plas voor hen. ‘Wat bijzonder. Vandaag gebeurt er iets. Goedendag.’  De schemering was bijna licht geworden en hij vervolgde zijn weg, met zijn handen nog steeds in zijn jaszakken.

Over Roel In ’t Veld, Kennisdemocratie,

(de kwetsbaarheid van kennis)

In het oog van de orkaan, Boom, Den Haag, 2021

In de NRC verscheen begin november 2021 een interview van Kees Versteegh met Roel In ’t Veld naar aanleiding van het verschijnen van zijn geheel vernieuwde tweede versie van Kennisdemocratie. Het boek gaat o.a. over de crisis van de parlementaire (‘vertegen­woordigende’) democratie en de rol van kennis in het overheidsbeleid en de rol van de massamedia en sociale media.

Het boek is doorweven met het autobiografische teksten over zijn eigen leven en loopbaan.

Het interview las ik en raakte bij mij aan twee langer bestaande ergernissen: de vele talk­shows op de televisie en de verkorte blik van media én bestuurders en ambtenaren die vooral op de tv-studio’s en de Randstad gericht is. Ik heb in mijn werkbezoeken en overleggen (van 2013-2018) in het kader van het beleid tegen het voortijdige schoolverlaten aan de regio’s Kop van Noord-Holland, Friesland, Groningen en Twente) voldoende scherp op mijn netvlies gekregen dat de blik van de regering en haar Haagse ambtenaren niet op de eerste plaats op de economisch zwakke regio’s is gericht[1]. De andere ergernis is het grote aantal talkshows waar tv-kijkers mee vermaakt en geïnformeerd worden; deze hebben een vaste kliek aan draaideurgasten (deskundigen, journalisten, politici en BN’ers) die steeds bij toerbeurt hun eigen plas over de actualiteit mogen doen. Dat is blijkbaar makkelijker dan zelf wat gravende reportages te maken. Deze nauwe banden tussen politici en media waar In ’t Veld van rept is al jaren mij een doorn in het oog. Ik schaf het boek aan en lees het in de randen van mijn dagen.

In ’t Veld heeft in de discussie in de sociale wetenschappen over het verband tussen waarden en kennis, met behulp van Robert Pirsig’s (.. ja die ..) visie op kwaliteit, een pad gekozen waarin waarden intrinsiek verbonden zijn met kennis. Kennis is in de ogen van In ’t Veld altijd waarden-gedreven; je doet bijvoorbeeld alleen maar onderzoek naar de bronnen van ­ongelijkheid omdat je het belangrijk vindt dat er iets aan gedaan wordt. Pirsig heeft het over statische (grofweg gericht op beheersing van processen) en dynamische kwaliteit (gericht op verandering) en dat geeft In ’t Veld de mogelijkheid de hoedanigheid van veranderingen en de gevolgen van politieke besluitvorming te onderzoeken en te duiden.

Allereerst behandelt hij enkele uitgangspunten van de bestuurskunde, namelijk het ‘prisonners dilemma’ die leert dat er samenwerking tussen burgers en een overheid nodig is om de gezamenlijke welvaart in een land te bevorderen. Ook de paradox van Kenneth Arrow passeert de revue. Deze luidt -in eigen woorden-: er is geen meerderheidsregel te bedenken die de verschillende individuele voorkeuren van burgers zo weet te honoreren dat iedereen tevreden kan zijn. De representatieve (‘parlementaire’) democratie lijkt niettemin jarenlang het politieke systeem waar de minste bezwaren aan kleven.

De laatste 30 jaar is deze democratie in ons land echter aan flinke erosie onderhevig. Traditionele, vaststaande waarden bij kiezers verdwijnen met het eroderen van de voor ons land klassieke zuilsgewijze organisatie van wat meestal het maatschappelijk middenveld wordt genoemd. Deze ontzuiling gaat gepaard met het mondiger worden van burgers, met nieuwe politieke partijen, met meer tegenspraak richting autoriteiten waarbij in de 21ste eeuw het internet grote hoeveelheden informatie voor individuele burgers toegankelijk maakt. Tegelijkertijd verliezen de traditionele massamedia (kranten, radio en ook de tv) aan gezag én verliezen hun gezamenlijke monopolie op informatieverspreiding. De topdown communicatie van de massamedia wordt aangevuld én tegengesproken door de sociale media (Instagram, Facebook, Twitter, LinkedIn, TikTok, enz. enz.). Kennis, ook wetenschappelijke, werd in de sociale media de afgelopen decennia in toenemende mate selectief gebruikt, verdraaid, ontkend dan wel gedegradeerd tot ‘ook maar een mening’. Het dieptepunt hiervan is voorlopig aan te wijzen in de campagnes van Trump en tijdens de coronacrisis. Veel medeburgers pretenderen virologische, microbiologische, medische, historische kennis te hebben en ook nog bondscoach te zijn.

Naast deze verwording hebben het internet en de sociale media daarentegen ook toeganke­lijke en goedkope mogelijkheden opgeleverd om de representatieve democratie aan te vullen met besluit­vormings­processen waarin burgers een grote rol spelen en niet alleen de kiezers zijn van de besluitvormers.

In ’t Veld hield in de laatste fase van zijn loopbaan zich bezig met duurzaamheid. Deze kwestie – door sommigen ongetwijfeld een ‘wicked problem’ genoemd, d.w.z. ingewikkeld en moeilijk oplosbaar vanwege tegenstrijdige belangen en ongelijksoortige klonteringen van beschikbare relevante informatie – komt uitgebreid aan de orde en gebruikt de schrijver om zijn inzichten over de betekenis van onderzoek naar toekomstige ontwikkelingen voor het beleid van vandaag, naar voren te brengen.

Kennis kàn weer een rol gaan spelen in de politieke besluitvorming en zo de betekenis van vooroordelen, desinformatie en vaste overtuigingen terugdringen.

In ’t Veld maakt onderscheid tussen diverse manieren van wetenschap bedrijven. Aan de ene uiterste kant gewone (monodisciplinaire) wetenschap­pelijke kennis van gespecialiseerde onderzoeksinstituten waarvan de resultaten in internationale vaktijdschriften gepubliceerd worden. Deze kennis is meestal weinig bruikbaar vanwege het zeer beperkte bereik en geldigheid van deze kennis. Aan de andere kant van het spectrum ziet hij transdisciplinaire toekomstgerichte kennisverwerving. Dit is een werkproces waarbij (1) inzichten en bevindingen van meerdere wetenschappen (sociale, medische, technische enz.) worden gecombineerd en wetenschappers van verschillende huize ook bij onderzoek zelf samenwerken én (2) waarbij in het onderzoeks- en communicatieproces gewone burgers en wetenschappers voortdurend met elkaar in contact staan over de te onderzoeken vraag­stukken, over de gegevens en inzichten die de onderzoekingen opleveren en over de vraag hoe dit in beleid – gecentraliseerd vanuit de overheid dan wel decentraal in een wijk, een dorp of stad -toegepast kan worden.

De uitholling van en het verdampen van het vertrouwen in het democratische proces kan beter aangepakt worden door actieve participatie van burgers in plaats van nog meer sociale media-kanalen en nog meer talkshows. Kennis en actieve participatie van burgers kan tot beleid leiden in de richting van het goede leven, ‘de echte dingen’[2], voor vandaag en morgen én gericht op voorzorg voor toekomstige generaties.

In ’t Veld schrijft niet met meel in zijn pen maar met gitzwarte inkt als hij de huidige politieke situatie kenschetst die hem tot een pleidooi brengt voor meer kennis en meer actieve participatie. Enkele van zijn constateringen wil ik eruit lichten: (1) uit de wens zoveel mogelijk risico’s te vermijden komen opgeklopte hypes voort over voedselveiligheid, over gebreken in de zorg, en over feilen van justitie en politie. Deze brengen steeds meer verfijnde regelgeving voort[3] met meer bureaucratie en meer reacties weer daarop. (2) De uitholling van het stelsel van sociale zekerheid en de schaalvergroting (in onderwijs, zorg en gemeenten o.a.) in de (semi)publieke sector maken de herkenbaarheid en intimiteit van de dienstverlening kapot en maken de grote hybride organisaties voor burgers en ook voor bestuurders en politici ondoorzichtig. En een pareltje tenslotte is: ’Een onafzienbare reeks schandalen bracht aan het licht dat in het bedrijfsleven, maar ook in de semipublieke sector de dominantie van begeerte boven fatsoen niet was getemperd door controle en toezicht, maar wel aan raffinement had gewonnen’ (p. 115).

Ik wil hier bij twee punten in het betoog van In ’t Veld stil staan.

Het gaat om reflexiviteit en om de drie dimensies van duurzaamheid. In ’t Veld spreekt over verschillende mechanismen of verschijnselen die een rol spelen bij veranderingsprocessen: causaliteit, serendipiteit, dialectiek en reflexiviteit. Deze mechanismen maken sturing van veranderingsprocessen ingewikkeld. Reflexiviteit is daarbij het vermogen van mensen om hun gedrag aan te passen als gevolg van kennis over zichzelf. In ’t Veld zegt dat mensen als zij kennis tot zich nemen over zichzelf zij daarvan leren en hun gedrag aanpassen. Sociaal-psychologische kennis loopt zo steeds achter de feiten aan. Kennis van een systeem verandert dat systeem direct. Hij past dit inzicht toe op de werking van de sociale zekerheid en het toezicht daarop, op het gedrag van bedrijven en financiële instel­lingen en op het gedrag van bijv. departe­menten. Ik denk dat hij hier de interne ver­houdingen binnen een organisatie, binnen een departement te weinig onderkent. Leren in organisaties en systemen gebeurt mijns inziens weliswaar bij individuen en teams, maar het management en directie en hun belangen zijn dominant, niet de nieuwe inzichten van mensen op de werkvloer. Ik heb bij het ministerie van OCW zelf mogen ervaren dat bijv. het woord van een directeur-generaal, een zinsnede uit een regeerakkoord of de uitkomst van een een-tweetje van de bewindspersoon met de premier, de doorwerking van nieuwe inzichten doet verstoppen. Macht bepaalt wat er geleerd wordt. Reflexiviteit lijkt daarmee de uitkomst te worden van de wijze waarop machten met nieuwe informatie of nieuwe kennis omgaan. In ’t Veld onderkent dit ook als hij beschrijft hoe kennis, resultaten van toekomstonderzoek op departementen gebruikt wordt, of juist niet (p.243). Toch geeft hij reflexiviteit zo’n belangrijke plek in het politieke proces van innovatie.

Bij het vraagstuk van duurzaamheid onderkent In ’t Veld een sociale, een ecologische en economische dimensie. Voor een haalbaar duurzaamheidsbeleid, waarvoor in de samenleving draagvlak te vinden is, moeten we met alle drie dimensies rekening houden. Dit geldt temeer daar binnen een democratie als de onze geen globale overeenstemming te verwachten is – gezien de vergruizing van waarden en waardenhiërarchieën bij individuen en groepen – over belangrijke maatschappelijke kwesties. Als wij bijv. de zorgen van de industriële melkvee­houderijen over hun toekomst niet serieus nemen, komen we niet ver in de verduurzaming van de landbouwsector. Op zich is deze stellingname begrijpelijk. Maar als je in ogenschouw neemt (NRC, 12 feb 2022) dat Oxfam berekende dat de rijkste 10% van de wereld verantwoordelijk is voor meer dan de helft van de CO2-uitstoot, bereik je weinig resultaat als je de vuistregel van In ’t Veld hanteert, namelijk dat alleen die maatregelen gericht op duurzaamheid aandacht verdienen die in geen van de dimensies een verslechtering opleveren (p. 37).  Ik denk daarentegen dat verduurzaming van onze economie een mondiale kwestie is van – op de langere termijn – een ingrijpende mondiale herverdeling van welvaart. David van Reybrouck meldt in zijn Huizingalezing[4] dat het westen de toekomst van de gehele aarde verregaand gekoloniseerd heeft en dat derhalve op mondiaal niveau grondige ingrepen in de economie onvermijdelijk zijn.

Vooralsnog lijkt mij dat de drie kernvragen van Ralf Dahrendorf (door In ’t Veld aangehaald op p. 79) nog steeds van toepassing zijn op het zojuist genoemd vraagstuk:

  • How can we bring about changes in our societies without violence?
  • How can we control the rulers with the support of a system of checks and balances and ensure that they will not abuse power?
  • How can all citizens participate in the exercise of power?

Een opvallend onderdeel van het boek zijn autobiografische passages, waarin de auteur schrijft over zijn jeugd (in oorlogstijd) in Den Haag, zijn middelbare schooltijd, zijn loopbaan aan de universiteiten van Leiden en Nijmegen, waar ik bij hem afstudeerde, en op het ministerie van OCW (directeur-generaal Hoger Onderwijs en Wetenschappelijk Onderzoek), zijn kortstondige staatssecretarisschap, zijn werk als voorzitter van de Raad van Commissarissen van ProRail bij de besluitvorming over de exploitatie van de Betuwelijn en zijn kortstondige samenwerking met Pim Fortuyn. Deze teksten zijn zonder franje, bijna onderkoeld opgeschreven in woorden en zinnen die her en der een hoog soortelijk gewicht hebben, ook over eigen fouten en verkeerde inschattingen. Juist daardoor oogt het geheel als open en kwetsbaar. Deze teksten zijn ook onthullend over bestuurlijke kortzichtigheid en onbenul én machtsmisbruik. Heerlijk om kennis van te nemen. In ’t Veld presenteert ze als casussen. Zijn werk als directeur-generaal Hoger Onderwijs en Wetenschapsbeleid geeft enkele voorbeelden van hoe kennis in het beleid wordt gebruikt (heel weinig, ondanks de inzet van de schrijver zelf): veranderingsprocessen zijn complex. De besluitvorming over de exploitatie van de Betuwelijn is een voorbeeld van hoe met scenario’s gewerkt kan worden maar niet gebeurt. Zijn kortdurende rol van staatssecretaris Hoger Onderwijs laat zien dat kennis, relaties en macht een explosief en pijnlijk mengsel kunnen zijn. Zijn belevenissen met Fortuyn laten zien dat ideologieën aan belang hebben ingeboet en politiek nu veelal draait om persoonlijkheden die zoveel mogelijk publieke sentimenten op de kiezersmarkt aanspreken.

Als ik deze persoonlijke belevenissen lees bekruipt me het sterke gevoel dat macht en (persoonlijke) verbindingen met machtigen bepalend zijn in politieke processen. Hij geeft met deze persoonlijke geschiedenissen voorts een goed beeld van zijn eigen waarden van waaruit hij werkt, denkt en schrijft, of zoals hijzelf zegt: ’Waarden vormen mijn identiteit’ (p. 21). Zijn ontboezemingen lijken -op enige afstand- oprecht en overtuigend.

Ik vond het leuk en stimulerend om dit boek te lezen. In ’t Veld’s ideeën over aanvullende participatieve vormen van democratie spreken mij zeer aan. Ook als er ooit grondige veranderingen komen in de manier waarop wij leven en samenwerken, hebben we nog steeds te maken, legt In ’t Veld uit, met allerlei vraagstukken over kennis, meningsvorming in de media, met machten en belangen en ook nog steeds met niets ontziende begeerte van een aantal individuen naar macht en rijkdom te maken.

Het kost soms een mensenleven om goed te beseffen hoe dierbaar iemand is, was, schrijft In ’t Veld (p.16).  Inderdaad.


[1] Op de eerste dag dat ik hieraan schrijf verneem ik op het NOS Journaal dat er een kazerne moet sluiten: niet die van Eindhoven, Rotterdam of Doorn maar nota bene de tweede in de afgelopen tien jaar van Drenthe; na Emmen dreigt ook Assen haar kazerne te verliezen.

[2] Titel van een (congres)bundel essays uit 2015 over de kwaliteit van het onderwijs onder redactie van Roel in ’t Veld, met overigens een aantal zeer lezenswaardige teksten.

[3] Bij de regeling belastingtoeslagen maakte de alom gevreesde fraudemogelijkheden dat er in de uitvoering geen ruimte was voor ambtenaren om uitzonderingen te maken. Zie verder Jesse Frederik, Zo hadden we het niet bedoeld. De tragedie achter de toeslagenaffaire, De Correspondent, 2021

[4] David van Reybrouck, De kolonisatie van de toekomst, Leven aan de vooravond van de klimaatcatastrofe, Uitgeverij Elseviers Weekblad, 2021.

Een groot vraagstuk

Inleiding

Ik kreeg onlangs als cadeautje de bundel Towards a fair and just economy, Social business as a transformational approach (LM Publishers, 2018) cadeau van oud studiegenoot Fons van der Velden. Hij is directeur van Context, een bedrijf gericht op internationale ontwikkelings­vraagstukken waarbij lokale gemeenschappen centraal staan. In deze bundel worden verschillende inspirerende voorbeelden en werkwijzen uit de doeken gedaan.

Dit boek sluit af met een slotbeschouwing van de samensteller Fons van der Velden. Hierin vraagt hij zich af of en hoe sociale bedrijven de wereld kunnen veranderen. Fons zoekt hierbij naar een nieuwe linkse omvattende visie. Hij voert klassieke (neo)­marxistische denkers op die wijzen op het beperkte bereik van sociale (coöperatieve) ondernemingen die niet alleen een financieel resultaat/financiële waarde maar ook een maatschappelijke resultaat/waarde nastreven en daarmee bijdragen aan verandering. Er moet meer gebeuren. De macht over de staat, de wetgeving, het recht moet eveneens verworven worden, maar vooral: het eigendom van de productiemiddelen moet op grote schaal, en niet alleen bij een aantal sociale ondernemingen, op andere leest geschoeid worden. Eigenaars van kapitaal, dat zich internationaal beweegt, mogen niet meer bepalen hoe de wereld zich ontwikkelt, of beter gezegd hoe de wereld afstevent op uitputting van grondstoffen, nog grotere ongelijkheid, meer rampen van sociale, humanitaire, economische en ecologische aard.

De vraag is: is er misschien een nieuwe visie te verwoorden waarmee op hoopvolle wijze deze vraagstukken kunnen worden aangepakt.

Ik verken hier het antwoord op deze vraag door op te noemen wat er nodig is om de urgente mondiale vraagstukken aan te pakken. De vraagstukken die ik hier bedoel zijn:

  • De enorme kloven die wereldwijd gegroeid zijn tussen massa’s armen en een kleine rijke, niet zelden criminele bovenlaag;
  • De snelle uitputting van het vermogen van de aarde zich te herstellen van mijnbouw, agro-industrie[1] (nog steeds verhullend “landbouw en veeteelt” genoemd) industrie en commerciële dienstverlening en de gevolgen van dit alles voor het wereldwijde klimaat, met name voor die armere delen van de wereld die het minst bijdragen aan de opwarming van de aarde, er veel meer last van hebben en die geen middelen hebben voor klimaatadaptatie;[2]
  • De steeds meer verstevigde (ook militaire) greep van de politiek-economische bovenlaag op het leven op aarde en op de politieke besluitvorming en, daarmee samenhangend,
  • Het steeds meer zich verspreidende gevoel bij grote groepen mensen op de gehele wereld dat ze geen noemenswaardige greep hebben op hoe de wereld, hun omgeving en hun leven zich ontwikkelt;
  • De vele opkomende populistische en nationalistische bewegingen die een hunkering naar vroegere tijden verwoorden, zich afkeren van het denken over de toekomst van de gehele wereld en zich keren tegen allerlei emancipatiebewegingen. Deze populistische en nationalistische groepen zijn bovendien veelal bereid om geweld te gebruiken ten einde de loop van de geschiedenis te keren;
  • De gegroeide digitale verbindingen tussen financieel-economische elites, criminele elites en militaire machthebbers enerzijds en de massieve repressiemiddelen die in met name de Arabische, Russische en Aziatische landen (maar ook elders) wordt toegepast om sociale en democratische bewegingen de kop in te drukken.
  • De enorme internationale netwerken van criminele drugs- en wapenhandelaren en jonge warlords die in staat zijn overal ter wereld zich in bovenwerelden in te werken en met geweld het verloop der dingen naar hun hand te zetten en ook hun lokale maffiose pendanten die plaatselijke gemeenschappen en vooral de jongeren, niet alleen in Zuid-Italië, in hun greep krijgen.

Enkele vragen

Hans-Jürgen Krahl betoogde al vijftig jaar[3] terug dat er geen omvattende visie meer mogelijk was. Er is sinds de jaren zestig-zeventig van de vorige eeuw ook geen totaalvisie meer verwoord over hoe we de mondiale problematiek – van grote ongelijkheid, internationale wapenhandel, vernietiging van natuurlijke hulpbronnen en de catastrofale gevolgen voor milieu en klimaat, de alomtegenwoordige terreur tegen oppositie die gericht is op meer democratie en op het aanpakken van deze grote problemen – kunnen aanpakken.

Ook ik kom niet verder dan enkele vragen te stellen die zo’n visie moet beantwoorden en beginnen van antwoorden te suggereren. Ik noem de vragen voorlopig in willekeurige volgorde.

  1. Hoe kunnen grote groepen mensen over de gehele wereld er meer van overtuigd worden dat grondige veranderingen in de manier waarop wij produceren, geld verdienen en consumeren hoogstnoodzakelijk én mogelijk zijn? Hoe kunnen wij effectief de desinformatie die overal en steeds geavanceerder verspreid wordt, tegengaan? Hoe kunnen wij hierbij iedereen niet alleen met informatie maar ook in hun emotie bereiken? En hoe doen we dat met ongeletterden?
  2. Hoe kunnen we het voorbereiden en het denken, de besluitvorming en de uitvoering van de noodzakelijke veranderingen niet overlaten aan beroepspolitici en hun staatsapparaten?
  3. Hoe kunnen we bij dit alles de mensenrechten en democratische waarden beschermen en de onderdrukking van minderheden (vrouwen, etnische minderheden, kinderen, lhbti+, enz.) beëindigen en voorkomen?
  4. Hoe kunnen wij de honderden miljoenen van oorlogsgeweld getraumatiseerden over de gehele wereld op een hoopvolle en vertrouwenwekkende manier actief bij deze veranderingen betrekken en een beter perspectief bieden dan alom tegenwoordige verleidingen tot individueel gewin en maatschappelijke apathie?
  5. Hoe is de grote formele en vooral ook informele invloed van grote bedrijven op het gedrag van overheden tegen te gaan? Hoe kunnen we de netwerken van managers, directeuren, leidinggevende medewerkers van overheden, bedrijven, leger, politie, rechterlijke macht, advocatenkantoren en zorg, transparant maken en deze openbaar maken?
  6. Hoe kunnen de gewelddadige internationale criminele bendes van wapen- en drugshandelaren en hun lokale vertegenwoordigers worden aangepakt? Hoe kunnen warlords waar ook ter wereld worden opgepakt en hoe moet de mondiale samenwerking hierin eruitzien?

Beginnen van antwoorden

  1. Het is me niet duidelijk waarom de marxistische visie zo strak schematisch denkt: eerst de staatsmacht dan de productiewijze aanpakken. Het kan misschien net zo goed andersom: eerst grote veranderingen in de manier waarop wij produceren en daarover denken en dan uiteindelijke ook de macht over de staat.
  2. De visie die Fons hier in het laatste hoofdstuk presenteert is wat mij betreft te schema­tisch én te veel gericht op nationale staten i.p.v. op de wereldmarkt. De wereld is inder­daad deels langs de lijnen van de nationale staten georganiseerd, maar voor een invloed­rijker deel in een grote veelheid aan internationaal opererende bedrijven en platform-economieën, met hun ook onderlinge contacten met bedrijven in de informatie­voorziening, met bancaire instellingen en met topambtenaren van de nationale over­heden. Het vrijwillig doen ombuigen van de intenties van deze complexe wereld in de richting van vrede, van duurzaamheid, van een redelijke verdeling van welvaart, zorg en welzijn is een klus die we niet moeten overlaten aan gewapende jonge mannen. Dat zijn immers de Bouta’s, Erdogans, Poetins, Dutertes en Idi Amins van de daaropvolgende jaren.
  3. Het is me niet duidelijk hoe de macht over de bedrijven, het bestuurs- en staatsapparaat en over leger en politie verkregen kan worden op een manier waarbij geen geweld wordt gebruikt. Toegang tot bronnen, tot bepaalde invloedrijke personen en hun contacten en hun bankrekeningen krijg je zonder geweld alleen als men dat vrijwillig doet. Geweld is mijns inziens heilloos, roept tegengeweld op en eindigt steevast vrijwel in een dictatuur. Ik heb het hier uitsluitend over geweld dat niet door de rechterlijke macht is gesanc­tioneerd. Omdat hier geen overtuigende antwoorden zijn, moeten we ernaar zoeken en nieuwe aanpakken proberen.
  4. Te veel wordt louter de vernietiging/verandering van de kapitalistische productiewijze als de hefboom gezien voor een verandering ten goede. Ook na zo’n omwenteling zullen er netwerken ontstaan van hen die informatie, contacten, kapitaal en beslissingsbevoegdheden hebben. (Lokale) Collectieve en coöperatieve productiewijzen met een maatschappelijk doel zullen moeilijk deze netwerken binnen­dringen. Via deze netwerken zullen steeds opnieuw, ook decennia na revolutionaire veranderingen (zie China, Rusland, Oekraïne, Belarus enz.), particuliere initiatieven ontstaan. Deze zijn wellicht alleen met dwang en geweld tegen te houden, want er zullen altijd lieden zijn die zo nodig ten koste van anderen geld willen verdienen.
  5. Bij alle mogelijke vernieuwingen is de vraag van belang waar in regionaal opzicht de eerste prioriteiten gelegd worden. We zouden een dik vraagteken kunnen zetten aan de vanzelfsprekende voorrang die de stedelijke gebieden hebben en nemen hebben. Vooral met het oog op het tegen gaan van de uitputting en opwarming van de aarde zouden we het belang van de rurale gebieden, van de randen van ons land en van het platteland waar ook ter wereld moeten heroverwegen. De agro-industrie zal overal plaats kunnen maken voor geavanceerde hoogwaardige én ecologisch verantwoorde en vooral ook coöperatieve vormen van landbouw en zoveel mogelijk regionale voedselvoorziening.
  6. Bij de stapsgewijze herinrichting van de wereld moeten we uitgaan van samenwerking tussen mensen, waarbij we een individueel motief, een individuele relatie tussen inspanning en beloning gehandhaafd en verzekerd moet blijven. Dit is een van de lessen van de collectieve bedrijven en staatsbedrijven uit Oost-Europa. Er zal met andere woorden ook in een meer sociale en coöperatieve toekomst, naast een sociale ook steeds een individuele verbinding gerealiseerd moeten worden tussen inspanningen en beloningen. Opgelegde collectiviteiten functioneren niet.
  7. Geweldloze, democratische aanpakken van grote veranderingen kunnen op hun werkzaamheid getoetst worden. Te denken valt aan zogeheten “open” vormen van beleidsvorming, d.w.z. niet gedicteerd door overheidsbeleid en niet gekanaliseerd door ambtenaren. Kenmerk hiervan is dat de denkkracht en creativiteit van betrokken burgers gehonoreerd wordt.[4] De vier werkwijzen die Van Reybrouck presenteert in zijn Huizingalezing van zijn daarbij eveneens de moeite waard om nader te onderzoeken en uit te proberen. Ik bedoel hier het preferendum, de global assembly, een systeem van carbon credits en burgerlijke ongehoorzaamheid bij belastingbetaling.[5] Ook voormalig (Nijmeegs) hoogleraar bestuurskunde Roel in ’t Veld pleit hier voor.[6] Voor massale actie kan ook Gandhi een inspiratiebron zijn en kunnen sociale media een cruciale rol spelen.
  8. Willem Schinkel (in gesprek met Sjors Roeters in VN, 20 dec 2021) ziet vooral verbanden en samenhangen tussen allerlei maatschappelijke kwesties en heeft vooralsnog nog allesomvattende visie. Wel vindt hij het belangrijk (ook persoonlijke) verbindingen te leggen tussen allerlei vormen en terreinen waar strijd plaats vindt (Black Lives Matter, toeslagen affaire, de uitputting en misbruik van Groningen, de groter worden inkomensverschillen, enz.) . . Op al deze en andere terreinen worden economie en staat uitgedaagd door mensen die niet alleen in de bestaande orde participeren maar daarnaast ook andere dingen doen die niet door financieel rendement bepaald worden. Coalities zijn mogelijk tussen al deze groepen. Creativiteit en leven blijven woekeren (in zijn woorden). Niet zozeer een omvattend beeld maar een mozaïek van situaties, visies en mogelijkheden.
  9. Bij al deze nieuwe vormen van participatie is het van belang waarborgen in te bouwen voor de evenredige inbreng van mensen van alle leeftijden en dan met name kinderen/tieners en mensen van 70 jaar en ouder en van alle opleidingsniveaus. Zowel op nationaal en internationaal, als op lokaal niveau mag het niet gebeuren dat (mannelijke) hoogopgeleide dertigers en veertigers uit de stedelijke gebieden de toon zetten en de gesprekken beheersen.
  10. Immers, de kracht van emotionele en rationele argumenten en van het benoemende woord in plaats van bommen of kogels, is de kracht die wij nodig hebben om de teloorgang van de aarde te keren.
  11. En dan is er nog het punt van Rutger Bregman[7], dat er geen afstand mag ontstaan tussen leiders en bevolking. Hoe kunnen we voorkomen dat leiders hun eigen en andere mensen niet persoonlijk kennen, m.a.w. op welke kenbare en herkenbare schaal kunnen wij leiderschap organiseren? En hoe kunnen wij daarbij de interne samenhang of sociale cohesie van lokale gemeenschappen, ook tegen criminele bendes en jonge warlords, versterken en betrekken bij een grotere mondiale stroom. En hoe kunnen wij sociale media daarbij hun effectieve verbindende werk laten doen?

Ik heb geen antwoorden, het vraagstuk is te groot voor mij.  Ik heb hooguit voorzichtige vermoedens en nog steeds hoop.

(Bijgewerkt op 21 dec. 2021)


[1] Een indrukwekkende schets van de verwoestende werking van de agro-industrie, nu eens niet over Bangla Desh of het Braziliaans regenwoud is te vinden in Richard Powers, The Overstory ((‘Tot in de hemel’), Vintage Publishing 2018; de Nederlandse vertaling is uit 2019.

[2] Zeer onlangs nog helder en onontkoombaar verwoord door David van Reybrouck, De kolonisatie van de toekomst, Huizinga lezing, Uitgeverij EW, dec 2021.

[3] Hans-Jürgen Krahl stelde dit in een discussie die eind jaren zestig kort woedde in de West-Duitse studentenbeweging; deze discussie is de geschiedenis  in gegaan als ‘Krahl-Schmierer-discussie’, over de gewenste koers van de toenmalige studentenbeweging. Krahl’s oorspronkelijke tekst heb ik niet meer terug kunnen vinden, maar weet nog wel dat het begon met “Thesen…. Deze veelbelovende jonge Krahl is in 1971 bij een auto-ongeluk overleden.

[4] Een presentatie in het Nederlands taalgebied van dergelijke werkwijzen is o.a. te vinden in Peter van Hoesel en Max Herold, Beleidsontwikkeling in de 21ste eeuw, Hoe het anders kan en moet,  Boom, 2020.

[5]  Zie uitgebreider o.a. David van Reybrouck a.w., p. 23 e.v.

[6] „En ten tweede: probeer als media meer hoopvolle ontwikkelingen buiten Den Haag bloot te leggen. Daar vind je experimenten met participatieve democratie die mooie democratische ervaringen voor burgers hebben opgeleverd, zoals bij de ontwikkeling van stadswijken, voedselbanken en energiecoöperaties. Nu de representatieve democratie in crisis verkeert, wordt het tijd voor media meer oog te hebben voor de positieve kanten van de participatieve democratie, en hoe die de representatieve rol kan aanvullen.” (Roel in ’t Veld in de NRC 8 november 2021). Zijn nieuw uitgekomen bewerkte versie van Kennisdemocratie, (Boom, 2021) is om meerdere redenen de moeite waard om te lezen.

[7] Zie Rutger Bregman, De meeste mensen deugen, De Correspondent 2019. Het gaat mij hier met name om hoofdstuk 11, Hoe macht corrumpeert. Bregman legt uit dat afstand en het niet persoonlijk kennen van mensen, oorlogsgeweld van potentaten mogelijk maakt. Een geloofwaardige hypothese.

Twee boeken van Patrick Modiano

‘De plaats van de ster’, Amsterdam 1973 (oorspr. ‘La place de l’étoile’, Gallimard, Paris, 1968) en

‘Uit verre vergetelheid’, Amsterdam 2014, (oorspr. ‘Du plus loin de l’oubli’, Gallimard, Paris, 1996)

Ik las twee boeken van Parijzenaar Patrick Modiano. In het eerste boek, De plaats van de ster (“place de l étoile”) , geeft Modiano een beeld van het kapotgemaakte leven van een joodse Parijzenaar die de oorlog en de Holocaust overleefde.

En daar word je niet vrolijk van. Naast de al eerder her en der gememoreerde zware schuldgevoelens van overlevenden van de Holocaust, (“waarom ben ik de enige van mijn familie die het gered heeft”) komen er psychische stormen, waandenkbeelden, nachtmerries die teruggrijpen op eerdere levensperiodes, SS’ers en Wehrmachtsoldaten die in dromen Joodse namen dragen, in Israël wonen maar leven in het Parijs van 1941, woedeaanvallen en een geregeld verbroken verbinding met de dag van vandaag. Je kunt het zo gek niet bedenken of het komt voor. in Het geheel grijpt mij bij mijn strot en ik begin een klein beetje te ontwaren hoe dit moet zijn. Ik ervaar de machteloosheid van de hoofdpersoon om iets van zijn leven te maken als beklemmend maar ook als vreemd. Zijn belevenissen heeft Modiano zo opgeschreven dat ik er als lezer geen contact mee krijg. De opgeslotenheid van de hoofdrolspeler in zijn eigen psychische gevangenis is hij steeds gedoemd in verkeerde situaties verzeild te geraken of met de verkeerde personen in aanraking te komen. Hij heet Raphaël Schlemilovitch. Misschien is zijn naam wel de kortste samenvatting van wat Modiano wil laten zien. De schuldgevoelens van overlevenden komen indringend naar voren als Schlemilovitch in zijn wanen zelf SS’er is en Eva von Braun ontmoet. Twee punten zijn nog het noemen waard. De her en der typisch joodse humor, waar bij je moet lachen om niet te huilen, is zeer trefzeker. Daarnaast vormt het figureren van talrijke namen uit het Franse openbare en culturele leven van na de oorlog een moeilijkheid. Veel namen zeggen mij niet veel.

Had de plaats van de ster (Place d’ Etoile) een sterk biografisch karakter vanwege Modiano’s eigenverwevenheid met de oorlog en de Holocaust, het tweede boek heeft dat persoonlijke karakter niet. Althans het gaat niet duidelijk over Modiano’s eigen leven. Het kan wel een getuigenis zijn met een autobiografische achtergrond van het stedelijke leven in Parijs en London in de tijd dat de schrijver tot volle wasdom kwam.

Voor bohemiens is het Parijs (en London) van de jaren zestig een kille, lege onverschillige stad waarin mensen ieder voor zich iets van hun leven trachten te maken, maar de zinloosheid druipt van elke belevenis. Men doet wat, zorgt via gokken voor een inkomen en logeert dan hier, dan daar. Men komt anderen tegen met je korte of langere tijd een relatie hebt en samen optrekt. Het is zo weer voorbij. Het maakt niet uit, lijkt het wel. Er zijn altijd wel kennissen die je tijdelijk onderdak bieden. Er is altijd wel ergens een korte opdracht voor een schrijfklus of een onderzoekje te verkrijgen. Modiano schrijft bepaaldelijk niet over een gemiddelde werknemer van Renault – Billancourt, maar eerder over de derde bassist van Johnny Halliday. Van de twee mensen is de man een (in den beginne aankomend) schrijver die geen naam krijgt en heeft de vrouw Jacqueline geen duidelijk omschreven beroep. Zij ontmoeten in Parijs een gokker en in London, enige tijd later een smoezelige pandjesbaas. Deze mensen gaan uit, wandelen, snuiven ether, vrijen (ook als natura vergoeding voor het wonen in een huurflat), bezoeken een Jamaica café, toeren met de metro door de stad, ontmoeten deze en gene. Alle gebeurtenissen en dagen hangen als los zand aan elkaar, er is geen streven dat hun levens samenbindt en energie geeft.

De eerste episode van deze roman begint in Parijs en eindigt in London, na zo’n anderhalf jaar, met de plotse verdwijning van Jacqueline.

De tweede episode, vijftien jaar later, speelt zich af in Parijs. De naamloze protagonist is nu schrijver, leeft alleen en in willekeurige dagindeling. In een metro ziet hij een vrouw die op Jacqueline lijkt, hij gaat achter haar aan, ontdekt waar ze woont en weet enkele dagen later op een feest in haar flatgebouw binnen te komen, in de hoop haar te treffen. En dat gebeurt. Aanvankelijk lijkt ze hardnekkig hem niet te herkennen. Zij is met haar man. Maar bij het afscheid stapt ze met een smoes in dezelfde lift als hij en wordt het contact voor enkele uren vervolgd waar het jaren terug is gestokt. De volgende dag vertrekt ze met haar man naar Mallorca.

In de derde heel korte episode mijmert de schrijver, terwijl hij er wandelt, over de wijk waar Jacqueline is geboren.

Het leven van bohémiens in een grote stad lijkt een leven zonder bedoelde en duurzame verbindingen, toevallige ontmoeting en tijdelijke projecten rijgen zich aan elkaar. Een ontnuchterend boek.

Elke dag oorlog

Over Anjet Daanje, De herinnerde soldaat, Groningen 2019

Europa en ook de rest van de wereld kende in de 20ste eeuw veel oorlogsgeweld. Miljoenen mensen, soldaten en burgers werden gedood en wanneer ze het overleefden waren hun verdere levens erdoor getekend. Velen hebben herinneringen aan een oorlog (‘de oorlog’) waarover ze soms met trots, soms met schrik of afschuw hun avonturen vertellen of juist erover zwijgen.

Voor vele andere overlevenden die ook slachtoffers waren is hun leven door de oorlog meer dan getekend: ernstig getraumatiseerd door verkrachting, het getuige zijn van moord en doodslag, door honger, door gevangenschap, door marteling of na verblijf in een concentratiekamp.

Ik ben van na de (West-)Europese oorlogen en heb iets dergelijk nooit hoeven meemaken, maar ik ben wel steeds nieuwsgierig geweest naar hoe mensen de oorlog(en) ervaren hebben en hoe ze verder zijn gegaan met hun leven als ze het overleefden.

Mede door de ontwikkeling van het wapentuig in de 19de en 20ste eeuw zijn in de afgelopen 120 jaar ook enorm veel burgers gevallen als slachtoffers. Soms kun je zelfs stellen dat het oorlogsgeweld op de eerste plaats gericht was tegen delen van de eigen bevolking, tegen een etnisch te onderscheiden deel van de eigen bevolking of tegen een wanhopig hongerende, werkloze en in bittere armoede verkerende mensenmassa die in opstand kwam.

In de 20ste eeuw is er overal op de wereld op ongekend grote schaal gemoord. De Amerikaanse historicus Rummel heeft dit zo’n 25 à 30 jaar terug grondig in kaart gebracht. Bram de Swaan heeft over zijn onderzoekingen en telwerk een brochure geschreven en een openbare les (Huizingalezing) gehouden[1] in 2003. Hieruit de volgende passage:

Er zijn in de afgelopen eeuw vier regiems geweest die elk meer dan tien miljoen mensen hebben vermoord. Tussen 1917 en 1987 zijn in de Sovjet-Unie tweeënzestig miljoen mensen omgebracht door executie, mishandeling, foltering, uitputting of uithongering. Dat aantal is door geen enkel regiem geëvenaard. Communistisch China komt daar nog het dichtste bij met ruim vijfendertig miljoen vermoorde burgers tussen 1949 en 1987. Naar het totaal dodental onder weerloze mensen komt het nazi-regiem op de derde plaats met eenentwintig miljoen moorden. Als vierde verschijnt in de tabel een regiem dat nagenoeg vergeten is, Nationalistisch China waar de Kwo-min Tang onder Chang Kai-shek tien miljoen ongewapende mensen heeft gedood tussen 1928 en 1949.

En dan zwijg ik nog maar over de massamoorden in Mexico, Armenië, Namibië, Zuid-Afrika, Congo, of recenter, Myanmar, Sudan, Rwanda, Venezuela, Argentinië, Eritrea, enz. Als er iets kenmerkend is voor de geschiedenis van het mensengeslacht, is het wel dat machthebbers steeds opnieuw middelen afdwingen voor en kunnen bevelen naar wrede oorlogsvoering en genocide (massamoord) of democide (volkerenmoord) om hun positie veilig te stellen.

De wereldwijde verbreidheid van het geweld, altijd en overal is de negatieve spiegel van de gevolgen van oorlog en geweld voor een overlevend slachtoffer. In allerlei getuigenissen is de afgelopen 40 jaar de wreedheid van oorlogsgeweld tijdens maar ook na die oorlog voor een enkel individu beschreven. Dagboeken, terugblikken, memoires van allerlei aard laten zien dat een gewoon mens meestal, niet altijd[2], heel veel moeite moet doen om weer een gewoon leven na zo’n oorlogservaring op te pakken. Niet zelden eindigt zo’n leven dramatisch: nachtmerries, echtelijke ruzies, opname in een kliniek, verlatenheid, drugs- of alcoholverslaving, suïcide, waanzin. De aantallen getraumatiseerde overlevenden van oorlogsgeweld op de gehele aarde moet enorm zijn, wellicht wel meerdere honderden miljoenen.

Anjet Daanje heeft met De herinnerde soldaat een roman geschreven over één zo iemand.  Namelijk een die de Eerste Wereldoorlog in de Vlaamse loopgraven overleefde, er zijn geheugen kwijtraakte, niet meer weet wie hij is en wat hij heeft meegemaakt, zwerft hij rond in de buurt van waar tot voor kort gevochten wordt. Hij wordt gevonden en hij belandt uiteindelijk in een inrichting in Gent waar hij de naam Noen Merckem krijgt, want op zekere dag gevonden rond het middaguur bij het plaatsje Merckem.

In de kliniek werkt hij in de tuin en heeft ’s nachts op de slaapzaal bij toerbeurt dienst om te waken over medepatiënten zodat die gekoesterd kunnen worden bij hun nachtmerries.

Op zekere dag, zo’n vier jaar na de oorlog, komen er achtereenvolgens twee vrouwen op bezoek die naar hun vermiste echtgenoot zoeken. De tweede vrouw, Julienne, herkent hem als de hare en met veel getouwtrek met de behandelende arts krijgt zij haar man mee. Hij blijkt Amand Coppens te heten.

Ze woont in Kortrijk met twee kinderen, zijn kinderen, en verdient de kost met een kleine fotowinkel.

Een jaar lang ontspint zich een leven van momenten van herinnering, zwarte angstaanjagende dromen, woedeaanvallen, voorzichtige toenadering tussen hem en de kinderen en de eerste stapjes naar een nieuwe intimiteit tussen de echtgenoten. Zij leert hem het fotografie-vak. Hij leert om te gaan met haar en de kinderen. En dan is er plots weer een aanval van verstandsverbijstering, woede, hevige angst, nachtmerries, vlagen van herinnering door beelden of geuren. De oorlog is elke dag en elke nacht aanwezig. De spanning die soms wat minder wordt, is steeds voelbaar, ondanks dat de verhouding tussen de twee echtgenoten groeit. Er is weer samen lachen, slapen, intimiteit en seks. En er is ook wantrouwen van hem naar haar: vertelt zij wel alles wat er is gebeurd tijdens de oorlog? Hij ontdekt dat haar oorspronkelijke huis in Meenen er nog steeds staat in deze overigens grotendeels verwoeste stad. Coppens fotografie staat nog steeds op de muur in het nog onbewoonde huis, zo ontdekt hij als hij boos om een ruzie op een dag helemaal naar Meenen reist. Zij vertelt later wat de reden is dat zij naar Kortrijk is verhuisd: zij verpleegde Duitse soldaten en werd als moffenmeid uitgekotst door de gemeenschap. Er zijn verschillende momenten van wantrouwen, van niet alles zeggen, van onbegrijpelijke teleurstellingen, plotse boze momenten die vervolgens weer afgewisseld worden door lieve momenten van tederheid, samen genieten van een sigaret in de tuin of een intense vrijpartij.

Echter er verschijnt op zeker moment in zijn dromen een andere blonde vrouw waarvan hij de naam uiteindelijk ook herinnert: Käthe. Drie dromen verder weet hij ook haar naam Tönsing en hij weet: dit moet zijn vrouw zijn. Er komen dromen waarin zij hem voorleest, in een weide, zij aan de overkant van een brede sloot. Weer later komt de naam van het dorp binnen en de hond van de familie, Issie. In steeds meer nissen van zijn geheugen komt licht binnen. Hij maakt ruzie met Juliette over wat te doen, zij zegt dat Käthe zijn vrouw niet was en nodigt hem uit een brief te sturen naar haar in dat Duitse dorp. De brief komt na anderhalve week terug: Juliette heeft er te weinig postzegels op gedaan. Hij besluit na wederom een woordenwisseling over twee weken te vertrekken. Zij laat hem gaan, regelt een reispas op het gemeentehuis voor hem, geeft eten mee voor onderweg naar Duitsland en hij reist per trein eerst naar de grens, dan naar Keulen en dan, is het plan, verder met een lokaal boemeltje. Deze laatste rijdt niet: Duitsland verkeert in een hevige crisis, het openbare leven is lam gelegd door een gierende inflatie. Wie eten wil kopen moet iets te ruilen hebben. Treinkaartjes worden niet meer verkocht. Hij besluit het laatste stuk dan maar te lopen en komt na allerlei avonturen met zwervers en bedelaars aan in het dorp. Hij herkent het en loopt naar de boerderij van de familie. Hij ziet haar met twee kleine kinderen bij zich en zij roept naar hem dat er niets te halen valt en dat ie zich weg moet scheren. Ze gaat naar binnen en komt even met haar hond en een jachtgeweer weer naar buiten. De hond Issie blaft, komt dichterbij en herkent hem dan en spring blaffend en kwispelend tegen hem op. Käthe herkent dan haar dood gewaande Vlaamse man Louis Blauwaert.

Hij blijft twee dagen op de boerderij, Käthe communiceert nauwelijks met hem, zij is hertrouwd en heeft twee kinderen van haar tweede man Rainer. Louis wordt ook door de anderen, behalve de hond Issie (Käthe’s ouders en Käthes man) slechts getolereerd. Hij slaapt in de hooiberg in schone lakens. De tweede nacht komt Käthe bij hem en ze slapen naast en tegen elkaar, praten weinig en vrijen niet. Als hij heel vroeg in de morgen wakker wordt is ze weer verdwenen en blijkt in de keuken zijn koffer, knapzak met eten en drinken voor onderweg klaar gezet te hebben. Hij begrijpt dat zij niet in staat is haar huidige leven overhoop te gooien en vertrekt aan het eind van de nacht, lopend naar Keulen.

Issie gaat echter met hem mee, maar de hond wordt na enige kilometers onrustig en gaat terug naar de boerderij: ook zij kan de boerderij en de mensen daar niet in de steek laten.

In Keulen koopt hij van zijn laatste Belgische franken een kaartje naar de grens. Verder komt hij niet. Dwalend in de regen vlak over de grens valt hij in slaap en droomt dat Juliette in de voering van zijn jas wat extra franken genaaid heeft. Hij wordt wakker, vindt de franken en kan een treinkaartje naar Kortrijk kopen.

Hij besluit tegen Juliette te zeggen dat Käthe niet blijkt te bestaan. Juliette is dolblij hem terug te zien en hij laat haar met haar leugen zegt dat Käthe niet bestaat en dat hij Amand Coppens is.

De alomtegenwoordigheid van de oorlog in Europa – macro en micro- heb ik al genoemd. De verdienste van dit boek is dat deze alomtegenwoordigheid in het leven van deze twee mensen heel indringend verbeeld en verwoord wordt.

Maar er is nog iets anders. De spanningen, botsingen, conflicten en hevige gevoelens van elkaar liefhebben en willen liefhebben van Juliette en Amand twee overlevenden, zijn zeer herkenbaar, ook al heb ik, lezer van dit boek,  de oorlog niet meegemaakt. In bijna elke woordenwisseling of gesprek voelde ik me als lezer partner of partij. Ik heb zelden zo’n empathisch boek over de relatie van twee mensen gelezen. Het lezen van dit relaas ontlokte zelfs wisselende emoties in mijn eigen bestaan in de weken dat ik het las. Daanje maakt mij zo duidelijk dat oorlogstrauma’s menselijke reacties en geen pathologische reacties oproepen bij de overlevenden. Over de stijl van dit schrijfwerk: er zijn lange zinnen en alinea’s die steeds met: En (toen).. beginnen. Er is geen treffender manier om een leeg geheugen opnieuw te vullen. In het hoofd van Amand is geen hiërarchie van grote lijnen en gebeurtenissen. Alles is nevengeschikt, zijn belevenissen met Juliette en de kinderen in Kortrijk (en met Käthe) worden noodzakelijkerwijs aan elkaar geregen als een kralenketting en eerst daarna kan er van onder- en bovenschikking en grote lijnen sprake zijn. Alles is belangrijk als je geen herinneringen hebt. Daanje heeft een groots en belangrijk boek geschreven.


[1] Abram de Swaan, Moord en de staat, Huizingalezing, december 2003

[2] Zo merkte Renate Rubinstein in Vrij Nederland destijds in 1982 verbaasd op dat uit de memoires van Yvo Pannekoek, een joodse arts uit Amsterdam ook een overlevende, juist naar voren komt dat Pannekoek gegroeid is van de oorlog.

Stemmen: een boek over het Concertgebouworkest

Het Concertgebouworkest bestond in 2013 125 jaar. Iedereen die een beetje van muziek weet, weet dat dit orkest tot de top van de wereld behoort samen met die uit Berlijn, Wenen en New York.

Het jubileum heeft dit orkest aangegrepen een uitgebreide wereldtournee te houden en daarbij alle werelddelen aan te doen. Voor een dergelijk groot orkest (+ 125 professionele musici en voor de staf daaromheen is zo’n tournee een gigantische operatie die jaren daarvoor al voorbereid moet worden.

Judith van der Wel reisde mee en trok meer dan een jaar intensief op met het orkest. Zij sprak musici, dirigent, muzikaal directeur, algeheel directeur, de verzorgers (“inspecteurs”), de boekhouder, de planners, de communicatiemedewerkers en leerde zo dit orkest, zijn mensen, zijn traditie, zijn werkwijze en zijn problematiek goed kennen. Alle gesprekken documenteerde zij en bracht deze onder in afzonderlijke hoofdstukjes van drie à zes bladzijden. En deze geven bij elkaar een rijk en zeer divers beeld van dit orkest.

Wat het boek vooral boeiend maakt is dat Van der Wel het licht laat vallen op allerlei onvermoede aspecten van het bestaan van het orkest en het leven van de musici. Het verschil tussen eerste violen en tweede violen en vooral ook tussen de betreffende musici. De eerste groep meer op de voorgrond, in de spotlights en de tweede groep die meer voor de harmonieën en sfeer in de muziek zorgen. Verschillende types musici. De slagwerksectie achteraan die soms weinig te doen hebben en tussentijds vroeger soms achter de gordijnen verdwijnen om …een sigaret te roken en wat te drinken. De ingetogen houtblazers[1] (hobo, klarinet, fagot) verschillen in veel opzichten van de meer masculiene, soms schetterende koperblazers. De Franse en de Duitse school bij de cello’s. En dan heb ik het nog niet over de concertmeesters en de dirigenten Mengelberg en Haitink verschilden hemelsbreed en deze waren weer zeer verschillend in vergelijking met Mariss Jansons, Daniele Gati[2] of Riccardo Chailly. Waar hard werken aan een ijzeren repertoire en internationale erkenning het levenswerk was van Mengelberg, liet Haitink het eigen warme karakter van het orkest meer uit het orkest zelf komen. Waar Haitink Brückner op de kaart zetten was Chailly vooral de vernieuwer met modern repertoire. Het orkest wordt aanvullend op eigen inkomsten gefinancierd door het rijk en de gemeente Amsterdam. In begin jaren negentig – het neoliberale beleid van Lubbers, Kok en Zalm wordt uitgerold over de collectieve sector – moeten zorg, onderwijs en cultuur meer marktgericht gaan werken. Het orkest stelt een commercieel manager aan, maakt werkt van communicatie en website, professionaliseert het personeelsbeleid en wordt in alles een organisatie waarin doordacht met mensen, geld en tijd wordt omgesprongen. Ik heb niet het idee dat dit het orkest slecht is bekomen of dat de muziek eronder geleden heeft.

Van der Wel legt nergens uit wat het geheim van het Concertgebouworkest behelst. Ik vermoed dat het gaat om de vraag hoe komt het dat dit orkest zo goed is (en dat al jaren zo is) en hoe komt dit orkest aan haar karakteristieke warme “sound”?

Haar boek geeft daar geen eenduidig antwoord op maar legt meerdere stukjes van een puzzel op tafel.

Bijvoorbeeld de selectieprocedure, waarin musici en niet de dirigent samen beslissen wie ze aannemen na enkele rondes voorspelen, waarvan de eerste keer blind, achter een gordijn. De musici komen daarbij de laatste dertig jaar uit steeds meer verschillende uithoeken van de wereld: China, USA, Australië, Zuid-Afrika, Frankrijk, Rusland, Noorwegen, Engeland, enz. Deze musici brengen natuurlijk ook allerlei verschillende “scholen” en opleidingsstijlen in dit orkest bij elkaar. Voor de individuele musici is spelen in dit orkest de hemel, hoger kun je niet reiken en deze musici willen maar één ding: dat zij zelf en het orkest nog beter worden. Er zijn musici die vrijwel elk vrij uurtje op hun instrument strijken of blazen, ook tijdens tournees.

Het reizen en de hotels tijdens zo’n wereldtournee moet heel vroeg goed geregeld worden. Orkestleden en hun instrumenten moeten mee en bij overstappen op een andere vlieglijn moet alles goed gaan anders komt een laatste repetitie in de zaal waar men morgenavond optreedt in gevaar. En dan spreek ik nog niet over de musici die een bepaalde nationaliteit en dito paspoort hebben die sommige landen daarom niet in mogen of daar op het vliegveld opgewacht worden om gearresteerd te worden vanwege eerder gedane uitspraken over het politiek systeem van dat land (van herkomst). Zo is er bijvoorbeeld uitgebreid gesproken over de vraag of het orkest een statement zou maken in Petersburg en/of Moskou over het wrede beleid jegens de lhbti-mensen in Rusland. Voor de homo’s in het orkest ligt dit zwaarder dan voor andere. Maar mag je een gastheer bruskeren?

Waar ik evenmin nooit eerder aan gedacht heb is dat er speciale relaties bestaan tussen sommige musici. Je hebt een vader en zoon en enkele echtparen, maar natuurlijk ook verliefdheden en affaires die daar ontstaan. Ook zijn er musici die ooit de docent waren van een jonge getalenteerde collega die in de loop der jaren de senior in kwaliteit en gewicht voor het orkest overstijgt.

Mariss Jansons moet plots op de tournee een concert afzeggen vanwege een crisis in zijn gezondheid. Gelukkig is er een (jonge) reserve dirigent meegereisd die het stokje – de baton- naadloos overneemt. Vrijwel alle cruciale posities in het orkest zijn dubbel bezet en de groep slagwerkers zijn bij traditie multi-instrumentalisten en heel goed uitwisselbaar.

Ik verwachtte het niet, maar er is ook een discussie over het aantal buitenlanders in het orkest. Het is te kort door de bocht om dit op te vatten als (beperkte) xenofobe gevoelens. Terwijl ik denk: hoe meer buitenlanders hoe beter, want hoe meer nieuwe en anders geschoolde professionaliteit in het orkest en daar wordt het orkest alleen maar rijker van, maakt een veelheid van buitenlandse musici de onderlinge communicatie, de sociale samenhang binnen het orkest moeilijker. Hoewel veel musici de Nederlandse taal leren, is communicatie vanuit verschillende culturele achtergronden niet steeds een verrijking. Humor, wat je wel of niet zegt, de inspraak van de musici, de autoriteit van de concertmeester of dirigent de lhbti-mensen in het orkest, jong en oud, enz. dit alles wordt ingewikkelder bij verschillende achtergronden.

De tournee is overigens op den duur niet alleen slopend. Het orkest doet ook bijzondere ervaringen op. Een voorbeeld. Men is gewend op tournee als het even kan een gratis openluchtconcert te verzorgen voor mensen die de dure tickets in een concertgebouw niet kunnen betalen. Zo geeft men gratis wat lessen aan het Cape Youth Philharmonic Orchestra in Kaapstad en bezoeken ze township Soweto voor een gratis openluchtconcert. De orkestleden worden op hun beurt bij aankomst getracteerd op een concert met dans door kinderen die zonder bladmuziek, uit hun hoofd, op eenvoudige instrumenten spelen. Voor de meeste musici een niet te vergeten kippenvelmoment: Vroeger kon ik zo recht uit mijn hart spelen, ik ben dat kwijtgeraakt.

Dit boek is een verrassend, boeiend en daarom waardig monument voor een orkest waar we zuinig op moeten zijn.

Judith van der Wel, Stemmen, Het geheim van het Koninklijk Concertgebouworkest, Querido Amsterdam, 2015


[1] In de jazz spreekt men van rietblazers.

[2] Dit boek is verschenen vóór het ontslag van Gati vanwege beschuldigingen van grensoverschrijdend gedrag.

Steeds vaker hoop ik dat iemand mij vindt

Over twee boeken van Marieke Lucas Rijneveld

In betrekkelijk korte tijd is Marieke Lucas Rijneveld een literaire grootheid geworden. Ze schrijft gedichten die sinds 2015 gepubliceerd worden. Haar eerste roman De avond is ongemak (Amsterdam, Atlas-Contact, 2018) is bejubeld in de vaderlandse pers. Vertalingen zijn uitgebracht en prompt ging de Internationale Booker Prize in 2020 naar de Engelse versie hiervanThe discomfort of Evening vertaald door Michele Hutchison.

Daarna verscheen in 2020 de roman Mijn lieve gunsteling ook bij Atlas-Contact, deze zou nog beter en mooier zijn dat de eerste roman. Zo’n ontvangst als beginnende schrijver komt niet vaak voor, reden genoeg om mijn nieuwsgierigheid te wekken en beide boeken te lezen.

De avond is ongemak verhaalt over een gezin rond de jongste eeuwwisseling op het platteland. Een boerengezin Mulder levend van een fikse veestapel, aangesloten bij en levend volgens de mores van de gereformeerde kerk. Er zijn vier kinderen, twee jongens en twee meisjes. Het verhaal is geschreven vanuit de positie van het meisje dat zichzelf Jas noemt. Zij heeft een zus Hanna en twee oudere broers, Matthies en Obbe. Wanneer Matthies bij een winterse schaatstocht in een wak rijdt en onder het ijs verdrinkt herstelt het gezin zich niet van deze klap. Jas, die sinds die tijd haar jas niet meer uitdoet laat zien hoe langzaam maar zeker het gezin desintegreert: het contact tussen ouders onderling en tussen ouders en kinderen wordt steeds minder. Vroeger zou men het woord ‘atomiseren’ hiervoor gebruiken. In plaats van elkaar te steunen en gezamenlijk het immense verdriet te dragen gaat ieder steeds meer een eigen weg. Moeder en vader hebben steeds minder contact, raken elkaar ook niet meer aan en moeder eet ook steeds minder. De drie kinderen voelen steeds meer verantwoordelijkheid voor het welzijn van hun ouders en zijn hun losheid en onbezorgdheid kwijt. De dreiging van straf van God is dagelijks voelbaar in het leven van de drie kinderen die intussen wel met alle lichamelijkheid en experimenten opgroeien in een leven dat verdoemd is. De kinderen zijn nog het meest natuurlijk en gewoon in dit gezin. Jas mist haar overleden broer, deelt geheimen met zus Hanna en maakt samen met haar het grote Plan om er vandoor te gaan naar de overkant van het water, over de brug. De Overkant krijgt in het boek steeds meer een mythische lading: daar wacht de verlossing en zij zijn vastbesloten daar ooit heen te gaan. Zij ontdekken hun lijf en alle gaten die daarbij horen en onderzoeken met (hun broer) de grenzen van gewelddadigheid jegens dieren (een dwergkonijn, een hamster en een haan moeten het ontgelden). Als de boerderij getroffen wordt door de MKZ-crisis en de veestapel geruimd moet worden is dit de genadeklap voor het gezinsverband. Obbe verwijdert zich van zijn zussen die steeds meer alleen komen te staan net als hun ouders. De aankondiging van nieuwe koeien komt voor het gezin te laat. Jas blijkt niet in staat het verbond met zus Hanna voldoende te vertrouwen ze is bijvoorbeeld doodsbang als Hanna op een winterse dag de schaatsen onder bindt voor een schaatstocht. Ze gaat uiteindelijk haar broer Matthies achterna door zich, met haar twee padden in de vrieskist in de kelder op te sluiten. Ze komt nooit aan de overkant.

De eenzaamheid weet Rijneveld heel goed te verwoorden, haar zinnen zijn mooi van eenvoud en vanzelfsprekendheid. Jas vecht er steeds meer voor niet uit elkaar te vallen, niet te desintegreren. Ze is daarbij in de eerste maanden gericht op anderen voor hulp en erkenning – ik hoop dat iemand mij vindt. Later beseft ze dat ze alleen nog zichzelf kan hebben en eens naar zichzelf terug wil. Als teken daarvan steekt ze een punaise in haar navelbobbel, daarbinnen is haar doel en niemand mag het weten. Rijneveld is overtuigend in het verwoorden en verbeelden van hoe kinderen een dergelijk verlies beleven, hoe kinderen hun ouders beleven en hoe ze beleven dat zij in de puberteit komen. Mythen, associaties, verbindingen tussen binnen- en buitenwereld die voor kinderen heel gewoon zijn, aangevuld met veel bijbelse dreiging, maken dat het heel gewoon is wat Jas doet. Rijneveld doet dit heel knap, vooral doordat zij het genoemde associatieve denken van kinderen zeer aannemelijk en waarheidsgetrouw brengt. Rijneveld is haar kindertijd niet vergeten en dat levert mooie kinderlijk-volwassen zinnen op.

Mijn lieve gunsteling uit 2020 gaat over mensen uit hetzelfde gelovige milieu van veehouders. Ook hier is een gezin met opgroeiende pubers, hier zijn het er twee. De vader is veehouder en communiceert weinig met zijn twee kinderen; zijn vrouw is ooit naar Stavanger vertrokken en wordt hier geregeld genoemd als de verlatene waaromheen een ijzige stilte hangt. Het gat dat haar vertrek in het gezin veroorzaakte is voelbaar. Daarnaast is er nog een niet-meer-iemand aanwezig: de verlorene, een kind dat met een verkeersongeluk om het leven is gekomen Ook hier resulteert dit drama, net als de MKZ-crisis in het eerste boek, dat de drie gezinsleden als drie eilandjes naast elkaar leven en geen contact hebben. Geatomiseerd.

Het onbesprokene heerst ook in dit gezin. Je voelt als lezer de oorverdovende stilte.

Centraal in deze roman staan echter de veearts van dit veehoudersgezin en de 14 jarige dochter. De eerste is na seksueel misbruik door zijn moeder, niet in staat een relatie aan te gaan en te onderhouden met een volwassene. In zijn beroepsleven heeft hij tijdens de MKZ-crisis moeten meemaken dat hij een veehouder ontdekte die zich verhangen had, een gebeurtenis die ook in het eerste boek voorkomt. De veearts zonder naam – de dochter van de veehouder noemt hem Kurt- is gefascineerd door opgroeiende kinderen, meisjes van dertien met een nog ontluikende seksualiteit. Zijn “lieve gunsteling” is de dochter van de veehouder, die eveneens geen naam krijgt in dit boek, die volop bezig is met de verschillen tussen jongens en meisjes en met wat volwassenen met elkaar doen in bed. Zij is gebiologeerd door penissen van jongens en van allerlei soorten dieren. Zij wil ook zo’n jongens-“gewei”, een woord dat Rijneveld van Gerard Reve leent. De veearts is gek van haar en belooft haar een gewei. Het relaas van deze twee, die vooral op initiatief van de veearts een onmogelijke relatie aangaan, wordt achteraf vertelt door de veearts, als zijn vrouw het huwelijk al beëindigd heeft. Hij vertelt in lange zinnen, waar de ene na de andere bijzin en vervolgzin door komma’s aan elkaar geregen worden, een werkwijze die Rijneveld ook in haar eerste roman toepast, de achtereenvolgende geheime gebeurtenissen die tussen deze twee plaats vinden. De kusjes, het aaien, de aanschaf van een matras voor achterin de Fiat, de vermoedens van zijn vrouw, de verterende jaloezie van de veearts als het meisje verkering krijgt met zijn enige zoon, de woede van zijn vrouw, de kinderlijke, ook hier magische, fantasieën van het meisje, haar gesprekken met Hitler en Freud, haar hoofdrol en schuld in de aanslag op de Twin Towers, alles komt tot ons via de veearts die als een bevlogen journalist zeer uitvoerig verslag doet tot de breuk tussen die twee en zijn arrestatie. In dezelfde tijd valt het gezin van de veehouder uit elkaar en kan het meisje een reeds sluimerende carrière als zangeres van een popband starten.

De beide boeken zijn niet alleen door dezelfde schrijver geschreven, maar ook aan elkaar verwant door de keuze van hetzelfde gelovige veehoudersmilieu en de beginnende puberteit van beide hoofdrolspelers. Rijneveld presenteert in beide boeken hele mooie, beeldende zinnen die op overtuigende wijze de denk-, leef en gevoelswereld van jonge pubers die nog weinig nuances maar veel absoluutheden kennen. Deze boeken brengen bij mij de herinnering terug aan de sfeer die ook in mijn puberteit aanwezig was. Rijneveld ontvouwt in beide boeken de stilte, de leegte en het onbesprokene die rond familiedrama’s kunnen ontstaan. Zij sc hrijft vanuit de optiek van het kind en van de veearts. De zwijgende ouders zijn in De avond is ongemak en de zwijgende norse vader in Mijn lieve gunsteling is vanuit het perspectief van volwassenen minder overtuigend: mijn generatie heeft geleerd te praten over wat ons bezig houdt. Rijneveld schetst zodoende een beklemmende sfeer in het milieu waarin zij opgroeide, met een ongeloofwaardige kant: de stille ouders.

Hoeveel waarheidsgehalte dit beeld heeft weet ik niet. Als zij door te overdrijven dergelijke boeken weet te maken, is de vraag naar de sociologie en sociale psychologie van het milieus van de intensive veehouderij wellicht van minder belang.

Ik moet nog wel opschrijven dat het eerste boek mij tot de laatste bladzijde in zijn greep had. Maar bij Mijn lieve gunsteling, verloor ik kort na de eerste helft van het boek langzaam maar zeker mijn belangstelling. Het brandende verlangen van de veearts kwam steeds in andere toonaarden terug en op een gegeven moment was dit voor mij genoeg en voegden nieuwe uitweidingen daarover niets meer toe. Toen liet zich ook wreken dat het verhaal vanuit de veearts geschreven is: bekend met alle uithoeken van zijn verlangen naar haar kwam het voorwerp van zijn verlangens steeds verder van hem en van de lezer af te staan. Zij werd stiller en eigenlijk steeds meer het object van het handelen en de fantasieën van de veearts en steeds minder subject. Net als Jas uit het eerste boek is ook de Gunsteling steeds minder gezien. Dit verwijderingsproces duurt te lang voor mijn gevoel en is ook minder creatief beschreven door Rijneveld. Kortom ik was klaar met dit boek voordat ik het uit had.

Een rebelse jeugd in de kop van Noord-Holland

Over:

Kees Looijesteijn, Rebel tussen tulpen, De voorbeeldige jeugd van Kees Looijesteijn, Anna Paulowna, 2019 (€ 35)

Kees Looijesteijn was in zijn jeugd dorpsgenoot. Hij was van een jaar later (1953) en zat daarom niet bij mij, maar een klas later op dezelfde katholieke St. Janschool te Breezand in de Kop van Noord-Holland. Ik was niet met hem bevriend, maar kende wel zijn gezicht van het schoolplein. Waar ik me tussen al die jongens en meisjes, de school telde meer dan 300 kinderen, op de achtergrond hield, trok hij geregeld de aandacht van de juf of meester. Hij had branie. Zo moest zijn voorkomen wel in mijn herinnering zijn bewaard.

Na de LTS in Den Helder en de MTS (elektrotechniek) in Alkmaar werkte hij van 1974 twee jaar in Peru via de SNV als ontwikkelingswerker met de taak het technische onderwijs daar verder te brengen. Na twee jaar Peru sluit hij deze periode af met een reis, samen met zijn vriendin door Zuid-Amerika en keert terug naar de Anna Paulowna polder. Hij wordt gekozen in de gemeenteraad voor de PvdA, wordt later wethouder en wordt bij zijn afscheid als gemeentebestuurder in 2002 geridderd en ereburger van Anna Paulowna. Hij was toen bijna vijftig en heeft zijn verdere jaren onder andere kunnen besteden aan de fotografie, ook in zijn jeugdjaren al zijn hobby. (Zie voor zijn werk: www.looijesteijn.nl.)

Nu hij net als ik ver in de zestig is, heeft hij een poging ondernomen zijn persoonlijk fotomateriaal te ordenen en maakte er voor zijn nageslacht bijschriften bij. Deze bijschriften werden uitgebreid tot verhalen en verhaaltjes en zo ontstond dit boekwerk.

Van het bestaan van dit boek hoorde ik van mijn jongste broer en toen de tweede oplage beschikbaar kwam heb ik het gekocht.

Ik heb het met plezier gelezen, veel herinneringen zijn weer boven komen drijven.

Zoals gezegd kende ik Kees van gezicht en heb nooit iets met hem te maken gehad, althans voor zover mijn herinnering strekt. Maar op de vele foto’s herkende ik het Ceresplein en het badhuis (o.a. zijn ouderlijk huis), de Zandvaart, de katholieke kerk en nog veel meer en herkende ik hem ook van de foto’s. Dat hij lef had en vanaf zijn geboorte een rebel was maakt hij duidelijk aan de hand van de vele verhaaltjes en avonturen uit zijn kindertijd en jeugd die hij opdient. Al lezende verovert hij mijn hart alsnog, omdat hij als kind al niet bang was om streken uit te halen en schopte tegen de toen (jaren zestig-zeventig) afbrokkelende (machts-)verhou­dingen in het dorp. Met terechte trots beschrijft hij zijn avonturen en geeft intussen een boeiend inkijkje in het leven van kinderen en jongeren op het platteland van Noord-Holland in die jaren. Zo passeren de H. Hart-bijeenkomsten op de eerste vrijdag van de maand op de katholieke St. Janschool, het driftige slaan van lastige kinderen door Evert Ligteringen het hoofd van de school, de eerste kinderprogramma’s op de televisie, de winter van 1962-63 waarin hij met twee anderen bij een schaatstocht door een nauwe duiker kruipt in de verwachting dat het water overal stevig bevroren is, het dagelijks fietsen naar Den Helder voor de LTS, het drinken en de vrijages op de kermis in juli, de dansavonden in zaal Bloemenlust, het zwembad in en het waterskiën op de plas het Oude Veer. Ik had nog meer herinneringen die geactiveerd werden: de kranten en de tv over de Kennedy’s en de burgerrechtenbeweging van dominee King, de oorlog in Vietnam, provo, de jantjes die de Dam schoonvegen, de jongelui (“nozems”) die voor zaal Bloemenlust met hun brommers stonden te pronken.

In de tweede helft van jaren zestig breekt zijn maatschappelijke betrokkenheid en politieke interesse door, leest de krant uitgebreider, kijkt naar het Journaal en wil in 1971 dat de jongerenvereniging van de kerk meer dingen doet dan een ontmoetingsplek met veel bier te zijn voor de jongeren van de parochie. Met een bevriende makker probeert hij in het bestuur van deze jongerenvereniging (‘De Aap’) verkozen te worden hetgeen door het kerkbestuur geblokkeerd wordt. Een fikse dorpsrel ontstond. Bij de andere jongerenvereniging van Anna Paulowna is hij welkom en organiseert samen met anderen allerlei activiteiten: film- en informatieavonden, een discussieavond vóór de Tweede Kamerverkiezingen, maar ook bijvoorbeeld activiteiten voor bejaarden. Intussen is hij ook gaan fotograferen, en paar blijken van zijn kunnen staan afgedrukt in het boek.

Dit boek is een zeldzame combinatie van met foto’s verluchtigde persoonlijke herinneringen en brokjes lokale geschiedenis. Omdat ook ik in dat dorp opgroeide is veel zeer herkenbaar en leuk om te lezen.

Van de passages die mij bij het lezen zijn opgevallen, wil ik enkele noemen.

Op de eerste plaats noem ik het grote aantal verkeersongelukken door jonge hardrijders die hun overmoed (soms na veel drinken) met de dood moesten bekopen. Kees noemt er een stuk of zes, uit een tijdsbestek van ongeveer vijftien jaar. In sommige gezinnen was het vaak blijvende leed niet te overzien. Zelf is hij ooit ook aan de dood ontsnapt.

Kees laat met een heldere blik zien dat ook in een dorp als Breezand de sociale lagen voelbaar aanwezig waren. Klassenverschillen kookten je schoolloopbaan voor en bepaalden bijvoorbeeld ook de banden van kinderen onderling. Kinderen van vooraanstaande bloembollenkwekers en van enkele notabelen rondom het kerkbestuur gingen zelden naar de LTS of huishoudschool, maar naar het toenmalige VWO (HBS, MMS of gymnasium). Heel goed lerende kinderen van gewone gezinnen konden maximaal uitzien naar de MULO (zoals ikzelf meemaakte). Bij de invoering van de Mammoetwet in 1968 is een poging ondernomen de vroege selectie, direct na de lagere school, uit te stellen. De invoering van brugklassen en de Middenschool (intussen allang weer opgeheven) hebben 50 jaar later echter hun doel niet bereikt.

Na de LTS gaat Kees naar de MTS in Alkmaar. Daar komt zijn dorst naar kennis, ook praktisch, tot bloei. Hij slaagt aan het eind met prachtige cijfers. Hij komt daar een leraar tegen die een belangrijke rol speelt in zijn persoonlijke ontwikkeling. Dit is heel herkenbaar. Het komt veel vaker voor dat een specifieke leraar belangrijk is voor je ontwikkeling en latere loopbaan. (Voor mij was dat een leraar van de HBS. Ik ben hem nog steeds dankbaar.)

Kees behoorde niet tot de mijne en ik niet tot zijn kring, ik heb kortom veel van zijn avonturen niet meegemaakt of maximaal van horen zeggen. Er zijn wel een paar raakvlakken aan te wijzen. Ook ik trok vanaf mijn zestiende ongeveer met de jongens en meisje van Doedens en met Piet Langeveld op. Van dit gezelschap zijn er bijvoorbeeld vier naar het Popfestival in Kralingen, juli 1970 geweest. Tegen de tijd dat Kees en zijn vriend Geert-Jan (als ik mij niet vergis noemt hij zich al heel lang: ‘Adang Somchai’) Preyde en nog enkelen aansloten was mijn tijd gekomen om mijn studie in Nijmegen aan te vatten en vertrok ik uit de polder. Het café ‘De Vlas- en Korenbeurs’ aan de Spoorput bezocht ik ook. Op een foto in het boek zag ik tante Agaath terug, die in dat café daar de scepter zwaaide. Haar man Jeroen (afkomstig uit Noordwijkerhout) ben ik mijn leven lang dankbaar voor een verhaal dat hij mij vertelde over mijn opa (die ik nooit gekend heb) en zijn losgebroken hengst.

Het zonder veel omhaal neerschrijven van persoonlijke herinneringen, hij heeft ze door enkele meelezers op waarheidsgetrouwheid laten controleren, is moedig in de sfeer van zo’n klein dorp (waar hij nog steeds woont), temeer daar hij bepaald geen brave jongen was. Het biedt op deze manier een wat bredere blik op mijn eigen jeugd en wellicht ook op die van anderen.

februari 2021

Over Philipp Blom, De duizelingwekkende jaren

De duizelingwekkende jaren, Europa 1900-1914, Amsterdam, de Bezige Bij 2009, oorspronkelijk The Vertigo Years, London 2008.

Philipp Blom is een soepel schrijvende Duitse historicus die zich tot nu toe vooral met Europa in de eerste helft van de twintigste eeuw bezighoudt. Dit boek gaat over de jaren rond de eeuwwisseling en daarna tot aan 1914. Hij gaat met zijn hoofd naar dat tijdperk terug en verhaalt over wat er gebeurde. Hij gebruikt daarbij geen onderzoekingen en analyses achteraf maar baseert zich op informatiebronnen uit die tijd. Deze aanpak maakt dat je al spoedig de paragrafen en hoofdstukken leest alsof het nu gebeurt. Je vraagt je steeds af: hoe gaat dit verder? De gekozen aanpak maakt dat dit boek geen dorre geschiedenis is, maar, ik kan niet om het cliché heen, levend verleden.

Hoe kan ik kort een boek beschrijven waarin een wirwar van culturele, economische, sociale, sportieve, technische, wetenschappelijke, politieke, kunstzinnige, infrastructurele en ook militaire ontwikkelingen om de aandacht vragen en over elkaar heen buitelen, d.w.z. elkaar beïnvloeden en veranderen? En waar te beginnen? Is er een rode draad en waarom zou die er moeten zijn?

Wij weten dat in 1914 een grote catastrofe begon met een aanslag in Servië en wij hebben vanzelfsprekend de neiging dit tijdperk in dat licht te zien en allerlei gebeurtenissen als voorafschaduwing daarvan of factor daarnaar toe te herkennen. Ongeveer zoals sommige tegenwoordige beschouwers de laatste jaren van de 20ste eeuw en het eerste tiental jaren van deze eeuw begrijpen vanuit de aanslag op de Twin Towers in New York in september 2001. Maar net als wij nu deze aanslag een plek geven en ons maatschappelijke en politieke leven niet door laten bepalen, zijn er geen heldere factoren aan te wijzen die noodzakelijk tot WOI leidden, althans Blom wijst ze niet aan. Op de wereld vinden onnoemelijk veel elkaar beïnvloedende processen van allerlei aard tegelijk plaats. Dat gebeurt nu en gebeurde een eeuw terug ook. Wat er volgende week gebeurt en wat er uit de huidige (corona)tijd voortvloeien weten wij niet en de mensen van toen wisten het ook niet.

Er gebeurde destijds van alles. Het echtpaar Curie ontdekte radioactiviteit en stond aan de wieg van röntgen-toepassingen in de gezondheidszorg. De luchtvaart groeide uit tot een volwassen reismogelijkheid naast de eveneens snel in aantal groeiende fietsen, automobielen en spoorwegen, die bovendien ook steeds sneller gingen. Mensen begonnen zich meer te verplaatsen en reisden verder.

De industrie produceerde niet meer alleen productiegoederen maar ook veel meer consumptiegoederen voor weliswaar toen nog een beperkte clientèle, de meeste mensen hadden weinig geld. Steeds meer kwamen er machines die menselijke arbeid verlichtten, overbodig maakten of fabrieksarbeiders degradeerden tot verlengstuk van die machines. Film, telefonie en fotografie kwamen op grotere schaal hun bijdrage leveren aan het moderne, snellere leven. De bovenlaag van de Europese samenlevingen kon ook kennis maken met nieuwe stromingen in de beeldende kunsten en literatuur. Tenslotte moet naast het vele niet genoemde nog melding gemaakt worden van de opkomst van de vrouwenbeweging, met eisen op het gebied van onder meer de gezondheidszorg, onderwijs, gezinsplanning en volledig kiesrecht.

Het duiden van al deze ontwikkelingen van die tijd is kortom, ook achteraf, geen sinecure en niet te doen als je je verplaatst naar die tijd. Er gebeurt van alles en soms lijkt toeval een rol te spelen. Al lezend vroeg ik me af wat er gebeurd zou zijn als enkele politici in London, Parijs, Petersburg, Berlijn en Wenen wat ruimhartiger en wat verstandiger waren geweest. En dat ‘verstandiger zijn’ betrof natuurlijk op de eerste plaats Bismarck die als Rijkskanselier de Frans-Duitse oorlog van 1870-71 met een overwinning afsloot in het Paleis van Versailles met de kroning van de eerste Duitse keizer en met naast deze ontheiliging ook nog de voor Frankrijk vernederende vredesvoorwaarden. Zo maak je geen duurzame verbindingen tussen landen. Ook de Tsaar en zijn hofhouding kon verstandiger zijn want niet alleen in de oorlog met Japan verslikte Rusland zich danig – het eigen leger was veel zwakker en dat van Japan veel beter. De enige minister van de tsaar die bekwaam was, hard werkte en van veel zaken verstand had mocht het vredesverdrag met Japan maken. Toen deze Sergej Witte ook over de binnenlandse politiek en de hofhouding van de tsaar zijn rake gedachten openlijk uitte, kon hij vertrekken. Vervolgens verslikte het tsaristische bewind zich ernstig aan de gevolgen van hun eigen wrede, onderdrukkende, binnenlandse politiek die weinig ruimte liet voor de burgerij zich te ontwikkelen en te ondernemen en helemaal geen ruimte liet aan de loonslaven in stad en platteland die in kommervolle omstandigheden voor zeer weinig geld zeer veel moesten leveren, in bovendien vaak zeer gevaarlijke arbeidsomstandigheden. Van elke prachtige basiliek in Petersburg kun je je bijvoorbeeld afvragen hoeveel werklieden bij de bouw met ongelukken het leven lieten en hun gezin zonder inkomsten alleen moesten achterlaten. En dan heb ik het nog niet over de domheid van Churchill die zich bijna brandde aan een akkefietje met Duitsland en Frankrijk of aan de bruut Leopold II van België die op staatskosten de Kongo roofde en vermoordde. Hoe zou het kortom gelopen zijn als men met de kennis van toen, wat beter had nagedacht?

Eén lijn in de veelheid aan ontwikkelingen neem ik hier even apart. Blom constateert dat door de vele vernieuwingen het traditionele beeld van wat een man idealiter moet zijn begon af te brokkelen. In de industrie waren minder sterke mannen nodig omdat machines die niet moe werden het werk overnamen. Vrouwen begonnen steeds vaker op te staan, hun plaats in te nemen in de economie, dorp, stad en samenleving, wetenschap en cultuur en hun rechten op te eisen als staatsburger. De vanzelfsprekendheid dat mannen met verstand en kracht superieur zijn en daarom steeds de leiding moesten hebben in gezin, boerderij, bedrijf, leger, ziekenhuis, klooster, kerk en staat, brokkelde af. De eerste feministische golf uit die tijd stuitte op fel verzet. Vrouwen die gezinsplanning, onderwijs en gezondheidszorg vroegen en later eísten, stonden aan veel persoonlijke gevaren bloot. Tegelijkertijd probeerden veel mannen het afbrokkelende beeld van “de” man te herstellen met snelle sporten (wielrennen, autoracen) en met krachtsporten, met een overdaad aan militair vertoon, ook gewoon op straat, en met bijvoorbeeld het cultiveren van mannelijke symbolen als het dragen van een snor, laarzen, roken van sigaren en nog meer.

Blom constateert een groeiende aandacht in die tijd voor zenuwziekten -toen neurasthenie genoemd- en de daaruit voortvloeiende opkomst van de psychiatrie (Freud) en van rust- en kuuroorden zoals beschreven door Thomas Mann in De Toverberg. Beide vormen van zorg waren uiteraard uitsluitend toegankelijk voor een kleine welvarende bovenlaag. (Een gewone werkman moest maar wennen aan stress en kon slechts naar de drank grijpen.) Blom verklaart de opkomst van deze zorg uit de toegenomen snelheid bij al het menselijk handelen die mensen zenuwachtig maken en die gezonde rust, aandacht en toewijding steeds meer onder druk zetten. Hij ziet het ook als een gevolg van de zojuist aangestipte crisis in de mannelijkheid.

Er zijn al meer studies verschenen over het verband van militairisme en het vieren van mannelijkheid. Het is me te gewaagd om het militaire tromgeroffel, bijvoorbeeld bij de opbouw van de Duitse en de Britse zeemachten in die jaren, bij de wederopbouw van het Franse leger en de latere oorlog zelf linea recta te verklaren uit een compensatie voor de teloorgang in heel Europa van de mannelijke glorie. Maar ik heb wel zo’n donkerbruin vermoeden dat het in allerlei landen op veel cruciale momenten de mannelijke eer en de wil om te heersen een niet geringe rol speelden. In die zin is de WOI wellicht te beschouwen als de laatste keer dat de heren van de aristocratie erin slaagde het voetvolk in Europa te mobiliseren en zich dood te vechten in loopgraven ter meerdere eer en glorie van vorsten, admiraals en generaals uit diezelfde (historisch achterhaalde) aloude bovenlaag.

Blom noemt nog een andere lijn die niet ongenoemd mag blijven. Hij ziet in deze jaren een bloei van allerlei levensbeschouwelijke stromingen die zich richten op eenvoud, natuur, intuïtie en emotie en nationale zuiverheid. Blom ziet dit als reactie op de voortgang van wetenschap en kennis en de toegenomen rationaliteit en efficiency in het maatschappelijke en economische verkeer. “Een zoektocht naar oude zekerheden was het gevolg, naar mystieke waarheden, een fascinatie met het onbewuste, een verheerlijking van geweld, spontane actie en oorlog, een angstig vertoon van mannelijkheid en viriele kracht.” (p.513) Er ontstond, tot in Rusland, iets als een contra-Verlichting, een restauratie van het irrationele en het metafysische, dat de meest uiteenlopende vormen aannam: militair nationalisme, theosofie, esoterie, weer oplaaiend antisemitisme, terug naar de natuur-bewegingen, bloed-en-bodem waanzin. De cultus van de redeloosheid, noemt Blom het. Dit is een krachtig stempel.

Het was een genot dit boek te lezen, ik waande me soms terug in die tijd. De aanpak van Blom werkt. En inderdaad, men had destijds wat meer zijn verstand moeten gebruiken.

Januari 2021

Over de autobiografie van Simeon Ten Holt

Simeon ten Holt uit Bergen (N-H) is een Nederlandse componist die een belangrijke rol speelde in de Nederlandse muziekwereld van de vorige eeuw. Hij werd bij het grote (?) publiek bekend met een avondvullend werk uit de jaren zeventig: Canto Ostinato.

In 2009 publiceert hij zijn autobiografie die ik onlangs las.

Ten Holt houdt jaren zijn dagboek bij, niet stelmatig elke dag maar toch zo frequent dat hij er voldoende materiaal in terug vindt om zijn geheugen aan te vullen en terugblikkend (bij publicatie is hij 86 jaar) een boek te schrijven over zijn leven.

Is het leven van deze componist de moeite waard er een boek aan te wijden? Het leven van een timmerman, een onderwijzeres of van wie dan ook is op zich de moeite waard voor een (auto)biografie. Of het resulterende boek steeds van waarde is hangt ervan af hoe het geschreven is. Een boeiend leven betekent nog geen boeiende (auto)biografie.  Ten Holt is een machtig interessante componist die naast het genoemde Canto veel meer werk geschreven heeft voor piano vooral en daarbij niet eenkennig was in de seriële (kortweg twaalftoons muziek) dan wel in de tonale muziek (meer “gewone” muziek gecentreerd rond een of enkele basis).

Ik was nieuwsgierig naar deze man en vooral naar hoe een componist leeft en (werk)contacten onderhoudt.

Ten Holt beschrijft zijn leven en kindertijd in Bergen, een kunstenaarsdorp. Wat opvalt is dat hij het bijzondere van zijn situatie dat er thuis een piano is, dat hij zich aan muziek kan wijden en pianoles krijgt van een min of meer vooraanstaand componist (Van Domselaer). Zijn ouders stammen uit welgestelde families, dat verklaart het een en ander. Vader was kunstschilder en bewoog zich in het artistieke wereldje van Bergen. Geen woord echter over dat dit een bijzondere situatie is voor een gezin tussen de twee wereldoorlogen. Hij maakt zich in zijn verdere leven ook nergens druk over zijn levensonderhoud, dat is een kunst op zich, althans hij schrijft er nergens over.

Als hij in 1942 in de oorlog naar Amsterdam verhuist is het volstrekt normaal dat hij over een (Bechstein) vleugel beschikt die naar boven gehesen moet worden en hij zich zijn levensonderhoud niet eens noemt als kwestie. Een weldoener uit Bergen blijkt hem financieel te ondersteunen.

Is zijn leven één langdurige en soms monomane dienst aan de muziek en dicteert dit zijn verknochtheid eraan zijn leven of leeft Ten Holt zijn leven en maakt hij daarin voornamelijk muziek, dat is de vraag die dit boek voortdurend oproept. Ik maak in deze bespreking enkele opmerkingen over deze vraag, niet over zijn muzikale ontwikkeling en componeertalenten.

Muziek lijkt hem heilig. En vrouwen. Hij ontmoet in Amsterdam Riet waarmee hij een heftige relatie begint, hij trouwt met haar in juli 1944 en zij krijgen in 1946 een kind, dochter Marijn. Hij gaat samen met zijn zus in 1949 naar Frankrijk om daar nieuwe ideeën op te doen voor zijn muziek. In zijn levensverhaal staat hij uitgebreid stil bij de artistieke (muzikale) overwegingen om naar Parijs te gaan, namelijk om nieuwe inspiratie op te doen en andere vakgenoten te ontmoeten, maar besteed hij geen woord aan het plotse opbreken van zijn huwelijk en laten zitten van Riet en dochter. Contacten en relaties zijn ondergeschikt aan zijn muzikale missie. Onbegrijpelijk voor mij als lezer, totdat ik wat verderop merk dat zijn liefdesleven in combinatie met zijn muzikale ontwikkeling voortdurend het wisselen van partners met zich meebrengt. In zijn hele leven heeft hij een stuk of zes betekenisvolle relaties met vrouwen die opbloeien en vervolgens uitdoven. Zijn componeren en muzikale praktijk heeft minstens zoveel periodes waarin steeds de samenwerking met een persoon, of werk aan een groot stuk centraal staat. Zo verlaat hij begin jaren zeventig de seriële aanpak, en gaat terug naar de tonaliteit. Korte tijd later besteed hij jaren veel tijd aan de elektronische muziek op het Utrechtse instituut voor Sonologie. Dan weer staat een tijdje het werk aan Canto Ostinato centraal. En steeds opnieuw blijft het kunstenaarsdorp Bergen de plek waar hij terug keert en zich thuis voelt. Hij laat daar op zeker moment een gebouwtje opknappen en herinrichten dat hij de naam ‘de bunker’ geeft en waarin hij in afzondering kan werken en leven.

Soms schrijft hij daarbij hoe hij werkt aan een stuk. Zeer frappant vond ik te lezen dat volgens Ten Holt een muziekstuk zijn eigen wetten en structuur en bijzondere details kent en dat de componist een dienaar is die ze blootlegt en opschrijft.

Bij het ouder worden groeit bij hem het belang van contacten onderhouden met vrienden, met pianisten die zijn werk vertolken, broers en zus en dorpsgenoten van Bergen. Steeds vaker moet hij melden dat iemand doodziek is en sterft. Tegelijkertijd begint het werk aan zijn autobiografie, zo lijkt mij, méér van hem te vragen dan hij waar kan maken: steeds meer worden hele stukken uit zijn dagboeken een op een in zijn autobiografie opgenomen en verliest het boek daarmee voor mij zijn aantrekkelijkheid. In een autobiografie heb je de kans terug te blikken op je leven en opnieuw te verwoorden wat zekere gebeurtenissen voor betekenis hebben gehad. Met het opnemen van dagboeknotities stijg je niet uit boven de gedachten die je op dat moment verwoordde en ontbreekt het contemplatieve weegmoment achteraf.

Al met al is deze autobiografie een gemiste kans om datgene wat de componist dreef, boeide en verder bracht te overdenken en lezers daarin te laten delen.

John Heymans heeft in 2019 een biografie over Ten Holt gepubliceerd, Arabesk (Uitgeverij IJzer), misschien dat dat boek meer begrip opent naar leven en werk van Simeon ten Holt.

Simeon ten Holt, Het woud en de Citadel, Balans, Amsterdam, 2009.