Dit autobiografische boek van Céline uit het midden van de vorige eeuw verhaalt over zijn jeugd aan de onderkant van de Parijse samenleving Het is een rauwe aaneenrijging van avonturen, gebeurtenissen in een armoedig wijkje van de Marais in Parijs waar ik niet vrolijk van werd. Ferdinand de hoofdpersoon is de enige zoon van een echtpaar dat moet ploeteren om de touwtjes aan elkaar te knopen. Zijn vader werkt bij een verzekeringsmaatschappij als administratieve kracht en zijn moeder heeft een ambulante handelen in handgemaakt textiel (kraagjes, manchetten, boordjes, frontjes en andere versieringen van kledij) voor voornamelijk vrouwen. Ferdinand gaat niet naar school, maar helpt zodra hij kan zijn moeder met het bestellen en afleveren van spullen, bij het op orde houden van haar winkel en bij het sjouwen als mama met haar spullen de straat op gaat op zoek naar afnemers.
Als lezer kom je van de ene crisis in de andere terecht: ruzies, woede-uitbarstingen, ziektes, conflicten met buren-winkeliers, klanten die niet betalen, damesmode die wijzigt en die een dure werkvoorraad waardeloos maakt, het houdt maar niet op. Ferdinand wil maar niet deugen, leeft in zijn vrije tijd op straat en beleeft daar allerlei avonturen, ook seksuele, in de rafelrand van de Parijse samenleving. Céline verhaalt aan één stuk door over sloebers, bedelaars, hoeren, politiemannen, oplichters en dat allemaal in een taal die levensecht grof is. Veel zinnen buitelen over elkaar… Vader houdt niet op met schelden op de jonge nietsnut Ferdinand. Zijn moeder klaagt steen en been en Ferdinand denkt er het zijne over maar maakt geen contact met zijn ouders. Hij wordt, op voorspraak van zijn oom te werk gesteld als jongste bediende en hulp-vertegenwoordiger bij een groot bedrijf, nadat zijn moeder hem een heus pak heeft gegeven en hij er netjes uitziet. De noodzaak om bij te dragen aan het gezinsinkomen is niet voldoende voor succes. Hij wordt bij dit bedrijf gepest, afgezeken en bedrogen zodat hij al snel werk zonder werk zit. Ouders zijn radeloos, dat joch wil niet deugen. Oom Louis bezorgt hem een plekje in een Engelse (!) kostschool vlak ten zuiden van London. Het idee is dat hij daar Engels leert en op deze manier als (internationaal) vertegenwoordiger betere kansen maakt. Oom betaalt de kosten en de reis. Maar hij leert geen Engels op deze kostschool, houdt stijf zijn mond dicht en interesseert zich meer voor de vrouw van het schoolhoofd. Door concurrentie van een nieuwe school in de buurt loopt de school leeg en keert Ferdinand zonder aanwijsbare nieuwe kennis of vaardigheden naar Frankrijk. Zijn ouders worden bevestigd in hun beeld dat jij niet wil deugen en mopperen en schelden om het hardst. Oom Louis regelt opnieuw een baantje voor hem, met kost en inwoning. Hij wordt het hulpje van een malloot die een tijdschrift uitgeeft over uitvindingen, geregeld wedstrijden uitschrijft voor uitvinders die hiervoor moeten betalen en ballonvaarten onderneemt als kermisattractie. Deze figuur, die herhaaldelijk als oplichter tegen de lamp dreigt te lopen en woedende inzenders van uitvindingen op zich af ziet komen. Deze heer maakt, na een mislukt avontuur in de magnetische (“tellurische”) akkerbouw, een eind aan zijn leven. De vrouw van deze malloot en Ferdinand blijken onschuldig aan zijn dood en kunnen gaan. De kinderen die op zijn boerderij “meewerkten”, d.w.z. met diefstal voor het eten zorgden, worden overgebracht naar een kindertehuis en Ferdinand komt wederom terecht bij zijn oom.
Bijna zeshonderd bladzijden de meest fantastische, onwaarschijnlijke en ook pijnlijke avonturen heeft Céline geschreven. Zijn schrijfstijl is te vergelijken met een doorlopend ronddraaiende watermolen in een beek waarin van alles, maar dan ook letterlijk alles, wat de menselijke beschaving voortbrengt drijft maar niet in het water thuis hoort. Alsof een stortvloed de Parijse Marais en alles wat daarbij hoort meesleurt in de beek. De vertaler – Frans van Woerden – schrijft in een nawoord dat Céline heel precies al die ratelende zinnen heeft geschreven, herschreven en bijgeschaafd. De indruk die de tekst wekt, namelijk dat ze in één grote adem als een razende neergeschreven is, klopt niet. Dit is de stijl die Céline hier heel bewust en doordacht hanteert. Dat is knap Het boek krijgt daardoor zo’n vaart dat het geen enkele moeite kost om van de ene naar de andere ellende te lezen. Je blijft doorgaan.

Maar het maakt nog niet dat je je kunt identificeren met de opgroeiende Ferdinand. Elk meeleven, elke medemenselijkheid, elke ambitie en elke oprechte belangstelling ontbreekt in de woorden waarmee Céline deze Ferdinand en zijn lotgevallen beschrijft. Wat er rest is een inhumane kilheid die mij vreemd is, maar die, begrijp ik uit het al genoemde nawoord van de vertaler, goed weergeeft wat het cynische mensbeeld van Céline inhoudt.
Een enkele keer heb ik een stijlfout moeten constateren: een correcte officiële medische term -Céline is arts- kan niet gebruikt worden door een analfabeet.
Céline kan goed schrijven, maar hij inspireert mij niet. En dat is ook wat hij niet wil. Ik denk positiever over de menselijke aard.
Louis-Ferdinand Céline, Dood op krediet, Amsterdam, 1979
(oorspr.: Mort à credit, Paris, 1951)