Categorie archief: Geen categorie

Een groot vraagstuk

Inleiding

Ik kreeg onlangs als cadeautje de bundel Towards a fair and just economy, Social business as a transformational approach (LM Publishers, 2018) cadeau van oud studiegenoot Fons van der Velden. Hij is directeur van Context, een bedrijf gericht op internationale ontwikkelings­vraagstukken waarbij lokale gemeenschappen centraal staan. In deze bundel worden verschillende inspirerende voorbeelden en werkwijzen uit de doeken gedaan.

Dit boek sluit af met een slotbeschouwing van de samensteller Fons van der Velden. Hierin vraagt hij zich af of en hoe sociale bedrijven de wereld kunnen veranderen. Fons zoekt hierbij naar een nieuwe linkse omvattende visie. Hij voert klassieke (neo)­marxistische denkers op die wijzen op het beperkte bereik van sociale (coöperatieve) ondernemingen die niet alleen een financieel resultaat/financiële waarde maar ook een maatschappelijke resultaat/waarde nastreven en daarmee bijdragen aan verandering. Er moet meer gebeuren. De macht over de staat, de wetgeving, het recht moet eveneens verworven worden, maar vooral: het eigendom van de productiemiddelen moet op grote schaal, en niet alleen bij een aantal sociale ondernemingen, op andere leest geschoeid worden. Eigenaars van kapitaal, dat zich internationaal beweegt, mogen niet meer bepalen hoe de wereld zich ontwikkelt, of beter gezegd hoe de wereld afstevent op uitputting van grondstoffen, nog grotere ongelijkheid, meer rampen van sociale, humanitaire, economische en ecologische aard.

De vraag is: is er misschien een nieuwe visie te verwoorden waarmee op hoopvolle wijze deze vraagstukken kunnen worden aangepakt.

Ik verken hier het antwoord op deze vraag door op te noemen wat er nodig is om de urgente mondiale vraagstukken aan te pakken. De vraagstukken die ik hier bedoel zijn:

  • De enorme kloven die wereldwijd gegroeid zijn tussen massa’s armen en een kleine rijke, niet zelden criminele bovenlaag;
  • De snelle uitputting van het vermogen van de aarde zich te herstellen van mijnbouw, agro-industrie[1] (nog steeds verhullend “landbouw en veeteelt” genoemd) industrie en commerciële dienstverlening en de gevolgen van dit alles voor het wereldwijde klimaat, met name voor die armere delen van de wereld die het minst bijdragen aan de opwarming van de aarde, er veel meer last van hebben en die geen middelen hebben voor klimaatadaptatie;[2]
  • De steeds meer verstevigde (ook militaire) greep van de politiek-economische bovenlaag op het leven op aarde en op de politieke besluitvorming en, daarmee samenhangend,
  • Het steeds meer zich verspreidende gevoel bij grote groepen mensen op de gehele wereld dat ze geen noemenswaardige greep hebben op hoe de wereld, hun omgeving en hun leven zich ontwikkelt;
  • De vele opkomende populistische en nationalistische bewegingen die een hunkering naar vroegere tijden verwoorden, zich afkeren van het denken over de toekomst van de gehele wereld en zich keren tegen allerlei emancipatiebewegingen. Deze populistische en nationalistische groepen zijn bovendien veelal bereid om geweld te gebruiken ten einde de loop van de geschiedenis te keren;
  • De gegroeide digitale verbindingen tussen financieel-economische elites, criminele elites en militaire machthebbers enerzijds en de massieve repressiemiddelen die in met name de Arabische, Russische en Aziatische landen (maar ook elders) wordt toegepast om sociale en democratische bewegingen de kop in te drukken.
  • De enorme internationale netwerken van criminele drugs- en wapenhandelaren en jonge warlords die in staat zijn overal ter wereld zich in bovenwerelden in te werken en met geweld het verloop der dingen naar hun hand te zetten en ook hun lokale maffiose pendanten die plaatselijke gemeenschappen en vooral de jongeren, niet alleen in Zuid-Italië, in hun greep krijgen.

Enkele vragen

Hans-Jürgen Krahl betoogde al vijftig jaar[3] terug dat er geen omvattende visie meer mogelijk was. Er is sinds de jaren zestig-zeventig van de vorige eeuw ook geen totaalvisie meer verwoord over hoe we de mondiale problematiek – van grote ongelijkheid, internationale wapenhandel, vernietiging van natuurlijke hulpbronnen en de catastrofale gevolgen voor milieu en klimaat, de alomtegenwoordige terreur tegen oppositie die gericht is op meer democratie en op het aanpakken van deze grote problemen – kunnen aanpakken.

Ook ik kom niet verder dan enkele vragen te stellen die zo’n visie moet beantwoorden en beginnen van antwoorden te suggereren. Ik noem de vragen voorlopig in willekeurige volgorde.

  1. Hoe kunnen grote groepen mensen over de gehele wereld er meer van overtuigd worden dat grondige veranderingen in de manier waarop wij produceren, geld verdienen en consumeren hoogstnoodzakelijk én mogelijk zijn? Hoe kunnen wij effectief de desinformatie die overal en steeds geavanceerder verspreid wordt, tegengaan? Hoe kunnen wij hierbij iedereen niet alleen met informatie maar ook in hun emotie bereiken? En hoe doen we dat met ongeletterden?
  2. Hoe kunnen we het voorbereiden en het denken, de besluitvorming en de uitvoering van de noodzakelijke veranderingen niet overlaten aan beroepspolitici en hun staatsapparaten?
  3. Hoe kunnen we bij dit alles de mensenrechten en democratische waarden beschermen en de onderdrukking van minderheden (vrouwen, etnische minderheden, kinderen, lhbti+, enz.) beëindigen en voorkomen?
  4. Hoe kunnen wij de honderden miljoenen van oorlogsgeweld getraumatiseerden over de gehele wereld op een hoopvolle en vertrouwenwekkende manier actief bij deze veranderingen betrekken en een beter perspectief bieden dan alom tegenwoordige verleidingen tot individueel gewin en maatschappelijke apathie?
  5. Hoe is de grote formele en vooral ook informele invloed van grote bedrijven op het gedrag van overheden tegen te gaan? Hoe kunnen we de netwerken van managers, directeuren, leidinggevende medewerkers van overheden, bedrijven, leger, politie, rechterlijke macht, advocatenkantoren en zorg, transparant maken en deze openbaar maken?
  6. Hoe kunnen de gewelddadige internationale criminele bendes van wapen- en drugshandelaren en hun lokale vertegenwoordigers worden aangepakt? Hoe kunnen warlords waar ook ter wereld worden opgepakt en hoe moet de mondiale samenwerking hierin eruitzien?

Beginnen van antwoorden

  1. Het is me niet duidelijk waarom de marxistische visie zo strak schematisch denkt: eerst de staatsmacht dan de productiewijze aanpakken. Het kan misschien net zo goed andersom: eerst grote veranderingen in de manier waarop wij produceren en daarover denken en dan uiteindelijke ook de macht over de staat.
  2. De visie die Fons hier in het laatste hoofdstuk presenteert is wat mij betreft te schema­tisch én te veel gericht op nationale staten i.p.v. op de wereldmarkt. De wereld is inder­daad deels langs de lijnen van de nationale staten georganiseerd, maar voor een invloed­rijker deel in een grote veelheid aan internationaal opererende bedrijven en platform-economieën, met hun ook onderlinge contacten met bedrijven in de informatie­voorziening, met bancaire instellingen en met topambtenaren van de nationale over­heden. Het vrijwillig doen ombuigen van de intenties van deze complexe wereld in de richting van vrede, van duurzaamheid, van een redelijke verdeling van welvaart, zorg en welzijn is een klus die we niet moeten overlaten aan gewapende jonge mannen. Dat zijn immers de Bouta’s, Erdogans, Poetins, Dutertes en Idi Amins van de daaropvolgende jaren.
  3. Het is me niet duidelijk hoe de macht over de bedrijven, het bestuurs- en staatsapparaat en over leger en politie verkregen kan worden op een manier waarbij geen geweld wordt gebruikt. Toegang tot bronnen, tot bepaalde invloedrijke personen en hun contacten en hun bankrekeningen krijg je zonder geweld alleen als men dat vrijwillig doet. Geweld is mijns inziens heilloos, roept tegengeweld op en eindigt steevast vrijwel in een dictatuur. Ik heb het hier uitsluitend over geweld dat niet door de rechterlijke macht is gesanc­tioneerd. Omdat hier geen overtuigende antwoorden zijn, moeten we ernaar zoeken en nieuwe aanpakken proberen.
  4. Te veel wordt louter de vernietiging/verandering van de kapitalistische productiewijze als de hefboom gezien voor een verandering ten goede. Ook na zo’n omwenteling zullen er netwerken ontstaan van hen die informatie, contacten, kapitaal en beslissingsbevoegdheden hebben. (Lokale) Collectieve en coöperatieve productiewijzen met een maatschappelijk doel zullen moeilijk deze netwerken binnen­dringen. Via deze netwerken zullen steeds opnieuw, ook decennia na revolutionaire veranderingen (zie China, Rusland, Oekraïne, Belarus enz.), particuliere initiatieven ontstaan. Deze zijn wellicht alleen met dwang en geweld tegen te houden, want er zullen altijd lieden zijn die zo nodig ten koste van anderen geld willen verdienen.
  5. Bij alle mogelijke vernieuwingen is de vraag van belang waar in regionaal opzicht de eerste prioriteiten gelegd worden. We zouden een dik vraagteken kunnen zetten aan de vanzelfsprekende voorrang die de stedelijke gebieden hebben en nemen hebben. Vooral met het oog op het tegen gaan van de uitputting en opwarming van de aarde zouden we het belang van de rurale gebieden, van de randen van ons land en van het platteland waar ook ter wereld moeten heroverwegen. De agro-industrie zal overal plaats kunnen maken voor geavanceerde hoogwaardige én ecologisch verantwoorde en vooral ook coöperatieve vormen van landbouw en zoveel mogelijk regionale voedselvoorziening.
  6. Bij de stapsgewijze herinrichting van de wereld moeten we uitgaan van samenwerking tussen mensen, waarbij we een individueel motief, een individuele relatie tussen inspanning en beloning gehandhaafd en verzekerd moet blijven. Dit is een van de lessen van de collectieve bedrijven en staatsbedrijven uit Oost-Europa. Er zal met andere woorden ook in een meer sociale en coöperatieve toekomst, naast een sociale ook steeds een individuele verbinding gerealiseerd moeten worden tussen inspanningen en beloningen. Opgelegde collectiviteiten functioneren niet.
  7. Geweldloze, democratische aanpakken van grote veranderingen kunnen op hun werkzaamheid getoetst worden. Te denken valt aan zogeheten “open” vormen van beleidsvorming, d.w.z. niet gedicteerd door overheidsbeleid en niet gekanaliseerd door ambtenaren. Kenmerk hiervan is dat de denkkracht en creativiteit van betrokken burgers gehonoreerd wordt.[4] De vier werkwijzen die Van Reybrouck presenteert in zijn Huizingalezing van zijn daarbij eveneens de moeite waard om nader te onderzoeken en uit te proberen. Ik bedoel hier het preferendum, de global assembly, een systeem van carbon credits en burgerlijke ongehoorzaamheid bij belastingbetaling.[5] Ook voormalig (Nijmeegs) hoogleraar bestuurskunde Roel in ’t Veld pleit hier voor.[6] Voor massale actie kan ook Gandhi een inspiratiebron zijn en kunnen sociale media een cruciale rol spelen.
  8. Willem Schinkel (in gesprek met Sjors Roeters in VN, 20 dec 2021) ziet vooral verbanden en samenhangen tussen allerlei maatschappelijke kwesties en heeft vooralsnog nog allesomvattende visie. Wel vindt hij het belangrijk (ook persoonlijke) verbindingen te leggen tussen allerlei vormen en terreinen waar strijd plaats vindt (Black Lives Matter, toeslagen affaire, de uitputting en misbruik van Groningen, de groter worden inkomensverschillen, enz.) . . Op al deze en andere terreinen worden economie en staat uitgedaagd door mensen die niet alleen in de bestaande orde participeren maar daarnaast ook andere dingen doen die niet door financieel rendement bepaald worden. Coalities zijn mogelijk tussen al deze groepen. Creativiteit en leven blijven woekeren (in zijn woorden). Niet zozeer een omvattend beeld maar een mozaïek van situaties, visies en mogelijkheden.
  9. Bij al deze nieuwe vormen van participatie is het van belang waarborgen in te bouwen voor de evenredige inbreng van mensen van alle leeftijden en dan met name kinderen/tieners en mensen van 70 jaar en ouder en van alle opleidingsniveaus. Zowel op nationaal en internationaal, als op lokaal niveau mag het niet gebeuren dat (mannelijke) hoogopgeleide dertigers en veertigers uit de stedelijke gebieden de toon zetten en de gesprekken beheersen.
  10. Immers, de kracht van emotionele en rationele argumenten en van het benoemende woord in plaats van bommen of kogels, is de kracht die wij nodig hebben om de teloorgang van de aarde te keren.
  11. En dan is er nog het punt van Rutger Bregman[7], dat er geen afstand mag ontstaan tussen leiders en bevolking. Hoe kunnen we voorkomen dat leiders hun eigen en andere mensen niet persoonlijk kennen, m.a.w. op welke kenbare en herkenbare schaal kunnen wij leiderschap organiseren? En hoe kunnen wij daarbij de interne samenhang of sociale cohesie van lokale gemeenschappen, ook tegen criminele bendes en jonge warlords, versterken en betrekken bij een grotere mondiale stroom. En hoe kunnen wij sociale media daarbij hun effectieve verbindende werk laten doen?

Ik heb geen antwoorden, het vraagstuk is te groot voor mij.  Ik heb hooguit voorzichtige vermoedens en nog steeds hoop.

(Bijgewerkt op 21 dec. 2021)


[1] Een indrukwekkende schets van de verwoestende werking van de agro-industrie, nu eens niet over Bangla Desh of het Braziliaans regenwoud is te vinden in Richard Powers, The Overstory ((‘Tot in de hemel’), Vintage Publishing 2018; de Nederlandse vertaling is uit 2019.

[2] Zeer onlangs nog helder en onontkoombaar verwoord door David van Reybrouck, De kolonisatie van de toekomst, Huizinga lezing, Uitgeverij EW, dec 2021.

[3] Hans-Jürgen Krahl stelde dit in een discussie die eind jaren zestig kort woedde in de West-Duitse studentenbeweging; deze discussie is de geschiedenis  in gegaan als ‘Krahl-Schmierer-discussie’, over de gewenste koers van de toenmalige studentenbeweging. Krahl’s oorspronkelijke tekst heb ik niet meer terug kunnen vinden, maar weet nog wel dat het begon met “Thesen…. Deze veelbelovende jonge Krahl is in 1971 bij een auto-ongeluk overleden.

[4] Een presentatie in het Nederlands taalgebied van dergelijke werkwijzen is o.a. te vinden in Peter van Hoesel en Max Herold, Beleidsontwikkeling in de 21ste eeuw, Hoe het anders kan en moet,  Boom, 2020.

[5]  Zie uitgebreider o.a. David van Reybrouck a.w., p. 23 e.v.

[6] „En ten tweede: probeer als media meer hoopvolle ontwikkelingen buiten Den Haag bloot te leggen. Daar vind je experimenten met participatieve democratie die mooie democratische ervaringen voor burgers hebben opgeleverd, zoals bij de ontwikkeling van stadswijken, voedselbanken en energiecoöperaties. Nu de representatieve democratie in crisis verkeert, wordt het tijd voor media meer oog te hebben voor de positieve kanten van de participatieve democratie, en hoe die de representatieve rol kan aanvullen.” (Roel in ’t Veld in de NRC 8 november 2021). Zijn nieuw uitgekomen bewerkte versie van Kennisdemocratie, (Boom, 2021) is om meerdere redenen de moeite waard om te lezen.

[7] Zie Rutger Bregman, De meeste mensen deugen, De Correspondent 2019. Het gaat mij hier met name om hoofdstuk 11, Hoe macht corrumpeert. Bregman legt uit dat afstand en het niet persoonlijk kennen van mensen, oorlogsgeweld van potentaten mogelijk maakt. Een geloofwaardige hypothese.

Twee boeken van Patrick Modiano

‘De plaats van de ster’, Amsterdam 1973 (oorspr. ‘La place de l’étoile’, Gallimard, Paris, 1968) en

‘Uit verre vergetelheid’, Amsterdam 2014, (oorspr. ‘Du plus loin de l’oubli’, Gallimard, Paris, 1996)

Ik las twee boeken van Parijzenaar Patrick Modiano. In het eerste boek, De plaats van de ster (“place de l étoile”) , geeft Modiano een beeld van het kapotgemaakte leven van een joodse Parijzenaar die de oorlog en de Holocaust overleefde.

En daar word je niet vrolijk van. Naast de al eerder her en der gememoreerde zware schuldgevoelens van overlevenden van de Holocaust, (“waarom ben ik de enige van mijn familie die het gered heeft”) komen er psychische stormen, waandenkbeelden, nachtmerries die teruggrijpen op eerdere levensperiodes, SS’ers en Wehrmachtsoldaten die in dromen Joodse namen dragen, in Israël wonen maar leven in het Parijs van 1941, woedeaanvallen en een geregeld verbroken verbinding met de dag van vandaag. Je kunt het zo gek niet bedenken of het komt voor. in Het geheel grijpt mij bij mijn strot en ik begin een klein beetje te ontwaren hoe dit moet zijn. Ik ervaar de machteloosheid van de hoofdpersoon om iets van zijn leven te maken als beklemmend maar ook als vreemd. Zijn belevenissen heeft Modiano zo opgeschreven dat ik er als lezer geen contact mee krijg. De opgeslotenheid van de hoofdrolspeler in zijn eigen psychische gevangenis is hij steeds gedoemd in verkeerde situaties verzeild te geraken of met de verkeerde personen in aanraking te komen. Hij heet Raphaël Schlemilovitch. Misschien is zijn naam wel de kortste samenvatting van wat Modiano wil laten zien. De schuldgevoelens van overlevenden komen indringend naar voren als Schlemilovitch in zijn wanen zelf SS’er is en Eva von Braun ontmoet. Twee punten zijn nog het noemen waard. De her en der typisch joodse humor, waar bij je moet lachen om niet te huilen, is zeer trefzeker. Daarnaast vormt het figureren van talrijke namen uit het Franse openbare en culturele leven van na de oorlog een moeilijkheid. Veel namen zeggen mij niet veel.

Had de plaats van de ster (Place d’ Etoile) een sterk biografisch karakter vanwege Modiano’s eigenverwevenheid met de oorlog en de Holocaust, het tweede boek heeft dat persoonlijke karakter niet. Althans het gaat niet duidelijk over Modiano’s eigen leven. Het kan wel een getuigenis zijn met een autobiografische achtergrond van het stedelijke leven in Parijs en London in de tijd dat de schrijver tot volle wasdom kwam.

Voor bohemiens is het Parijs (en London) van de jaren zestig een kille, lege onverschillige stad waarin mensen ieder voor zich iets van hun leven trachten te maken, maar de zinloosheid druipt van elke belevenis. Men doet wat, zorgt via gokken voor een inkomen en logeert dan hier, dan daar. Men komt anderen tegen met je korte of langere tijd een relatie hebt en samen optrekt. Het is zo weer voorbij. Het maakt niet uit, lijkt het wel. Er zijn altijd wel kennissen die je tijdelijk onderdak bieden. Er is altijd wel ergens een korte opdracht voor een schrijfklus of een onderzoekje te verkrijgen. Modiano schrijft bepaaldelijk niet over een gemiddelde werknemer van Renault – Billancourt, maar eerder over de derde bassist van Johnny Halliday. Van de twee mensen is de man een (in den beginne aankomend) schrijver die geen naam krijgt en heeft de vrouw Jacqueline geen duidelijk omschreven beroep. Zij ontmoeten in Parijs een gokker en in London, enige tijd later een smoezelige pandjesbaas. Deze mensen gaan uit, wandelen, snuiven ether, vrijen (ook als natura vergoeding voor het wonen in een huurflat), bezoeken een Jamaica café, toeren met de metro door de stad, ontmoeten deze en gene. Alle gebeurtenissen en dagen hangen als los zand aan elkaar, er is geen streven dat hun levens samenbindt en energie geeft.

De eerste episode van deze roman begint in Parijs en eindigt in London, na zo’n anderhalf jaar, met de plotse verdwijning van Jacqueline.

De tweede episode, vijftien jaar later, speelt zich af in Parijs. De naamloze protagonist is nu schrijver, leeft alleen en in willekeurige dagindeling. In een metro ziet hij een vrouw die op Jacqueline lijkt, hij gaat achter haar aan, ontdekt waar ze woont en weet enkele dagen later op een feest in haar flatgebouw binnen te komen, in de hoop haar te treffen. En dat gebeurt. Aanvankelijk lijkt ze hardnekkig hem niet te herkennen. Zij is met haar man. Maar bij het afscheid stapt ze met een smoes in dezelfde lift als hij en wordt het contact voor enkele uren vervolgd waar het jaren terug is gestokt. De volgende dag vertrekt ze met haar man naar Mallorca.

In de derde heel korte episode mijmert de schrijver, terwijl hij er wandelt, over de wijk waar Jacqueline is geboren.

Het leven van bohémiens in een grote stad lijkt een leven zonder bedoelde en duurzame verbindingen, toevallige ontmoeting en tijdelijke projecten rijgen zich aan elkaar. Een ontnuchterend boek.

Het Ledig Erf

Het is een doordeweekse dag in september. Het weer is zacht, aangenaam, ik zit buiten op een terras (het plein telt er vijf) en hoef mijn jasje niet aan te houden. Er gaat voortdurend een stroom verkeer voorbij die voor een aanhoudende achtergrond ruis zorgen. Fietsers rijden ogenschijnlijk doelgericht, af en aan in en uit de Twijnstraat richting de singel of de Westerkade en verder. Vrachtwagens van leveranciers van de Gemeente Reiniging en autobussen van het Utrechtse openbaar vervoer zijn de meeste ruis veroorzakende voertuigen. De drieledige bussen glijden soepel als een slang langs het bochtige kruispunt van wegen en singels meestal met een sliert van enkele personenauto’s in hun kielzog. Personenauto’s zijn hier zeldzaam, naast het genoemde vrachtverkeer van leveranciers, zijn het vooral taxi’s, bestelauto’s van bouwbedrijfjes of lesauto’s. Het waait in de bomen en de planten in de bakken op de terrassen bewegen op de wind. Het voormalige politiebureau, nu het Louis Hartlooper Complex, een

kwaliteitsbioscoop met horeca, is beeldbepalend aanwezig. De rechthoekige gevel van rode bakstenen heeft rechthoekige ramen, beide in verhoudingen die Rietveld bedacht kon hebben. Ze heeft een stompe, taps toelopende toren met een van aparte stenen gemaakte stompe top – spits is hier niet het goede woord.  Een richel aan de linker voorkant van het gebouw is versierd met een rij van ongeveer vijftien kleine bolvormige boompjes. Vlakbij aan de overkant van de weg staan drie banieren van het filmfestival. Ook het begin van de Twijnstraat is voorzien van een horizontale banier van het filmfestival. Tegenover deze bioscoop aan de andere kant van het plein, staat aan het begin van het bolwerk een monument, een bas-reliëf ingelegd in een rechtopstaand stuk natuursteen.  Het bas-reliëf brengt de roemloze uittocht van de Fransen uit de stad in beeld. Het plein wordt opgesierd door bloembakken die op zo’n twee meter hoogte verbonden zijn aan de klassieke lantaarnpalen. Deze bakken hebben een beproefde combinatie van lila en rode bloemen.

Aan een andere kant van het plein is het begin zichtbaar van de Oude Gracht, hier nog volop voorzien van grote zacht ruisende bomen die de hitte van deze zomer zo te zien goed doorstaan hebben. Even verderop is nog een stuk van het dak zichtbaar van de gotische Martinuskerk. De gracht begint rechts met een wit-geel geschilderd stenen gebouw, met in oud rood de naam ‘Het Maastrichts Bierhuis’ op de gevel. Rechts daarvan op een aanpalend gebouw, behorend bij een horeca gelegenheid, staat een gedicht van ene Eddy Lie. “… je gezicht weerspiegelt een boodschap..”.

De terrassen zijn mager bezet. Maar desondanks: alle plekken waar fietsen kunnen staan zijn vol.

De meeste voetgangers die in tweetallen of groepjes langs lopen zien er goed gekleed uit en praten volop; vermoedelijk bezig aan hun lunchpauze-wandeling. Een grote jonge hond, gelegen onder de zitting van haar bazin doet me steeds opnieuw opschrikken met een kort luid geblaf, telkens wanneer hij een soortgenoot ziet aankomen. Een paar ouderen zitten op twee gemeentebankjes bij de borstwering van de drieledige stenen brug. Ze krijgen gezelschap van een man van tegen de zestig, die gewapend met een colablikje erg de behoefte heeft zijn visie op van alles en nog wat luid en duidelijk te delen. Als het mannengezelschap even niet luistert, wendt hij zich tot de eenden in de singel. Een stel jonge dertigers in vrijetijdskleding lopen voorbij happend in de laatste beetjes van hun ijsje. Allerlei mensen afkomstig van het bolwerk naast de singel lopen langs met hun hond. De jonge hond ziet ze allemaal. Vier jongemannen, elk met een vuilniszak en een vuilnis-grijper rapen alle zwerfvuil op dat ze tegen komen en zetten hun werk voort op het wandelpad op het bolwerk.

Plotseling neemt het luide praten van de verkondiger in volume toe, hij heeft gezelschap gekregen van drie mensen, waarvan een vrouw, die luidkeels aan de conversatie hun bijdragen leveren. Dit geluid wordt af en toe verrijkt met het geluid van kapot vallende flessen in een ondergrondse glascontainer.

Een van mijn mede-terras bezoekers, gaat zitten rolt een sigaret, bestelt een biertje en zit vervolgens een uur lang in stilte op het terras, kijkt naar de mensen die voorbij komen en zijn ogen suggereren dat hij losjes nadenkt over van alles en nog wat. Twee vrouwen van in de zestig met een hond hebben een geanimeerd bijpraat-gesprek over mensen, nieuwe spullen en vakantieplannen.

En steeds kijkt de kleine afbeelding in brons van Herman Berkien, Utrechts cabaretier, de Twijnstraat in.

Enkele dagen later is het ’s middags mooi weer. Het terras van café Het Ledig Erf is nu voller bezet met luchtig geklede gasten. Er zitten merendeels jonge mensen die vrijwel allemaal met hun smartphone bezig, een gesprek voeren of aan het eten zijn. Er zijn twee duo’s jonge mannen aan het werk achter een laptop. De een kijkt weinig geïnteresseerd, de ander houdt zijn blik strak op het scherm van een laptop op zijn schoot gericht. Als een duo bezoek krijgt van nog twee jonge vrouwen vinden er twee maal twee enthousiaste omhelzingen ter begroeting plaats. Bij een duo die vermoedelijk een overleg hebben voert de man van de twee voor het grootste deel van de tijd het woord. Zij luistert of geeft die indruk.

Het groepje op de vrije bankjes van de gemeente, lijkt nu groter, allemaal mannen van middelbare leeftijd die wederom druk en soms luidruchtig in gesprek zijn. Wandelaars in koppels of een oma met een wandelwagen komen langs. Kinder-wandelwagens hebben tegenwoordig grotere wielen dan pakweg twintig jaar terug, ze rollen beter.

Het geluid van drilboren of motorzagen is voortdurend op de achtergrond aanwezig er wordt hier vlakbij bouw- of herstelwerk gedaan. Later zie ik dat het werk plaats vindt op het dak van het bioscoopcomplex. Een hoek van het gebouw is omgeven door een verticale stellage van aluminium buizen voorzien van gaas, waarschijnlijk bedoeld om verspreiding van gruis en stof van het werk te voorkomen. Soms staat een van de werkers rechtop en kijkt uit op het terras, alsof hij even kijkt of alles nog in orde is. Een informatie paneel, linnen gespannen in een aluminium raamwerk, vlak boven de genoemde boompjes wijst op de verbouwing.

Op een met een punt laag muurtje omgeven border met heesters, direct voor het café, staat een vreemd houten wit bordje met daarop de tekst: ‘Sykkelparkering forbudt’. Ik vermoed een Scandinavische taal en dat er iets is verboden. Navraag bij de ober leert me dat het Fins is en betekent: verboden fietsen te stallen. De eigenaresse van het café is een Finse.

(september 2018)

Hoog Catharijne (wordt vernieuwd)

Ik loop rond, ik hoef geen boodschappen te doen. Ik word overstelpt door licht in warme tinten en gedempt geluid. De schone vloer onder mij lijkt van licht gekleurd marmer en is in patronen gelegd met donkere vierkanten van verschillend formaat.

Het nieuwe gedeelte is in gebruik. Het is januari maar de kerst-sfeerverlichting hangt nog overal, gegoten in de vorm van boomachtige structuren met kale takken waar duizenden lichtjes aan branden.

Je komt thuis in een oase zodra je door de draaideur van Hoog Catharijne (HC) binnenstapt. Overal aanwezig maar niet overheersend is er arrenbie-muzak, van het soort van vijftien in een dozijn: niet bedoeld om een specifieke groep klanten te storen. De wandelgangen –“promenades” is een beter woord- zijn breed, de winkel groots opgezet, met hoge glazen etalages. Dominant aanwezig zijn hier de kledingzaken van Bershka, WE, Stradivarius, Gerry Weber, C&A en vele andere, met ook veel schoenen -en sportzaken. En er is volop horeca, thee- en koffietentjes, waar je iets te drinken neemt met een broodje of gebak, petit-restaurants en natuurlijk de Mac Donalds. Je hoeft geen hongerig gevoel te houden als je van thuis geen brood of appel hebt meegenomen.

Op etalageramen en afsluitende muren waarachter je werk in uitvoering kunt vermoeden, dringen levensgrote foto’s van schoenen, mensen in mooie kleren aan je op. Het resulteert in je klein voelen en dit vormt een tegenwicht ten opzichte van de koninklijke klant die je wordt bij binnenkomst van deze oase.

Welvaart is kleding en schoenen en eten en drinken in een sfeervol licht.

Mensen lopen rond in dikke jassen, soms alleen, soms in tweetallen of meer. Anders dan buiten op de markt of op het centraal station is het opvallend dat slechts weinig mensen eten. Bezoekers gaan winkels in, sjouwen tassen vol, of nog leeg, met zich mee en maken met hun plastic tassen gratis reclame voor de winkels die ze bezochten. Vrolijkheid is niet te ontdekken op de gezichten van de passanten. Slechts een enkel kind dat speelt met water, bankjes of roltrap, lacht. Winkelen is blijkbaar een ernstige zaak. En dit is nog het begin van dit consumenten paradijs, aan het grootste deel van het nieuwe HC wordt nog gewerkt.

Als contrast bezoek ik een ouder gedeelte van HC waar nog de winkels zijn die ik me herinner van de afgelopen jaren. Ik loop er de Action binnen en kijk naar de keurende en kopende mensen en de spullen die er te koop liggen. Hier zijn geen luxe grote winkels, met brede galerijen, maar gewone zaken met allergewoonste Utrechters, die op hun centen moeten letten en hier hun betaal­bare spulletjes bij elkaar zoeken.

Even later loop ik op de markt en zie de markthandelswaar, verkocht door marktkooplui in een sfeer die me bekend is. Mensen lopen hier met tassen te sjouwen, een kind krijgt een snauw, men eet friet, vis of een broodje, roken mag hier, want dit is de buitenlucht. Plat Utregs vermengt zich hier met allerlei exotische talen die ik niet versta. Vers fruit, vis, bloemen en kaas worden gaan hier grif van de hand.

Later kijk ik opnieuw rond in het nieuwe HC, ga zitten en maak een praatje met een man van in de tachtig. Een gepensio­neerde PTT-er uit Doorn die hier in de stad vanmiddag met enkele vrienden gaat uit eten. Geregeld komt hij uit Doorn hier naar de stad, zijn wekelijkse uitstapje uit zijn stille vrijgezellenbestaan.

Waarom voel ik me in dit nieuwe Hoog Catharijne niet thuis? Op de eerste plaats lijkt daar de overstelpende of overweldigende sfeer aan debet: licht, de al genoemde overal aanwezige muzak en de rijke uitstraling. Hier kom je in de wereld van het geld uitgeven, mensen op zoek naar tijdelijke blijheid en tevredenheid met nieuwe schoenen of een nieuwe broek.

Kassa’s rinkelen, met pin betalen is eenvoudig en snel, je houdt zo niet altijd zicht op je uitgaven. Het winkelcentrum tegenwoordig “mall” geheten, probeert je te betoveren, de gelukzaligheid te bieden van de nieuwe dingen. En vergetelheid. Nu even niet de was opvouwen, even niet iets repareren of je administratie bijhouden. Even verblijven in de wereld waar wij het allemaal voor doen.

Twee weken later kom ik nog eens kijken en loop nu enkele winkels binnen. In een kledingzaak valt mij de branche-vervaging op: men verkoopt ook allerlei huisraad zoals borden, lampjes, zitbanken. Veel van dat spul is niet veel meer dan goed bedoelde rotzooi. Maar branchevervaging lijkt de trend: koffie met gebak of een broodje in een boekenwinkel, in een kledingzaak zie ik een bak met bij de sfeer van de winkel passende cd’s. Ik kijk rond pak snuisterijen als vaasjes, kaarsen, kommetjes vast en draai ze in mijn hand om het goed te zien en leg het weer terug. Ik heb niets nodig.

(Januari 2018)

De Uithof- Utrecht Science Park

Plein bij hoofdingang UMCU

Het is een zonnige lentedag. Allerlei mensen komen en gaan naar het academisch ziekenhuis. Een taxibusje stopt en een krom lopende oudere man stapt voorzichtig uit. Twee mensen, beide in de zeventig misschien tachtig, wachten zittend op een dikke betonnen paal op de pendelservice die hen van dit plateau ophaalt naar de parkeergarage of naar een bushalte. De jongere mensen hebben meestal een mobieltje in hun hand. Als een taxi aankomt, stopt en na het uitstappen van de passagiers weer wegrijdt zijn voor enkele ogenblikken indringend de uitlaatgassen te ruiken. Een verpleger begeleidt een met een rollator lopende mevrouw naar buiten. Een moeder met zoon van in de twintig komen druk overleggend aanlopen.

Een vijftal taxi’s wachten geduldig op klandizie. Een personenauto komt snel aanrijden, blijkbaar met haast. Auto’s en taxi’s, vaak taxibusjes, rijden af en aan. De witte en grijs-metallic auto’s schitteren in de zon.

Mensen die lopen zijn op weg naar de parkeergarage, en komen vlak na de ingang bij de betaalautomaat waar je alleen met pin kan betalen. Zonder de melding van een storing, staat op een plakkaat dat het vandaag vrij parkeren is. Een medewerker in uniform komt terug van een pauzewandeling, het plastic drinkflesje is bijna leeg. Een vader van tegen de zestig, zo taxeer ik, duwt de rolstoel van zijn zoon van in de dertig naar buiten en kunnen naar huis. Ze worden gevolgd door een vijfkoppig gezelschap, van buitenlandse komaf, de vrouwen dragen hoofddoekjes. Even later verlaten zes jonge mensen alle voorzien van laptop-tassen, medische studenten?, druk overleggend het gebouw.

Sommige mensen komen zeer gehaast aanlopen, vermoedelijk uit vrees te laat te komen op de afspraak op de poli. Uit een volgende taxi stapt voorzichtig een man met twee elleboogkrukken, vlak achter hem een oudere man die zich steunend op een rollator langzaam naar buiten werkt. Een man duwt zijn vrouw voort die op een rolstoel van het ziekenhuis zit, voorzien van een grote spierwitte ooglap over haar linkeroog.

Een man naast me die blijkbaar hier vaker komt praat vrolijk en grappen makend met een chauffeur van een busje. Ze zijn bekenden van elkaar en tutoyeren. “Ze staan hier dubbel geparkeerd, doe er wat aan!” De chauffeur heeft een goed humeur en maakt een vrolijke opmerking terug. Deze opgewektheid valt op, de meeste mensen kijken ernstig of gelaten.

Een oudere mevrouw legt aan een chauffeur uit dat ze niet goed kan lopen en dat ze even geholpen wil worden bij het instappen. Sommige chauffeurs van taxibusjes kennen hun gasten bij naam en vervoeren ze, zo lijkt het, vaker.

De jongere mensen die hier komen of weggaan geven de indruk hier te zijn voor hun werk, de ouderen zijn, soms duidelijk, soms minder duidelijk, patiënten. Op het buitenterras geniet personeel van de zon en van hun lunch.

De moderne gebouwen in de omgeving van het ziekenhuis zijn omringd door nog recent ogende groenstroken met jonge bomen. Ook bij deze andere gebouwen zitten mensen, meestal jong volk in groepjes, buiten. Ze praten met elkaar en eten en drinken wat.

Een vijver heeft gele lis en meerkoeten als bewoners. Het verkeer, de af en aan rijdende auto’s en bussen, rijden rustig, het zachte gedruis ervan klinkt ontspannen.

Het Coïmbrapad

Op het Coïmbrapad, langs de Heidelberglaan, is het vandaag een levendige verzameling van groepjes studenten. Het plein telt enkele eenvoudige horecazaakjes, waar studenten koffie, broodjes, pizza’s en frites nuttigen. Ook zijn er enkele winkeltjes, waaronder, niet toevallig een grote boekhandel. Er heerst een gezellige drukte die doet denken aan een plein in het centrum van de stad. Hier zijn geen kinderen, ouders met kinderwagens of oudere patiënten. Druk overleg en gesprekjes met een enkele uitroep of vette lach zijn hoorbaar. Dit geroezemoes wordt geregeld op de achtergrond onderbroken door een voorbijgaande bus of proefrit-rijdende tram die steeds aangekondigd worden door een waarschuwend geklingel. Studenten praten over hun familie, over een feest de komende zaterdag en spreken soms, zo hoor ik over het zojuist afgelopen college. Er hangt de geurmengeling die doet denken aan een plein in Gent in de zomer, van frituur, warme broodjes en koffie. Alleen de geur van verschaald bier en muziek uit cafés ontbreekt in dit mengsel. Hoewel een voormalig volkskrantcolumnist vandaag zou bestempelen als rokjesdag, zijn er geen rokjes te zien maar lopen de jonge vrouwen vrijwel allemaal in lange broek met jasje of trui. Tussen de houten banken door loopt en fietst ieder zijns weegs.

Het roodstenen gebouw wordt geflankeerd door ook hier nog tamelijk jonge bomen in zacht groene lentekleur. De gesprekken lijken drukker te worden. Enkele kauwen zoeken hun voedsel tussen de gasten op het pleintje. Studenten hebben het hier gezellig.

(mei 2019)