De SP, een linkse kerk?

Jos Palm als kind van..

Over Jos Palm, Kind van Maria en Mao, Het verhaal van een generatie, Amsterdam 2023

De historicus Jos Palm (1956) is afkomstig uit een katholiek middenstandsgezin uit de Achterhoek. Het gezin heeft een winkel met elektrische apparaten en pa verdient hun inkomen vooral als elektricien. Palm wil een boek schrijven over zijn ontwikkeling van kind uit een katholiek gezin tot lid van de SP en hoe hij van beide afscheid nam. Op het titelblad staat de ondertitel: het verhaal van een generatie. Het lijkt erop dat hij overeenkomsten ziet tussen het lid zijn van de rooms-katholieke kerk en het partijlidmaatschap van de SP. En die overeenkomst geldt niet alleen voor hemzelf, maar voor een hele generatie. De overeenkomst zou voor hem zitten in de geborgenheid “een arm om je heen” (p. 8), “veiligheid en duidelijkheid” en “leven in het teken van het ene ware geloof” “geborgenheid bij en vertrouwen in een organisatie” en ook nog een “sterke identificatie en een belofte van een paradijs”.

Ik ga kijken of hij erin slaagt die parallel aannemelijk te maken en op basis waarvan hij dat doet. En voor de lezer: ook schrijver dezes is (streng) katholiek opgevoed en is enige jaren actief geweest in linkse studentengroepen in Nijmegen. Belangrijk verschil met Palm: de groepen waarin ik actief was, waren zelfstandig en moesten niets hebben van partijen als SP of CPN.

Palm volgt, zoals hij schrijft, het spoor terug naar het jongetje dat hij was met het geloof en het blinde vertrouwen dat hij van huis meekreeg (p.11) Zijn relaas begint met zijn ouders die na de oorlog in het huwelijk treden en in de jaren vijftig hun gezin zien groeien met in totaal zes kinderen, drie meisjes en drie jongens, waarvan hij de laatste in de rij is. Hardwerken, soberheid, gehoorzamen en je godsdienstige plichten, thuis, op school en in de kerk stonden centraal in zijn kinderjaren. Thuis is het gezellig, vertrouwd en het dorp is vol nabuurschap. De sfeertekeningen van het dorp in zijn kindertijd zijn schilderachtig, maar ik krijg als lezer geen hoogte van hoe hij dit dorpse leven als kind meemaakte; het blijft bij een buitenkant schets, een mooi landschap à la Ruisdael.

Al in de eerste fase van zijn schoolbestaan, in de eerste klas, blijkt van dat geloof en blinde vertrouwen of overgave geen enkele sprake te zijn. Om van geborgenheid nog maar niet te spreken. Hij moet niets van de juf hebben, verzet zich met hand en tand tegen haar en haar opdrachten en tegen de mores op school. Hij geeft geen antwoord op vragen, roept door de klas op onverwachte momenten, doet weinig, behalve enige baldadigheid en heeft zo zijn eigen kinderlijke gedachten. Eerst in de tweede klas wil hij gaan leren en dan gaat het goed. De manier waarop hij de episode aan het begin van de schooltijd vertelt is wat gekunsteld grappig, geschreven op effectbejag. Bijvoorbeeld over hoe de niet zachtzinnige pedagogie van meester De Rooij uitpakte. En hij schrijft hoe zijn vader tijdens een vakantie op een luchtbed drijvend met een stok de diepte peilde van het zwemwater en in stofjas, zwembroek, petje en fluitje waakte over de veiligheid van de kinderen of hoe de jonge kapelaans geregeld de vrouwelijke aandacht die ze node misten zochten bij moeder Palm. Dit is proza voor een slapstick-scenario.

Jos Palm wordt overigens vooral door zijn oudere zus ingeleid in de leefwereld van het katholieke geloof, zoals bij de voorbereiding op zijn eerste communie. Ze leerde hem kerkliedjes en las hem voor uit de kinderbijbel. Het geloof was overal aanwezig in zijn kinderbestaan, thuis, op school en ook in de vrije tijd bij de sportvereniging, padvinderij en harmonievereniging. De beschrijving dat katholieken als tweederangsburgers zich via hun eigen organisaties zoals sportverenigingen, padvinderij en harmoniekorps een volwaardige plek in de dorpssamenleving moeten bevechten, klopt voor veel plaatsen in ons land (net als dat landelijk gold voor krant, tijdschrift, vakbond en omroep). Maar bij de beschrijving hiervan mis ik ook hier zijn innerlijke beleving van dat katholicisme. Dat hij misdienaar werd aan het eind van de lagere school maakte dat hij onder schooltijd veel uitvaartmissen meemaakte. Ook hier werd de hoop op een verlossing (in het hiernamaals) bezongen[1]. Op school merkte hij wel het onderscheid, o.a. aan de plaats in de klas en de opdrachten die kinderen kregen, dat gemaakt werd tussen kinderen van het gewone volk en de kinderen van de gegoede families en herenboeren.

Hij beschrijft zijn afscheid van de lagere school als met goede cijfers – met vlag en wimpel zou men toentertijd zeggen – maar gaat een moeizame tijd op de middelbare school (mavo) tegemoet. De nieuwe tijd van de jaren zestig breekt aan en brengt hem ernstige twijfel over het geloof en de samenleving. De scholen veranderen ook daadwerkelijk. De lessen Nederlands worden een oefening in democratie, met tafeltjes in een kring, gericht op gesprek i.p.v. op luisteren. Van de lessen geschiedenis genoot hij, hij leerde daar van de slavenopstand in Spartacus en van de Franse revolutie. De meeste andere leraren en hun lessen riepen weerzin op. Hij vindt geen aansluiting bij klasgenoten, verslonst zijn kleding, rookt Gauloises en straalde daarmee bravoure uit, wat hij in feite niet had. Hij had last van “algemene wankelmoedigheid”, was “misselijk van weerzin en onzekerheid” en haalde alleen voor geschiedenis voldoendes, maar wel aflopend. Na twee jaar brugklas blijft hij zitten en moet van school af.

Hij gaat niet meer naar school en als zij thuis is, luistert hij naar de verhalen van zijn oudere zus die intussen in Nijmegen studeert en daar betrokken raakt bij Vietnamdemonstraties en de Actiegroep Medicijnen. Hij wordt actief in de Wereldwinkel van Doetinchem en wordt op zijn 17de lid van de SP. Zijn zus die in Nijmegen studeert, is hem daarin voorgegaan en komt met enthousiaste verhalen en boekjes thuis en weet hem te betrekken bij allerlei activiteiten totdat hij, en een iets oudere zus, beide partijlid worden en de afdeling Doetinchem van de toen nog maoïstische SP, bemensten. Hij werkt in een fabriek, zoals gebruikelijk in de SP, maar stopt daar al snel mee, dat is niets voor hem. Zonder baan kan hij zich wijden aan het partijwerk: colporteren met de Tribune, deur aan deur in de wijken het verhaal vertellen en steeds op zoek naar “het gat van Doetinchem”: de misstand waartegen de Partij actie kan voeren en mensen kan mobiliseren. Deze acties biedt de SP in tweede instantie de gelegenheid haar grotere verhaal van het wenkend perspectief van het socialisme te vertellen. Dat gaat moeizaam, alleen in een klein dorpje vlakbij Doetinchem wonen arbeiders. Doetinchem is in die tijd vooral een stad om zo snel mogelijk te verlaten als je iets wilt met je leven. Het begint pas te lopen als hij voor de SP-afdeling Doesburg gaat werken.

Palms relaas vervolgt met activiteiten en zijn rol daarin bij de SP. Hoe dat loopt en hoe hij zijn bijdrage levert in Doetinchem, beschrijft Palm mooi en navolgbaar. Het wordt spannend als de eerste haarscheurtjes aan eigen gedachten ontstaan rond en vlak na de eerste keren dat de SP landelijk meedoet aan de parlementsverkiezingen en geen resultaten boekt. De eerste keer stemt hij zelf “strategisch” op de PvdA.

De discussies binnen de partij hierover worden op een stalinistische wijze door opperbaas Monjé geleid en afwijkende opvattingen als “kleinburgerlijk” naar de mestvaalt van de geschiedenis verwezen. Wanneer dat parlementaire succes uiteindelijk wel gebeurt in 1992 is Jos Palm allang uit de partij gestapt, hij is er tien jaar actief geweest.

Bij zijn breuk met de partij is belangrijk dat hij zelf bleef lezen wat hij zelf verkoos te lezen, bijvoorbeeld Isaac Deutschers biografie van Stalin en allerlei andere literatuur van over de gehele wereld. Zelf nadenken leidde hem uiteindelijk naar de uitgang van de partij. Zijn behoefte om te studeren die na enige tijd weer ontstond volgde hij in weerwil van wat gemeengoed was in de SP en op zeker moment sprak hij Monjé hardop tegen op een partijbij­eenkomst. Een doodzonde zou een katholiek dit noemen.

Na de opleiding tot leraar geschiedenis deed hij een master en werd hij historicus, onder meer van het radioprogramma OVT en, jawel, met een boek over de teloorgang van het katholieke leven in Nederland[2].

Terugkijkend op dit boek sta ik wat verbaasd over het feit dat hij ook over het leven, de politieke bewustwording en het SP-lidmaatschap van zijn oudere zus schrijft. Hierbij verschaft hij informatie over haar activiteiten en haar motieven. In het voorwoord meldt hij dat zijn twee zussen hem het vertrouwen gaven het verhaal op te schrijven, hij heeft kortom zich niets wederrechtelijk toegeëigend. Toch vind ik het opmerkelijk dat hij het aandurft om over haar leven te schrijven. Mijn verbazing is des te sterker daar zijn zus nog steeds (althans in 2022) lid is van de SP. Hij schrijft nergens dat zijn zus zijn tekst over haar vooraf gelezen heeft en waar nodig gecorrigeerd heeft. Misschien heeft dat wel plaats gevonden, maar als lezer kom je dit niet te weten. Zo blijft dit ontbreken van enige uitleg hierover raar, een onverklaard plaatsvervangerschap. Ik moet het er maar op houden dat in sommige gezinnen en families de verhoudingen anders zijn dan ik mij kan voorstellen.

En dan komt nu het antwoord op de vraag: is er een parallel tussen het leven in en met een katholieke kerk en een leven in en met een partij als de SP, beide zouden immers immers om opofferingen vragen en beiden zouden, geborgenheid, vertrouwen en sociale binding bieden.

Ik kan mij voorstellen dat deze vergelijking zich aan Palm opdringt. Zijn meest religieuze zus en het brave jongetje dat hij zelf was gaan beide over van de Kerk naar de Partij. En in Nijmegen zijn meer mensen van oorspronkelijk katholieke komaf in de SP en in andere radicale actiegroepen terecht gekomen. En wat er ook voor spreekt is dat in zijn familie een kleinkind van zijn ouders uit een SP-gezin (waarschijnlijk dat van zijn zus) zich op volwassen leeftijd laat dopen tot een “tamelijk zware tak van het protestantisme”. De vergelijking dringt zich zo inderdaad op.

Intermezzo

Wat het “Havana aan de Waal” (Nijmegen) betreft is er vaker in kringen van de toenmalige CPN in Nijmegen en van uitgeverij SUN[3] het idee uitgesproken dat het ontbreken van een sterke traditionele, georganiseerde arbeidersbeweging (lees CPN) in Nijmegen de radicalisering mogelijk maakte. Ik denk dat in deze gedachte een kern van waarheid zit, maar niet op de manier waarop de SUN en de CPN van toen dachten. In Amsterdam heeft de lokale CPN vanaf de bezetting van het Maagdenhuis in 1969 zich bemoeid met de studentenbeweging, er nieuwe leden geworven en geïntervenieerd in allerlei discussies. Zo kon het dat de toenmalige ‘grondraad’ (=algemene studentenvereniging) ASVA een instrument werd van de CPN.[4] In Nijmegen hebben wij op die schaal geen last gehad van de machinaties van de lokale CPN, die was daarvoor simpel te klein. Dat daardoor de studentenbeweging zich vrijelijk kon ontwikkelen lag wat mij betreft niet aan het feit dat de juiste (CPN-)ideeën in Nijmegen nauwelijks gehoord werden. Wij konden juist onze eigen ideeën bediscussiëren en politieke strategieën kiezen omdat we van hun machinaties geen last hadden. De kleine grondraad USN was in handen van de CPN (net als de GSB van Groningen en de Amsterdamse ASVA) en had als dwerg weinig te betekenen in Nijmegen. Inderdaad konden wij bedenken en doen wat wij zelf verkozen, met alle onderlinge meningsverschillen en gedoe. Autonomie was een groot goed, maar niet de hemel.

Geborgenheid als parallel bij Palm

Terug naar het boek van Palm. Palm maakt voor zichzelf en “een hele generatie” een vergelijking met het lidmaatschap van de rk kerk en van de SP. Bij beide overtuigt hij me geenszins, ook al zijn er in zijn familie veel voorbeelden die erop kunnen wijzen. Ik denk dat bij Palm de geborgenheid, het vertrouwen op de uiteindelijk goede afloop, en al het mooie wat hij zowel in de kerk als in de SP mocht meemaken slechts een zeer tijdelijk overeenkomst is.

Hij verhaalt om te beginnen van zijn opstandigheid op de lagere school vanaf de eerste dag, niets van braaf meedoen! Op de mavo gebeurt hetzelfde: wat niet bij zijn eigen leefwereld past, slikt hij niet. Als schoolverlater gaat hij zelf lezen en nadenken en voert gesprekken met zijn zus en komt zelf tot andere ideeën dan de katholieke; de overeenkomst is dat hij er net als in de kerk er iets mee doet (in de SP).

Maar na enige tijd gaat hij ook als lid van de partij zelf kiezen wat hij leest, gaat zichzelf vragen stellen en gaat hij ook op partijbijeenkomsten het nodige inbrengen en reageren. Dit is de overeenkomst en parallel die ik zie, ook met mijn eigen geschiedenis: Jos Palm komt, als kind en als volwassene, en desnoods via een omweg steeds erbij uit dat hijzelf nadenkt en eigen keuzes maakt. Maar over deze parallel schrijft Jos Palm niet. Waar hij het zoeken naar gemeenschapszin en geborgenheid benadrukt, zie ik een niet tegen te houden drang om je eigen gedachten en keuzes te maken.

Geldt zijn parallel van het zoeken naar geborgenheid voor een hele generatie? Je kunt, denk ik, alleen betrouwbare uitspraken over hoe iets in elkaar zit als je het onderzocht hebt. Jos Palm ziet enkele familieleden een vergelijkbare ontwikkeling meemaken en ziet dat de SP in het destijds overwegend katholieke zuiden het een aantal jaren goed doet. Hij noemt verder geen enkele informatie die erop zou kunnen wijzen dat veel SP-leden op dezelfde manier geborgenheid, hoop en gemeenschapszin zochten in de partij, zoals zij dat vroeger in de ‘Moederkerk’ vonden. 

En ook dat laatste is overigens zeer fragwürdig: voor veel kinderen en jongvolwassenen was de kerk niet veilig en was er bepaald geen geborgenheid in die kerk noch in haar neveninstellingen zoals kostscholen en seminaries. Dat Jos Palm dat zelf wel zo ervaren heeft, op zijn minst voor een tijdje, is mooi voor hem maar dat maakt niet dat hij de zoektocht naar geborgenheid kan toewijzen aan een hele generatie. Voordat hij dit kan beweren moet hij eerst maar eens onderzoek gaan doen en informatie daarover met bronvermelding noemen.

Nu hoeft een persoonlijk relaas niet steeds de wetenschappelijke onderbouwing te hebben waaraan een wetenschapper verplicht is. Maar een persoonlijk relaas in enkele zinnen geldig verklaren voor een hele generatie, is een wel vaker voorkomende tamelijk grote zelfoverschatting. Alleen namens jezelf praten is meer gepast.


[1] Hij vertelt dat de tocht met de kist en de familie naar het kerkhof begon met het zingen door de koster van In Paradisum. Zie en hoor: In Paradisum – YouTube.

[2] Jos Palm, Moederkerk, De ondergang van Rooms Nederland, Amsterdam, 2012.  Dit boek is geen geschiedenis van de naoorlogse rk kerk maar een persoonlijk terugblik op het kerkelijk geloof van moeder Palm en wat daarvan geworden is.

[3] Zie bijvoorbeeld Ruud Abma, Een zaak van lange adem, Hoe een Nijmeegs boekenimperium de studentenbeweging overleefde, Nijmegen 2019; met name op blz. 62-65.

[4] Zie bijv. Rudi van der Velde, Ik had het begrip macht nooit gerelateerd aan de verhoudingen binnen de partij, in De Groene, 6 juni 1984.


2 reacties op “De SP, een linkse kerk?”

  1. harrievleerlaag Avatar

    Hoi Frank,

    Ja, die beruchte, o zo makkelijke parallel tussen een katholieke jeugd thuis en de bekering tot marxist-leninist in de studentenstad. Ik heb Palms boek nog niet gelezen (ga ik zeker doen), maar ik denk dat jouw kritiek hout snijdt. Hoezo geborgenheid? Zo te lezen gold dat voor Palm zelf maar ten dele. Voor mij amper: kerk was plicht tot mijn vijftiende, daarna een instituut om te wantrouwen. En het marxisme was gewoon in de mode, kwestie van tijdgeest. En dat ik me bij onze linkse club bij Nederlands en in Nijmegen thuis voelde, heeft niets met mijn katholieke achtergrond te maken. Wie wil er niet bij een gezellige club horen?

    Groet,

    Harrie

    1. Frank Koster Avatar

      Dag Harrie,

      Dit is wat ik noem een krachtige reactie. Ik ben benieuwd wat je van het boek zal vinden zodra je het gelezen hebt.

      Frank

Geef een reactie op harrievleerlaag Reactie annuleren