14 juni

Bij binnenkomst staat het programma van de morgen op het bord geprojecteerd: zelfstandig sommen maken uit het rekenwerkboek. Ik geef elk kind zoals gebruikelijk een hand en vraag aan een enkeling die er moe uitziet hoe laat het gisteravond bedtijd was. Er zijn drie kinderen afwezig, waaronder de jongen die vorige week zijn broer verloor.

Sommige kinderen volgen een plus-programma en maken moeilijker sommen. Meester Sjoerd kijkt een cito-toets taal na en ik loop door de klas om kinderen waar nodig te helpen.  Het zelf aan de slag gaan is voor sommige kinderen een zegen, zij kunnen in eigen tempo oefenen met sommen en hulp vragen als zij er niet uitkomen. Als een kind zegt: “ik snap deze som niet”, antwoord ik steevast: “wat van deze som snap je niet?” Ik hoop daarbij dat dit het begin is van dat het kind probeert te ontdekken waar de knoop zit en dit aangeeft. Ik probeer te ervoor waken zelf in te vullen waar de moeilijkheid in zit, maar ik ga toch geregeld de fout in door zelf met een aanpak te komen. Een paar stellen kinderen werken samen, echter niet altijd om beter te kunnen werken. En altijd zijn er wel een paar die ik aangeef verder te werken.

De sommen waar de kinderen aan werken zijn zeer verschillend. Het gaat bijv. om met een beperkt aantal soorten munten (5c, 10c, 20c en 50c) een bedrag te vormen of omgekeerd een bedrag op te delen in een aantal munten. De meer zware hersenbrekers zijn sommen waarbij, vooruitlopend op de algebra van de middelbare school, getallen aan bepaalde symbolen moeten worden gekoppeld.

Door vergelijkingen te combineren kun je de gevraagde getallen vinden. Een paar vinden het heerlijk om deze vraagstukjes uit te puzzelen. Tijdens het fruit eten vlak vóór de pauze laat meester Sjoerd het Nieuwsbegrip-item van het jeugdjournaal zien. Het gaat over het Europese kampioenschap voetbal.

De pauze buiten op de speelplaats kent wederom enkele incidenten. Tijdens de pauze heb ik een kort gesprek met meester Klaas over de landelijke aanpak van het tekort aan leerkrachten in het basis- en middelbaar onderwijs. Goede, sterke leerkrachten voor scholen als deze moet je met een lampje zoeken. Hoe krijg je deze mensen zo ver te kiezen voor een bijdrage aan scholen waar veel moet gebeuren?

Na de pauze bespreekt meester Sjoerd de incidenten met de klas. Kinderen die klagen over het gedrag van een ander krijgen eerst de vraag: “wat deed jij zelf?” of “Als jullie het zelf niet konden oplossen met woorden, waarom kwam je dan niet naar mij?” Meester Sjoerd is hier streng in.

Na dit gesprek begint meester Sjoerd met een dictee. Het gaat o.a. om de woorden: reis, kwijt, spijt, feestje, foto, kieuwen, dicht, bocht, nacht, schram. Ik kijk intussen een taaltoets na, waarbij getoetst wordt of de kinderen enkele teksten goed begrijpen.

Bij het nakijken valt mij op dat in het werk van een aantal kinderen er wisselvalligheid te zien is: van de ene tekst snappen ze alles en van een andere bijna niets. Heeft dit te maken met de wisselende concentratie bij het lezen van de opgaven? De teksten verschillen alleen van onderwerp, niet van lengte of moeilijkheidsgraad.

Ik ga met vier kinderen de tekst van Nieuwsbegrip over het EK lezen en bespreken. Geen enkel kind weet meer dan vier landen te noemen die mee doen en vrijwel allemaal denken zij dat Frankrijk gaat winnen. Ik praat over wat een toernooi is, vraag wat een halve finale is en in welke steden er gevoetbald wordt. Bij geen van de kinderen hangen er thuis oranjeversierselen of vlaggetjes.

Bij de lunch, vóór de middagpauze, krijgen de kinderen snoepgroenten naast hun eigen brood. Dat eten zij goed. Onder het eten oefent meester Sjoerd de tafel zes en sluit af met een bijpassend tafel-van-zes-lied.

21 juni

Vooraf bij de koffie zie ik dat meester Klaas waterig uit zijn ogen kijkt. Zo blijkt hij zich ook te voelen. Bij zijn vorige werk in Den Haag, zou hij thuis zijn gebleven. Maar hier zet hij een tandje bij en vraagt de kinderen meer zelf te doen.

De klas, groep 4, is bij binnenkomst vrolijk en rumoerig. Er blijken drie kinderen afwezig. Meester Sjoerd heeft het werk bij binnenkomst op het bord gezet: sommen oefenen op je laptop.

De kinderen beginnen langzaamaan te werken, vaak onderbroken door korte uitroepen en woordenwisselingen telkens als er een kind binnenkomt. Ik kijk ernaar en zie dat de kinderen veel contact met elkaar maken, met woord en met daad. Een kind heeft een lint met medaille om: gisteren gewonnen bij het turnen. Trots als een pauw laat zij het iedereen zien. Later blijkt nog een kind deze medaille te hebben gewonnen. Uiteindelijk is de klas stil en aan het werk. Opmerkelijk stil, dat maak ik niet vaak mee in deze groep. Het duurt echter niet lang.

Ik loop rond en help waar gevraagd. Sommige kinderen oefenen de tafel van vijf of die van tien, de makkelijke tafels. Anderen doen willekeurige keersommen uit alle tafel tot die van tien. Een zo’n voorloper geeft ik alle keersommen op in willekeurige volgorde van de tafel van dertien. Hij maakt ze allemaal goed, op één na. En dan gaan alle laptops aan de kant.

Er volgt wat klassikale uitleg over vermeerderen en verminderen bij keersommen. Deze herhaalde uitleg bleek nodig na een toets. De kinderen moeten hun wisbordjes met stift op tafel klaar leggen en de eerder aan hen uitgedeelde uitleg.

Meester Sjoerd heeft een krat met appels en een aantal zakjes geregeld en doet samen met een kind drie appels in een zak. En doet nog drie appels in een tweede zak. Het kind houdt de twee zakken op. De klas moet de bijbehorende keersom op hun wisbordje schrijven.

Een remedial teacher die de klas binnenkomt met een vraag voor meester Sjoerd, onderbreekt en verstoort deze uitleg. Het duurt even voordat meester Sjoerd weer verder kan. En dan komt nog een kind binnen, veel te laat want “naar de dokter geweest”.

Aan de twee zakjes met drie appels wordt een derde toegevoegd: één keer méér. Een tweede kind houdt dit zakje omhoog. Wat is nu de keersom? De klas moet deze nieuwe keersom ook op hun wisbordje schrijven. Meester Sjoerd vraagt de wisbordjes omhoog te houden zodat hij kan zien wat erop staat. Hij prijst enkele kinderen die beide keersommen goed opgeschreven hebben.

Aansluitend wordt één keer minder gedemonstreerd: Meester Sjoerd en zijn kinderen-assistenten vullen vijf zakjes met vier appels.

De klas schrijft de bijbehorende keersom op. “En nu één zakje minder.” De klas schrijft de keersom op, waarna meester Sjoerd weer kijkt naar het resultaat. Een aantal kinderen is snel afgeleid vanmorgen en meester Sjoerd heeft wat minder energie dan gebruikelijk. Ook ik ervaar dat ik moeilijker contact maak met de kinderen. Wat enkele van deze kinderen echt bezighoudt, weet ik niet. Als ik een van deze kinderen vraag wat zij dit weekend gaat doen vertelt ze ënthousiast dat ze eind van de middag op familiebezoek gaat en met haar nichtje kan spelen.

Het fruit eten sluit het eerste deel van de morgen af. In de pauze vertelt meester Klaas dat de kinderen in zijn groep inderdaad meer zelf doen en dat het vandaag goed gaat. Op het schoolplein tref ik een kind dat stil en alleen zit. Ik vraag of zij verdrietig is. “Ja, is haar antwoord.” Maar ze wil er verder niet over praten, nadat zij aangeeft dat er thuis niets vervelends is. Een voetbal die niet goed geraakt maakt dat ik een golfje intussen lauw-warme koffie mors. Het kind komt zich tot drie keer toe verontschuldigen.

In de klas gaat groep 4 verder met het maken van sommen, na enkele minuten zeer rumoerig in twee tallen werken, zegt meester Sjoerd dat iedereen voor zichzelf moet gaan werken. Ik doe nog een spel met twee, later drie, kinderen met het tellen twee, drie vijf en elf tegelijk. Het duurt even voordat zij begrijpen wat de bedoeling is maar dan gaat het vlot. Ook bij de elf gaat het goed. Dan kondig ik aan dat het nog moeilijker wordt. Hun aandacht neemt toe als ik willekeurig, in plaats van netjes om de beurt, de kinderen een antwoord vraag op een keersom uit elke tafel van beneden de tien. Zij doen hun best om zo snel mogelijk het antwoord te geven en sneller te zijn dan de anderen. Het wedstrijdelement doet zijn werk.

Bij het onderdeel begrijpend lezen met Nieuwsbegrip gaat het over een onderzoek naar de communicatie van olifanten. Deze blijken als zij grommen zich specifiek tot één andere olifant te richten. Bij olifanten is grommen een ander aanspreken of roepen. Omgekeerd reageert een olifant alleen bij een bepaalde manier van grommen. Ze lijken een naam te hebben, die hun moeder hun heeft gegeven.

Met een groepje van vier ga ik buiten de klas aan een tafel op de gang de tekst doornemen. Ik begin met te zeggen dat ik graag heb dat er serieus gewerkt wordt. Dat doen zij dan ook. Elk kind leest een stukje voor en de bijbehorende vraag zoeken zij daarna in de tekst. Afrika, Egypte, Kenia, Congo passeren de revue, alsook de wijze waarop papegaaien, dolfijnen en allerlei vogels met elkaar praten. Maar ook de namen van honden, cavia’s, kinderen, van mijn kinderen, van hun broer en/of zus en direct ook maar de leeftijden van iedereen, komen aan de orde. Meer dan zeventig vinden zij wel erg oud. Olifanten worden ook oud.

Terug in de klas is het tijd voor de lunch die genuttigd. De twee kinderen met de medaille van het turnen, mogen dit voor in de klas nog eens komen uitleggen en laten zien. Daarna volgt het gefilmde liedje van de tafel van zes.


2 reacties op “Logboek van een reken- en leesopa (22)”

  1. Frank Koster Avatar

    Dank voor het compliment, een bundeling tot boek is nog behoorlijk ver weg.

  2.  Avatar
    Anoniem

    leuk weer om te lezen ,je zou ze moeten bundelen tot boek , ik denk dat daar best belangstelling voor is, ik zou het kopen tenminste!

Geef een reactie op Anoniem Reactie annuleren