Paul Auster, Winterlogboek, Utrecht – Amsterdam 2012, (oorspr. New York, 2012)
Ik heb dit boek nu twee keer gelezen, de afgelopen weken en ergens in 2012. Het is heel bijzonder. Paul Auster schrijft op 64-jarige leeftijd een autobiografie van zijn lijf: wat gebeurde er allemaal met zijn lijf in de loop van zijn leven.
Het is bijzonder omdat tegen je lijf praten in de ‘jij’-vorm niet gebruikelijk is. Hij lijkt ermee aan te willen geven dat hij beseft dat hij zijn lichaam is, maar daar niet mee samenvalt, hij is meer en daarmee ook iemand los van zijn lijf. Het is ook bijzonder dat er bij mijn weten niet eerder een lichamelijke persoonlijke geschiedenis is geschreven. Wie onderkent het belang van zijn lijf op die manier?

Hij beschrijft vechtpartijen, rennen, struikelen, eerste beharing, wonden aan knieën, sneden, schrammen, groeien, eerste seks, ongelukken. Maar ook: waar is dit lijf allemaal geweest, hoeveel vluchten heeft het gemaakt, hoeveel kilometers heeft het afgelegd, in welke huizen en steden heeft het gewoond? Wie heeft het in zijn armen gehad. Vaderschap, zijn ouders, zijn schrijven, zijn ziekten alles komt langs, van wonden die blijvende littekens achterlaten tot lekker eten, roken en drinken.
Op het eind vraagt hij zich af hoeveel keer hij geboerd heeft, hoeveel winden heeft hij gelaten, hoe vaak heeft hij zijn tenen gestoten en hoeveel uren heeft hij zijn pen in zijn hand gehad, hoe vaak hij zich geschoren heeft.
“Je blote voeten op de koude vloer als je uit bed stapt en naar het raam loopt. Je bent vierenzestig jaar. Buiten is de lucht grijs, wit haast, zonder zichtbare zon. Je stelt jezelf de vraag: hoeveel ochtenden zijn er nog over?
Er is een deur dicht gegaan. Er is een andere deur opengegaan.
Je bent de winter van je leven ingegaan.”
Prachtig
november 2023