17 november 2023
Vandaag begin ik, voor het eerst dit schooljaar in groep 5. Ik ken de klas als groep 4 van vorig jaar. Een vrolijk weerzien en ik ga meteen aan de slag: bij de inloop is iedereen op een laptop bezig met taaloefeningen, woordenschat en omgekeerd de betekenis van woorden. Steeds verschijnen er een korte omschrijving en daaronder staan naast elkaar vier woorden waaruit je het juiste woord moet aanklikken. Bijv. een aantal wedstrijden die bij elkaar horen> competitie. En omgekeerd: er staat een woord en vier omschrijvingen. Kies de juiste omschrijving. Ik zie dat de meeste kinderen de woorden en de omschrijvingen goed weten. Meester Klaas legt uit dat het kiezen met meerkeuze antwoorden makkelijker is dan zelf de omschrijving of het woord opschrijven. Maar dan nog zie ik een stevige groei van hun woordenkennis in vergelijking met enkele maanden terug in groep 4.

Het hoofdonderdeel van dit deel van de morgen is werken aan een gedicht. Meester Klaas verwijst naar wat zij eerder deze week daarover geleerd hebben. Aan de hand van een woordenwolk maken zij een gedicht, door bij de woorden van de wolk rijmwoorden te zoeken.
De kinderen werken geconcentreerd en vrijwel iedereen slaagt erin een gedicht te fabriceren. Ik loop rond en help bij het zoeken van rijmwoorden – Wat rijmt er op paraplu?- en help waar nodig ook met het maken van zinnen.
Na 30 minuten krijgt een tiental kinderen de gelegenheid hun gedicht voor te dragen. De verschillen bij wat ik zie en hoor zijn groot. Sommige kinderen maken gedichten met korte en lange zinnen door elkaar, andere maken iets wat in de buurt komt van een rap. Het lef om voor te dragen en het volume daarbij (meestal te zacht) verschilt eveneens. Waarin de kinderen hierbij overeenkomen is trots en dat ontroert.
Een gedicht kan er dan uit eindelijk zo uitzien:

Bij het fruit eten vóór de pauze leest meester Klaas voor uit het boek van Zepie. Meester Klaas vraagt eerst wie mij kan vertellen wat er tot nu toe is gebeurd. Van achtereenvolgens drie kinderen krijg ik een beeld. Terwijl het fruit gegeten wordt is het doodstil want meester Klaas leest mooi voor.

Na de pauze ga ik naar groep 4 waar meester Sjoerd begint met de vraag of de pauze voor iedereen fijn was. Twee kinderen hebben een aanvaring gehad en krijgen de opdracht buiten de klas het probleem te bespreken en op te lossen. Nadat enkele kinderen een opsteker geven aan een paar andere, gaan wij door, zoals altijd op vrijdag, met het taalonderdeel Nieuwsbegrip. Het betreffende item van het Jeugdjournaal gaat deze week over het zinken of overstromen van Tuvalu, een eilandengroep in de Stille Oceaan.

Ik ga met vier kinderen de bijbehorende tekst paragraaf voor paragraaf lezen en de erbij behorende vragen bespreken. De kinderen lezen graag voor en werken goed door bij de opdrachten. Ik ben eerder klaar dan meester Sjoerd die aan hetzelfde werkt met de overige kinderen. Hij neemt daarbij de tijd voor onderling overleg tussen de kinderen over de vragen. Ik neem me voor de volgende keer meer in gesprek te gaan met de kinderen en ga proberen het ver-van-mijn-bed-karakter van een onderwerp dichter bij hun eigen wereldje te brengen.
Maar eerst even iets heel anders. Drie kinderen komen aan de beurt die op de tafel van de meester gaan staan -schoenen uit! – en mogen bewegen en geluiden maken waarbij de klas het nadoet: spiegelen. Kinderen doen het erg graag maar zijn wel wat verlegen.
Er is hard gewerkt bij Nieuwsbegrip, daarom mogen de kinderen tien minuten stillezen voor zichzelf. Het is muisstil. Sommige kinderen gaan helemaal op in hun verhaal. Ik zie heel verschillende boeken en ook enkele stripverhalen.
Omdat meester Sjoerd vandaag de pleinwacht van een collega overneemt, doet juf Eva het dictee dat de morgen afsluit. Zij zegt de zin, de klas roept hardop het woord waar het omgaat en schrijft dit vervolgens op. Juf Eva vraagt daarbij ook welk soort woord het is: een ook-zo-woord, een luister-woord, een weet-woord.
Het gaat vandaag om de woorden: sprong, bonkt, fluit, beurt, fel, schonk, koorts, zinkt, vlam, scheur, denkt en poort.
Ten slotte gaat de lunch vooraf aan de middagpauze. Maar niet nadat enkele kinderen een ster hebben gekregen voor hun inzet of samenwerking. Later als ik vertrek deel ik nog even enkele boksen op het schoolplein.
24 november
Er zijn twee kinderen ziek vandaag, zo blijkt direct na de inloopperiode. De kinderen (van Groep 4) geven mij nu uit zichzelf een hand bij binnenkomst: goedemorgen meester. Tijdens de inloop werken kinderen aan hun weektaak, althans dat is de bedoeling. Een aantal kinderen is daadwerkelijk hiermee bezig, anderen hebben het nodige uit te wisselen met een buurvrouw of buurman. Enkele kinderen zijn bezig met moeilijke sommen: het ontdekken en toepassen van de regelmaat in een getallenreeks, waarbij er twee getallen, die enkele posities van elkaar staan, gegeven zijn.

Het tellen van het aantal stappen tussen twee getallen is een moeilijkheid: twee lege vakjes zijn niet twee maar drie stappen. En dan moet je nog het aantal van de gehele sprong delen door het aantal stapjes. Slechts een enkel kind komt hieruit.
Na de inloopperiode legt meester Sjoerd uit wat wij vandaag gaan doen. Ik zie dat vanmiddag “Crea” op het rooster staat, ’s morgens op de vrijdagen is het altijd rekenen en taal. Ben benieuwd wat deze kinderen bij Crea doen en of sommigen dan minder of juist beter uit de verf komen.
Voorafgaand aan het programma van de dag, begint meester Sjoerd, waarschijnlijk naar aanleiding van iets dat eerder deze week gebeurde, nog eens over hoe je met elkaar omgaat. Meningsverschillen komen overal voor maar deze bepraten wij met woorden. Een kind roept het woord empathie inleven in een ander, dan begrijp je elkaar beter. Meester Sjoerd zegt daarna dat niemand geslagen of geschopt wil worden. Iedereen begrijpt dit. De meester legt ook uit dat wij blij kunnen zijn met dat wij zoveel kunnen met ons lijf en dat wij daarom zuinig met elkaar moeten zijn en elkaar geen pijn doen.

Het rekenonderdeel begint met redactiesommen. Kinderen hebben een handleiding hiervoor, die omvat:
- Lees de opgave en geef antwoord op de vraag: wat is de som?
- Teken een getallenlijn,
- Bij een plus-som zet je het begingetal links op de getallenlijn, bij een min-som zet je het begingetal rechts op de getallen,
- Maak vanaf het begingetal een boog naar rechts bij een plus-som en een boog naar links (terug) bij een min-som,
- Zet op de boog het getal dat je erbij moet doen of eraf moet halen,
- Maak de som vervolgens en schrijf het antwoord op.[1]
Een kind heeft zijn dag niet en is niet in staat te bedenken dat hij om een stift, die hij kwijt is, kan vragen. Hij roept alleen: ik heb geen stift. Meester Sjoerd helpt hem niet en lange tijd gebeurt er niets. Leren om iets te vragen i.p.v. te roepen, vindt meester Sjoerd heel belangrijk. Als ik later met dit kind sommen maak, kijkt hij nog steeds voor zich uit en vermijdt contact. Als ik hem vraag wat er aan de hand is, geeft hij geen antwoord. Ik concludeer dan hardop naar hem: ik begrijp dat je er niet over kan praten. Hij zegt niets maar zijn ogen lijken mijn conclusie te bevestigen.
Ik ga met een groepje kinderen apart sommen maken. Dit zijn niet per se de kinderen die zwak zijn met rekenen. We werken aan plus- en min-sommen met de getallenlijn: plus en min tien. De kinderen werken goed tot aan de pauze en lijken dit rekenen leuk te vinden.
De morgenpauze wordt afgebroken zodra een koude regen uit de hemel komt. En weer spreekt meester Sjoerd met de klas over hoe de pauze voor iedereen was, wat er onderling goed en niet goed ging. Enkel kinderen geven andere kinderen een opsteker (compliment).
De morgen wordt vervolgd met het gebruikelijke taalonderdeel Nieuwsbegrip. Het item van het Jeugdjournaal komt eerst en gaat over de Tweede Kamerverkiezingen. Het item is gemaakt voor de verkiezingsdag zelf en gaat over het land besturen, partijen en politici.
Ik ga met vier kinderen de bijbehorende tekst stap voor stap lezen en de vragen erbij beantwoorden. Veel interesse kan ik niet waarnemen. Ik probeer erover te praten maar dat gesprek komt niet van de grond.
Als alle vragen gedaan zijn, gaan wij weer terug naar de klas, waar hulpjuf Eva verkleinwoorden met de klas doorneemt. Er zijn verkleiningen met -je, -tje of -pje. Het gaat erom te weten dat woorden die eindigen op -t, -d, -p -je als verkleining krijgen en woorden die eindigen op -m krijgen -pje en woorden eindigend op -n krijgen -tje. Verbijzonderingen als stam- stammetje en bom-bommetje blijven vandaag nog achterwege.
Het taalonderdeel wordt afgesloten met samenstellingen: maak uit twee zelfstandige naamwoorden een nieuw woord. Er passeren er vele, o.a. voetbal en laptop. Eén kind is de ster vanmorgen die met het woord samenstelling komt.
Opruimen en lunch en onderwijl: het Sinterklaasjournaal. Meester Sjoerd inventariseert na een vraag van een kind, wat de kinderen zoal op hun brood hebben: ik hoor hagelslag, tonijnsalade, chocola, speculoos, kaas en pindakaas. Vooral de pindakaas ruik ik overal bovenuit.
[1] Voor een goed begrip van deze handleiding: de kinderen hebben hiervoor enkele weken met een getallenlijn gewerkt, waarbij zij leerden hoe getallen ten opzichte van elkaar kunnen staan: groter of kleiner. Deze handleiding borduurt daar op voort.