Auteursarchief: Frank Koster

Over Frank Koster

Beleid- en onderwijspensionado (MBO) Liefhebber van muziek, lectuur, tuinen en vooral van partner, familie en vrienden.

Bespreking van Liesbeth Koenen, Het vermogen te verlangen

Liesbeth Koenen, Het vermogen te verlangen [9 letters], Gesprekken over taal en het menselijk brein, Amsterdam, 4e druk 1998.

Onlangs las ik in de krant de necrologie van Liesbeth Koenen die dit jaar (2020) in augustus op 62-jarige leeftijd overleed. Liesbeth Koenen was een journalist die uitsluitend over taal, taalkunde en hersenonderzoek schreef. In de aanstekelijke necrologie – Koenen werd beschreven als iemand die enthousiast op allerlei manieren met taal bezig was – werd deze verzameling interviews genoemd. Ik besloot het boek te lezen en heb daar geen spijt van.

Ik ben een warm voorstander van het correct gebruik van de Nederlandse taal. Praktische taalkwesties als hoe spel ik een niet alledaags samengesteld woord, hoe vind ik, ik word ouder, tijdig in een gesprek een naam of een woord, is tweetaligheid moeilijk te verwerven, hoe schrijf ik een zin met drie bijzinnen zo helder mogelijk op, enz. enz. zijn vragen die mij nogal eens bezighouden.

Enkele interviews waren stevige kost voor een niet-taalkundige, maar over het algemeen was het zeer prettig om met al deze kanten van de taal en de taalkunde op deze manier kennis te maken. Ik geef hier een selectief overzicht met enkele krenten uit de pap van Koenen.

Om te beginnen is de titel een cryptogram-opgave. Koenen opent het boek met een uitgebreid gesprek met de grootvader van de moderne taalkunde Noam Chomsky die met de generatieve grammatica de taalkunde in feite opnieuw definieerde en de basis legde voor een nieuw uitgebreid onderzoeksprogramma. De generatieve grammatica zoekt naar de regelmatigheden en structuur van de taal en bracht het vermoeden ter tafel dat de structuur van allerlei talen veel overeenkomsten vertoont en dat mensen het begrip en aanleren daarvan bij de geboorte meekrijgen.

Koenen spreekt met twee onderzoekers van het Max Planck Instituut over afasie, het niet aangeboren onvermogen om te praten, meestal ontstaan als gevolg van hersenschade. Deze onderzoekers ontwikkelden een test waarmee een herstelprogramma gemaakt kon worden. Wonder boven wonder blijkt deze test prima te vertalen naar andere talen. Een heel ander gesprek voerde zij met de Amerikaanse hoogleraar Gleitman, die onderzoek deed naar de taalverwerving van kinderen. Er is veel reden aan te nemen dat de taligheid van het gezin waarin iemand opgroeit van minder belang is dan het erfelijke taalvermogen. Dit aangeboren taalvermogen blijkt ook bij de ontwikkeling van zogeheten creooltalen, talen die ontstaan wanneer twee groepen mensen met elk hun taal in een nieuwe gemeenschap elkaar ontmoeten. Ouderen en jongeren in die nieuwe gemeenschappen spreken na verloop van tijd een nieuwe “mengelmoestaal”. Ouderen blijven daarbij steken in eenvoudige zinnen. Kinderen in die gemeenschappen ontwikkelen nieuwe woorden en nieuwe grammatica.

Koenen is eveneens erg geïnteresseerd in gebarentalen en heeft daar ook over gepubliceerd. Hier in dit boek komt in een gesprek o.a. een experiment ter sprake waarin aangetoond werd dat kinderen van 5 à 6 jaar die doof zijn en gebarentaal spreken al haarfijn het onderscheid weten tussen kijken en zien. En dan is er nog voor niet-doven het opmerkelijke verschijnsel dat gebarentalen in elk land anders zijn. Er zijn enkele gesprekken over hersenonderzoeken (waar zit taal, waar zit gevoel, waar muziek?), over taal en intelligentie, over de vraag of je kunt denken zonder taal, over samengestelde woorden, over talen waarbij de toon waarop je iets zegt de betekenis bepaalt. Voor iemand met interesse in dit soort zaken, is dit een heerlijk boek.

En dan heb ik het nog niet eens gehad over het gesprek met J.B. Drewes die na twaalf jaar monnikkenwerk een nieuwe uitgave van “De Grote Koenen” voorbereidde en nog mocht mee maken dat het verscheen. Een meer eigengereide man is niet makkelijk te vinden, een meer geduldige echtgenote, al helemaal niet. Maar het woordenboek voor hedendaags Nederlands mag er zijn. Er zijn ook zeer vermakelijke gesprekken met Hugo Brandt Corstius, die van de Opperlandse letterkunde, met Paardekooper over zijn opmerkelijke visie op spelling en grammatica en die zich kwaad maakt over de vele Engelse woorden (“moedertaalmasochisme’) , met Reinhold Aman, de Amerikaanse uitgever van een periodiek over scheldwoorden en vuilbekkerij in allerlei talen – Maledicta. Aman legt uit dat in alle culturen gevuilbekt wordt en dat het overal met name gaat om schelden op basis van godsdienst, familie en lichaamsfuncties. Als laatste noem ik de gesprekken met dr. Verschuyl over cryptogrammatica, zeer instructief o.a. over soorten cryptogrammen en het gesprek met Gerrit Komrij over zijn vertaling van Old Possum’s Book of Practical Cats van T. S. Eliot dat Komrij in 1985 vertaalde tot Kobus Kruls Parmantige Kattenboek, waarna hij de op hetzelfde boek gebaseerde musical Cats ook vertaalde met prachtige vondsten als Spikkelpikkelmies voor Jennyanydots en Snauwtijger voor Growltiger. Volgens Komrij wordt het vertaalwerk sterk ondergewaardeerd.

Commentaar op dit boek? Het zou Liesbeth Koenen en de uitgever erg gesierd hebben als ze de moeite hadden genomen om de plek (medium) en datum van eerste publicatie bij alle interviews te vermelden. Vooral de gesprekken over vorderingen in het taalkundig onderzoek zijn dan beter op hun waarde te schatten.

Het lezen van dit boek is gevolgd door de aanschaf, zoals bij mij wel vaker gebeurt, niet van één, maar zelfs van drie andere boeken. De Grote Koenen (voor zover ik weet geen familie, maar wel ook uit Limburg), een dik woordenboek voor “eigentijds Nederlands” (uit 1986) heerlijk om te hebben. Ook schafte ik een ander boek van Liesbeth Koenen aan, samen met Rik Smits gemaakt: hun Handboek Nederlands (uit 2004). Dit laatste boek staat vol handige, soms verouderde, aanwijzingen voor het gebruik van de taal. Eén voorbeeld: Koenen en Smits maken gewag van een voor mij taalkundige nog onbekende zinsvorm: de snauwende wijs. In deze wijs is de zin vaak onvolledig en wordt een voltooid deelwoord of heel werkwoord gebruikt. Bijv.: Ingerukt, mars! En: Remmen! Leuk en handig dit handboek. Ten slotte heb ik ook Komrij’s vertaling van het kattenboek van Eliot aangeschaft. Alle drie de pareltjes zijn voor een habbekrats op boekwinkeltjes.nl te vinden. Maar zo kom ik natuurlijk nooit door mijn leeslijst heen.

(november 2020)

Het Griftpark

Het Griftpark bestaat in haar huidige vorm zo’n twintig jaar. Ik ga er eens kijken hoe het bezocht en gebruikt wordt en wat er zoal gebeurt.

Het is een zondagmiddag een rustige herfstdag in de coronadagen van 2020. De zon is bij vlagen flauwtjes aanwezig, de wind waait zwak.

Ik zit op een bankje tegenover een plas. Meerkoeten en meeuwen komen dichterbij nadat ik ga zitten, vermoedelijk in de hoop wat eten te snaaien. Enkele bankjes zijn bezet. In de kinderboerderij is er volop leven. Kinderen geven de beesten eten en aaien de schapen. Oudere stellen maken hun rustige zondag­middag wandeling. Hardlopers rennen voorbij in duo’s rustig kletsend of alleen in een behoorlijk tempo. Jonge ouders met hun kinderen lopen voorbij; kleine dreumesen rennen en struikelen vooruit op hun ouders met kinderwagen.

Ook eenlingen lopen hier, soms stil maar sommigen voeren uitgebreide gesprekken via hun oortjes met iemand elders. Groepjes van acht of tien mensen zie ik niet, de sociale hygiëneregels worden nageleefd. Mensen leven in hun eigen cocon en maken geen contact met anderen.

Een stel dat mij niettemin aanspreekt en goedendag zegt is een welkome uitzondering. Het Griftpark is blijkbaar de afgelopen twintig jaar uitgegroeid tot een ontmoetingsplaats voor wandelaars, sporters, tieners, gezinnen en jonge skaters. Er is horeca (nu gesloten op behalve een afhaalloket). Aan de vele nog niet uitgegroeide bomen kun je zien dat het park nog jong is.

Iedereen vindt er iets van zijn gading: individuele wandelaars tijdens hun middagpauze, fitnessclubjes, natuurvrienden die op het wilde gedeelte afkomen, jongelui die hun kunsten laten zien op een grote skatebaan.

Het Griftpark is een park in de stad Utrecht gelegen in de wijk Noordoost en aan de straten Blauwkapelseweg en Kleine Singel. Het Griftpark is gelegen tussen de Vogelenbuurt, Tuinwijk en Wittevrouwen, op de plek waar sinds 1860 de Gemeentelijke Gasfabriek en sinds 1876 de Vaalt (verzamelplek van huisafval, fk) was. In 1960 werd de gasfabriek gesloten en gesloopt. Het terrein was echter sterk verontreinigd geraakt. Het park kreeg daarom in Utrecht de bijnaam Gifpark. Tussen 1993 en 2002 werd de bodem in het gebied gesaneerd, waarna het opnieuw werd ingericht als stadspark. De verontreinigde grond is als het ware ingepakt waardoor het gif geen schade meer kan aanrichten.

In januari 2008 werd bekend dat er in de vervuilde grond een bacterie gevonden is die zich voedt met de vervuiling. Men schat dat het nog 30 tot 40 jaar gaat duren voordat op deze manier alle grond gereinigd zal zijn. Vanaf mei 2019 worden boringen in het park uitgevoerd om te onderzoeken hoe het staat met de natuurlijke afbraak door deze bacterie.

Foto: P. Brasse, HCCNet

In het park bevindt zich een skatebaan die grote populariteit geniet. Net als de voetbalkooi, veelal gebruikt door studenten. Verder zijn er in het park o.a. een kinderboerderij en een restaurant. Door het park loopt het stroompje de Biltsche Grift waar het park zijn naam aan dankt.[1]

Een gezin loopt langs druk delibererend over het eten van vanavond. Een man met loslopende hond, die eigenlijk aangelijnd moet zijn, komt langs. In de tegenoverliggende richting nadert een man die zijn hondje draagt, er misschien niet op vertrouwend dat zijn hondje door de andere met rust zal worden gelaten. Wat verder, op  een bank, zitten twee oudere vrouwen met een rollator zachtjes met elkaar te praten, af en toe een blik werpend op een jong stel dat dicht tegen elkaar op een andere bank zit. Plots wordt de relatieve rust door geschreeuw van de vogels verstoord wanneer een man een zak brood komt versnipperen. De meerkoeten zijn erg efficiënt in het benaderen van de gulle gever en vooraan te staan bij het uitdelen.

Een stel komt naast me op een andere bank zitten en begint een gesprek over het park. Geboren in Wittevrouwen hebben ze vroeger op het terrein van de gasfabriek en bij de vaalt veel gespeeld. Enthousiast vertellen ze over de tijd dat ze hier nog onbewaakt en onbespied door ouders en andere volwassenen allerlei kattenkwaad konden uithalen. Buitenspelen was avonturen beleven.

Een hardloper met weinig looptechniek sjokt voorbij. Stellen wandelen voorbij en praten zachtjes wanneer ze mij passeren.

Een ouder stel komt stevig gearmd voorbij, maken hun zondagse wandeling en maken ook een praatje. De groepjes wandelaars worden groter, drie – vier mensen, het wordt ook drukker. Naarmate het aantal mensen toeneemt, lijken de vogels zich terug te trekken. Kinderen ruziën over een stuk speculaas wordt en of eerst de speeltuin of eerst de kinderboerderij bezocht wordt. Twee stellen die hier uit de buurt komen kennen elkaar blijkbaar en maken een praatje op afstand. Als er nog een stel in de kring aansluit maakt iemand de opmerking dat het op een samenscholing begint te lijken.

Intussen hebben de meerkoeten en de meeuwen gezelschap gekregen van twee bruine ganzen en twee zwarte aalscholvers. Vooral de aalscholvers doen heel druk in het water. Wanneer er een kind verschijnt met ongepelde pinda’s is de schare vogels onmiddellijk weer volop terug. Een oude man, met mondpakje en wandelstok met messing knop zit nu op het bankje naast me en bekijkt het tafereel van de vogels met belangstelling.

Even verderop spelen jongens vooral, ik zie weinig meiden, met stepjes en skates op de skatebaan. De sprongen omhoog uit de betonnen kom zijn hoog en spectaculair. Het grasveld voor de betonnen kom is drassig. De bewoners van de blauwe flat erachter hebben voortdurend uitzicht op dit speelse gebeuren. Of ze er blij mee zijn is de vraag. ’s Avonds zullen er ook jongelui met muziekdragers te horen zijn en deze gaan meestal niet bijtijds naar bed. Even later zie ik een geel bordje staan waarop gemeld wordt dat na 22.00 u en voor 6.00 u het park verboden terrein is.

Wat later loop ik door het minder aangeharkte (“natuurlijke”) deel en zie ik op momenten de grote ijzeren beeldengroep van Thomas Schütte her en der boven de begroeiing uitsteken.

Als ik een dag later terugkom schijnt de zon volop maar is het veel stiller. De kinderboerderij en de speeltuin zijn gesloten. Het is maandag, kinderen zijn naar school. Bezoekers zijn wandelaars die een hond uitlaten of een ommetje maken tijdens werkpauze. Zij die alleen lopen voeren vrijwel allemaal een gesprek via hun telefoon. Een persoon is hoorbaar aan het onderhandelen over een opdracht. De vogels lijken te weten dat ze van de bezoekers van vandaag niets te verwachten hebben en komen niet dichterbij om te bedelen. Het stil, alleen het geschreeuw van de meeuwen en het gedruis van het verkeer op de Blauwkapelseweg zijn hoorbaar. En intussen genieten enkele bezoekers op een bankje van de aangename herfstzon.

De bovengrondse rust heeft haar tegendeel onder de grond. Daar werken miljoenen bacteriën met z’n allen de bodemvervuiling weg die de gasfabriek en de Vaalt hier in vroeger tijden achter lieten.

(november 2020)


[1] Bron: Wikipedia

Gagelhof en omgeving

Het is niet druk, zo midden op de dag een mooie mei dag, bij het winkelcentrum De Gagelhof. In zomerse kledij, zonder jas, lopen mannen en vrouwen, veelal van middelbare leeftijd of ouder naar een van de winkels, waarvan de supermarkt van Dirk de meest bezochte is. Het is Coronatijd, ik zie geen groepjes mensen, wel eenlingen, soms fietsend over het pleintje. De mobiele Halal fastfoodzaak doet goede zaken, de merendeel jonge klanten staan in een (korte) rij en houden netjes afstand. De klandizie oogt als met een migratieachtergrond. Geregeld komen klanten in hun auto aan, parkeren op de parkeerplaats en stappen op een winkel af. Een enkel busje van een leverancier parkeert en laat bij het uitladen de motor doorlopen.

Een groepje basisschoolkinderen wacht met een drietal begeleiders op.., ja waarop? Wie weet zie ik dat zo dadelijk.

De Gagelhof is een winkelcentrum die bestaat uit een twaalftal winkelpanden die in een boog gepositioneerd zijn op de hoek van een kruispunt. De winkels -een tabakszaak, een restaurant, een huisartsenpraktijk, een bakkerij, een groentezaak en een supermarkt – zijn de begane grond van een in een ronde bocht opgetrokken woonflat met nog vier woonlagen. De nog frisse rood-oranje kleur van de bakstenen gevel doet vermoeden dat het gebouw rond de twintig jaar oud is. De flatwoningen hebben alle een balkon, waarvan sommige zijn versierd met bloembakken of vlaggetjes. Zonder dat ik het merkte is het groepje basisschoolkinderen intussen verdwenen.

De Oranjerivierdreef die op dit plein uitkomt kent eveneens nog een rij winkels: waaronder een kapper, belwinkel, zonnebank. Ook in dit straatje is er weinig publiek. Verkeer is niet-doorgaand maar gaat of komt naar een woning of winkel in de straat.

Op het plein staan een tiental boompjes met fijn getande lichtgroene blaadjes die het frisse lente-uiterlijk nog niet kwijt zijn. De boompjes geven het plein kleur gaat het plein de komende jaren steeds meer overschaduwen, zo is mijn verwachting. Tussen de bomen staan twee straatlantaarns die met een geel-glazige kap zijn uitgerust, een Ikea-schemerlamp in het groot.

De tabakszaak doet aan branchevervaging, zoals dat in de schoolboekjes heet: men verkoopt van allerlei, er staan een tiental boodschappenwagentjes in vele kleuren buiten op hun koper te wachten. Het plein word rustiger en stiller naarmate het middaguur verder achter ons ligt. Over blijven vooral de dertig tot vijftig holenduiven die hier ook hun domicilie hebben. Aan het gedrag van het schaarse publiek is niets te zien van enige coronagedrag, naast de al genoemde rij bij de fastfood. Slechts een enkele draagt een mondkapje.

In het aangrenzende Gagelpark is het stil er is weinig volk dat een wandeling neemt, aan het sporten is of luiert in de zon. Het park wordt slechts door een enkele voorbijganger doorkruist. Bij een sportveldje is twee volwassenen met enkele kinderen een spel een spel met houten stokblokjes aan het spelen. Met de blokjes gooit men naar blokjes van de tegenstanders die enkele meters verderop staan.

De prachtige loofbomen van het Gagelpark ruisen in de wind en overstemmen mijn tinnitus.

Over Geert Buelens, De jaren zestig, een cultuurgeschiedenis, Amsterdam 2018

Wie kent nog Patrice Lumumba? Oscar Niemeyer? Oswalt Kolle? Benno Ohnesorg? Mijn geheugen is niet verdwenen, op bijna elke bladzijde van dit boek licht een ledlampje van herkenning even op in mijn hoofd.

Bij verschijning van dit boek, ruim twee jaar terug, was me dit werk niet opgevallen tussen de aankondigingen en recensies. Vriend Harrie vond deze zomer (2020) dat ik dit moest lezen, “echt een boek voor jou”. En enkele dagen later begon ik aan dit grote werk. Dit 1024 tellende boekwerk, waarvan zo’n 200 bladzijden in beslaggenomen wordt door noten, literatuur en index, is imposant te noemen.

Je moet ook heel wat lef hebben om het aan te durven om het zevende decennium van de vorige eeuw omvattend vanuit “cultureel” gezichtspunt te beschrijven. Buelens heeft zich in de afbakening van zijn onderwerp zowel beperkt maar ook een breedhoeklens gehanteerd. Hij heeft zich beperkt tot de cultuuruitingen van onze wereld: film, muziek, literatuur, bouwkunst. Hij heeft daarbij cultuur niet alleen begrepen als de “hoge” kunsten (literatuur, podiumkunsten, beeldende kunsten, architectuur e.d.) maar ook de meer gewone als amusements- en dansmuziek, strips, geloof, de maatschappelijke positie van zwarten en vrouwen, en ook de verhouding van inwoners of burgers met hun overheid en wetgeving en andersom. Zijn breedhoeklens is daarbij niet alleen gericht op het eigen West-Europa (Buelens is een Vlaming) en het ook toen alom aanwezige Noord-Amerika. Zeer geregeld schrijft hij paragrafen over gebeurtenissen en ontwikkelingen in Latijns-Amerika, Afrika, Azië en Oost-Europa.

1 Affiche van een voorlichtingsfilm van Oswalt Kolle

Hoe heeft hij zijn boek samengesteld? Hij behandelt respectievelijk elk jaar van dat decennium in een apart hoofdstuk en presenteert deze, wellicht voor de hand liggend, op chronologische volgorde. Daartussendoor weeft hij thematische hoofdstukken die elk één onderwerp behandelt voor het gehele tiental jaren. Het gaat om thema’s als verleden, werk, wonen, geloof, spel, kennis, liefde, geweld e.a. en eindigt met toekomst

Hoe heb ik het gelezen? Ik heb ruim vijf weken over het boek gedaan, elke dag enkele paragrafen. Bij nogal wat kwesties die voorbijkwamen heb ik op Wikipedia nadere informatie geraadpleegd en muziekstukken die hij noemde en die ik niet kende, beluisterd en beschrijvingen van films opgezocht. Her en der plaatst hij lijstjes van tien items, die ik ook steevast wat langer aankeek. Het gaat om lijstjes als: 10 films uit 1963, 10 liedjes of tophits uit 1967, 10 jazzplaten van buiten Amerika, enz. enz. Die lijstjes waren een erg leuke geheugenopfrisser.

Bij aanvang van het lezen heb ik me afgevraagd wat er in de jaren zestig begonnen is, wat er in dat decennium eenmalig gebeurde en wat er in de jaren zestig eindigde of wat er sinds die jaren verdwenen is.

2 Mijn eerste lp

Ik was ruim zeven jaar toen deze jaren begonnen, zat in de tweede klas van de lagere school en kreeg ook toen al behoorlijk veel mee van wat er in de wereld gebeurde. Ons gezin had een abonnement op een dagblad[1] en die las ik steeds meer naarmate de jaren verstreken. Het besef van ons eigen land[2] en de grotere wereld werd snel versterkt sinds we sinds 1962 of ’63 een televisie hadden. Het NTS-journaal zag ik dagelijks. Zo maakte ik kennis met Amerika, de rakettencrisis rondom Cuba, Chroesjtsjov, de moord op Kennedy en de burgerrechtenbeweging. In Noord-Holland kon je verder heel goed piratenzender Veronica ontvangen (op MW 192 m) en hiermee kwam de popmuziek onze huiskamer binnen.

Met een dergelijke jeugd biedt het boek van Buelens een rijk panorama van beelden, omhoog kruipende herinneringen en “oh ja” – ervaringen, die veel meer omvatten dan het roerige jaar 1968. De jaren zestig waren voor mij het begin van een spannend leven: wat zou er allemaal nog gaan gebeuren? Een basisgevoel was: ik ben blij dat ik van na de oorlog ben en de wereld staat niet stil: het is spannend want veel ontwikkelingen en vernieuwingen gebeurden in hoog tempo.

Zoals gezegd heeft Buelens een brede blik op de wereld in zijn boek. Hij besteed aandacht aan de dekolonisatie van Afrika, de koude oorlog, de groeiende welvaart, de oorlog in Indo-China die in feite geen Aziatische maar westerse oorlog in Azië was en die de Weathermen[3] in Amerika eind jaren zestig (in hun woorden) thuisbrachten en niet in de laatste plaats aan de alom aanwezige westerse dictaturen en autoritaire regentenbestuurders in eigen land. De jaren zestig was het begin van democratisering, van ontmaskering van holle retoriek, van rituelen zonder actuele betekenis en van allerlei zoektochten naar authenticiteit en zeggenschap over je eigen leven.

Naast de caleidoscoop van gebeurtenissen, evenementen, mijlpalen en ontwikkelingen van allerlei aard maakt Buelens her en der verrassende opmerkingen die betrekking hebben op langer lopende ontwikkelingen dan alleen één decennium en mijn geheugen van een bepaalde tijd of gebeurtenis, totaal omdraaien.

3 Duke Ellington treedt op tijdens het eerste mondiale “negritude”- evenement in Dakar, Senegal, 1966

De eerste hiervan is: “Kennedy’s minister van Buitenlandse Zaken Dean Rusk mocht dan nog in 1961 gesteld hebben dat de Noord-Amerikaanse regering zich geconfronteerd zag met ‘het historische probleem tot een min of meer redelijke verstandhouding met de niet-witte wereld te komen’, het is een van de drama’s van de jaren zestig dat zij en haar opvolgers daarin niet of nauwelijks zijn geslaagd.” (p. 311). Vijftig jaar later weten we dat een oplossing voor dit vraagstuk na vele oorlogen en terroristisch geweld nog steeds even actueel is. De mondiale dekolonisatie én de “binnenlandse dekolonisatie” van zwarten en kleurlingen is nog volop aan de gang.

En dit is er nog een: “Er was in de zomer van 1965 in New York iets onvergetelijks gebeurd – dagelijks hadden trucks dichters, jazzmuzikanten, acteurs en een reizende tentoonstelling naar de parken en speelpleinen van Harlem gebracht -, het initiatief kreeg snel navolging elders in het land. In steden als Detroit, Chicago, San Francisco, Oakland, New Orleans en Miami kwam de zogenaamde Black Arts Movement pas echt tot bloei. De Amerikaanse cultuur zou er blijvend door veranderen. Zwarte artiesten ontwierpen een radicaal en stimulerend alternatief voor de liberale, zogenaamd autonome kunst en literatuur die in de Verenigde Staten ..(..)..de norm waren geworden. Kunst – ook op het eerste gezicht misschien complexe, veeleisende literatuur en muziek – kon met, voor en door lokale gemeenschappen worden gemaakt, geadopteerd en uitgedragen.” (p. 402)

Wat niet onvermeld mag blijven is dat in vrijwel alle landen waar jongeren, zwarten, vredesactivisten, vrouwen, studenten e.a. van zich lieten horen, van meet af ook een tegenbeweging is opgestaan. In Parijs vonden demonstraties plaats als steun aan De Gaulle, de Silent Majority, waaronder ook veel studenten, liet veel van zich horen in de VS en bracht uiteindelijk ook Nixon in 1968 in het Witte Huis. Er waren straatgevechten in Ankara tussen rechtse en linkse betogers. In ons land ontstond de Boerenpartij en later ook DS ’70 een NATO-getrouwe afsplitsing van de PvdA, voor wie de koers van de PvdA te links was. Generaals namen of hadden nog steeds de macht in (Brazilië, Griekenland, Pakistan, Indonesia e.a.). Misschien heeft de tegenbeweging in die jaren wel de electorale basis gelegd voor het huidige rechts-populisme.

4 Indonesia: De coup van het leger o.l.v. Suharto, 1966 (Wikipedia)

In literatuur en films kwamen over de gehele wereld de zoektocht naar echtheid in menselijke verhoudingen in botsing met bestaande tradities, rituelen en taboes. Veel films over liefde en over macht van bekende en onbekende regisseurs als Paulo Pasolini, Stanley Kubrick, Ingmar Bergman, Toshio Matsumoto, Jean-Luc Godard, Milos Forman, Dusan Makavejev e.v.a. hadden dit als thema. Ook seksualiteit en homo’s kwamen in beeld.

Er verschenen vele boeken van schrijvers, te veel om op te noemen – ik noem slechts Philip Roth, Carson McCullers, Heinrich Böll, James Baldwin, Junichiro Tanazaki, Pramoedya Ananta Toer, Wislawa Szymborska, Hugo Claus, Aleksandr Solzjenitsyn, V.S. Naipaul en Anna Blaman – die op zeer verschillende manieren getuigden van openheid en gebrek aan ontzag voor heilige -ook dictatoriale – huisjes. De literatuur getuigde zo van het besef dat ons leven en onze wereld van ons was en dat ook behoorde te zijn. Later brak pas het besef door dat we ons hebben te verantwoorden naar onze kinderen en kleinkinderen.

De acties in de jaren zestig werden door grote groepen mensen als oorzaak gezien van de verstoring van de harmonie en stabiliteit van de jaren vijftig. Buelens maakt daar korte metten mee. Deze beschuldiging is “..niet helemaal uit de lucht gegrepen. De bestaande orde werd inderdaad overhoopgehaald. Op nagenoeg alle vlakken werd aangetoond dat de door velen zo gekoesterde harmonie gebouwd was op een grote leugen. De onafhankelijkheidsgolf in Afrika maakte een eind aan de flagrante uitbuiting van een groot deel van de wereldbevolking door een kleine witte minderheid. Het feminisme legde bloot hoezeer vrouwen de tol betaalden voor veel mannelijk gemak. De Burgerrechten­beweging deed hetzelfde voor het niet-witte deel van de Verenigde Staten. Kort gezegd: voor al deze tweede- en derderangsburgers van de wereld bewezen de jaren zestig hoezeer die (naoorlogse, fk) stabiliteit het gevolg was van discriminatie en onderdrukking. De breuklijnen waren er dus altijd geweest, maar nu werden ze volop blootgelegd.” (p.588)

De Black Panthers protesteren niet alleen tegen de segregatie en onderdrukking van de zwarte bevolking. Op enkele plekken (o.a. Boston en Oakland) ontwikkelden zij educatie programma’s voor kansarmen waarin de zwarte en Afrikaanse geschiedenis, kunst en cultuur centraal stonden in het onderwijs dat zij verzorgden. (p. 636)

In het statige Museum of Modern Art in New York vonden eind jaren zestig twee geruchtmakende tentoonstellingen plaatst, één over niet-westerse “primitieve” (sic) kunst, de eerste in MOMA’s geschiedenis, en een documentaire tentoonstelling over Harlem waarin de zwarte bevolking en haar cultuuruitingen centraal stonden. In de jaren zeventig werden deze twee gevolgd door meerdere tentoonstellingen waarin de Afro-Amerikaanse cultuur centraal stond.

Op wereldtentoonstellingen opende de presentatie van nieuwe technieken veelbelovende vergezichten. Ruimtevaart en computers beloofden een ontwikkeling naar welvaart en minder werken voor iedereen. In de architectuur werd bijvoorbeeld overal ter wereld geëxperimenteerd met nieuwe vormen van stedenbouw en stadsvernieuwing. Met nieuwe technieken werden oude binnensteden vernieuwd op een manier waarin steeds vaker bleek dat de menselijke maat zoek was en kapitaal van vastgoedondernemers de toon zetten. Eerst in de tweede helft vaan de jaren zestig drong het besef door dat behoud van overgeleverde stedelijke structuren bij door de overheid gestuurde stadsvernieuwing meer garantie boden voor wonen op menselijke maat: stedelijke vervreemding én woningnood moesten beide aangepakt worden. Betaalbare grootscheepse nieuwbouw en volkshuisvesting en tegelijkertijd de immense groei overal ter wereld van sociaal eenzijdig samengestelde voorsteden en sloppenwijken bleven ook in de decennia daarna een grote uitdaging.

5 Hoofdstad Brasilia gebouwd volgens nieuwe architectonische ideeën

Een van de lijstjes van Buelens betreft het aantal verstoorde culturele evenementen, festivals en tentoonstellingen, waaronder de Buchmesse Frankfurt, de Triënnale van Milaan en in Nederland o.a. de Notenkrakersactie in 1969 in het Concertgebouw en de aktie Tomaat van toneelschoolstudenten tijdens een toneelvoorstelling in datzelfde jaar.

In China was een niet eerder vertoonde massale beweging gaande van jongeren, aangespoord door Mao (die hen gebruikte om tegenstanders uit te schakelen) waarbij vrijwel alle bestaande cultuuruitingen en vooral ook hun vertegenwoordigers en dragers het moesten ontgelden. Er is veel kostbaar cultuurgoed vernield en de schattingen van het aantal menselijke slachtoffers beloopt tussen de 1,7 en 8 miljoen[4].

Gevangenissen in Zuid-Afrika, de VS, Turkije, Griekenland, Brazilië, Mexico, Indonesia, Zuid-Rhodesia, India, Pakistan, Taiwan, de Sovjet Unie, China e.a. zaten vol met mensen die hun bestaan op het spel zetten voor het vrije woord en democratisering. In de Sovjet-Unie en China weden deze gevangenissen nog aangevuld met barre heropvoedingskampen. De jaren zestig zijn zowel de jaren van de roep om authenticiteit en democratisering maar ook van terreur en extreem veel geweld.

Tijdens de zomer van 1967 was er niet alleen de Vietnam-oorlog en de Zesdaagse oorlog in het Midden-Oosten, maar was het ook oorlog om burgerrechten en tegen armoede in “niet minder dan 159 steden van de Verenigde Staten. Vooral de dagenlange plunderingen, brandstichtingen en vuurgevechten in juli in Newark, en Detroit …(..)… meer dan zeventig dodelijke slachtoffers, binnensteden die eruit zagen als gebombardeerde oorlogzones, alleen al in Detroit meer dan 2500 verwoeste winkels, vele duizenden gearresteerden die vaak te arm waren om de borgsom te betalen..(..)..het ergste geweld sinds de Burgeroorlog”. En toch heette de zomer van 1967 The Summer of Love (p. 568).

Buelens documenteert de jaren zestig van de twintigste eeuw op veel verschillende manieren, met veel wetenswaardigheden en gebeurtenissen van over de gehele wereld. Het boek is zeer lezenswaardig want het geeft een veelzijdig, niet eenduidig beeld van een roerig decennium. Het is ook leuk om te lezen: het is alsof je uren bladert door tien jaar krantenkoppen, waarvan de herinnering onder een dikke laag stof ligt. Veel beelden kwamen terug bij het lezen, ook veel namen.

Bij het schrijven over dit boek maakte ik keuzes bij het noemen van voorbeelden en ontwikkelingen die deze veelzijdigheid onderstrepen en laat honderd keer zoveel onderwerpen ongenoemd. Wat is er begonnen in dat decennium, wat is nieuw aan deze jaren?

Op de eerste plaats zijn burgers, waar ter wereld minder gezagsgetrouw, minder als vanzelfsprekend gehoorzaam aan gezag en komen steeds meer burgers overal ter wereld op voor hun burgerrechten. Daarnaast is in een groeiend aantal landen de positie van vrouwen in de samenleving sterk verbeterd. De achterstandssituaties van etnische minderheden en hun strijd is sinds die tijd beter zichtbaar, komt meer in de publiciteit. Niemand kan het nog ontgaan dat minderheden strijden voor hun emancipatie, hun onderdrukking, de etnische maatschappelijke scheidslijnen, helaas ook in Afrika, en de nog steeds voorkomende etnische zuiveringen, zijn zichtbaar en worden opgemerkt.

Ik denk dat de muziekindustrie in die jaren massaconsumptie is geworden, ook films (in bioscopen) werden veel meer bekeken dan in de jaren daarvoor.

Daarnaast heeft de televisie, in Europa eerst alleen via nationale omroepen, zich een grote plaats veroverd in ons dagelijks leven en kon de amusementsindustrie met Engels als voertaal een uniformerende rol spelen in datgene wat steeds meer wereldwijd thuis bekeken werd.

Zo kon ook sport als (commercieel) kijkplezier, sport als vermaak een tot enorme hoogten komen. Van de NBA-finale tot de schaatswedstrijden: allemaal op de tv. De Olympische Spelen van Mexico waren de eerste die massaal in kleur en rechtstreeks te zien over de gehele wereld. De clip die de Beatles maakten van “All you need is Love” is wereldwijd in première door de tv uitgezonden. De televisie veranderde niet alleen het gezinsleven (maar dat is een andere studie), maar had ook andere gevolgen.

Zowel het toegenomen toerismeverkeer, vooral ook met het vliegtuig, als ook de televisie maakten de wereld relatief kleiner. Wat er op de wereld gebeurde en in het nieuws kwam, bereikte via de televisie in principe alle woningen. De zesdaagse oorlog, de troebelen in Congo en Katanga, de oorlog in Vietnam, de Praagse lente, de verovering van de wereld door de Beatles, de gouden Olympische medaille van Geesink en alle grote sportevenementen, oorlogen, honger, natuurrampen, het ijzeren gordijn, alles was te volgen.

De jaren zestig waren vooral in West-Europa en minder in Noord- en Zuid-Amerika (in Azië en Afrika ligt het heel anders) het begin van de afname van de invloed van godsdiensten op ons dagelijks leven. De actief-kerkelijke gelovigheid is in Europa sterk afgenomen.

Het (internationale) verkeer groeide en daarmee de wegen en het aantal auto’s maar ook treinen en vliegtuigen. En deze ontwikkeling blijft maar doorgaan: mijn kinderen zijn al op meer plekken op de wereld geweest, dan ik zelf. (En ik mis het niet, ben niet jaloers.)

Tenslotte is in de jaren zestig het begin aan te wijzen van een wereldwijd groeiend ecologisch bewustzijn: de aarde is niet onuitputtelijk en eindeloos in haar hulpbronnen voor de groei van de mensheid, de ontwikkeling van kapitaal en markten waarin aan eindeloze behoeften wordt tegemoetgekomen houdt echter nooit op. De Club van Rome is opgericht in 1968. En toch is voor mij gebleven: “de belangrijkste culturele en politieke boodschappen van de jaren zestig gingen over hoop, bevrijding en democratisering.”  (p.838)



[1] Ik bezorgde ook kranten en keek altijd voordat ik daarmee na schooltijd begon even op de koppen van de hoofdpagina. Ik kan me nog de pagina herinneren waarop met zwarte koeienletters stond: “MONTINI tot Paus gekozen”. Dit moet in de zomer van 1963 geweest zijn.

[2] Ik heb Nederland voor mezelf nooit “vaderland” genoemd; ik voelde ook al als tiener dit woord als vals, ons land had te weinig sociale samenhang om met enige trots te kunnen zeggen: dit is mijn vaderland.

[3] De Weathermen waren een radicale actiegroep, voortgekomen uit de SDS (Students for a Democratic Society), die gewelddadige acties niet uit de weg ging bij het aan de kaak stellen van de ongelijkheid en de oorlog.

[4] Bron: Wikipedia.

Kanaleneiland, winkelcentrum

Het is een zomerse dag, een gewone werkdag. Het is druk met mensen. Ik zie een mengeling van allerlei volk dat hier rondloopt. Vanwege enkele kantoren hier in de directe omgeving lopen wat jongere mensen rond die zo op het eerste gezicht de middagpauze te baat nemen om buiten een rondje te lopen en een hapje te nemen bij een van de vele horecabedrijven. Deze middenstand is deels op de kleurrijke bevolking van Kanaleneiland gericht – halal eethuisjes en telefoon- en een geldtransferwinkels bijvoorbeeld.

De overige winkels bedienen een meer algemeen stedelijk publiek: supermarkten, winkels voor broodspecialiteiten en banket, huishoudelijke artikelen, bloemen, reizen, speelgoed, tassen, tijdschriften en rookwaar, drogisterijen, kledingwinkels, de Action, enz. Winkelpersoneel is voor een flink deel voorzien van hoofddoekjes.

Het winkelende publiek lijken vooral bewoners van Kanaleneiland: oudere mensen met wandelstok die de tijd nemen, moeders met een kind in een buggy en een aan de hand, soms één meter achter hun man lopend, vrouwen die met volle tassen sjouwen. Daartussen ontwaar ik ook kleine groepjes jongens, veelal met rugzak en met drinkflesje in de hand, en meisjes in twee- en drietallen die met telefoon in de hand giebelend van allerlei uitwisselen. Beide laatstgenoemde groepjes zijn vermoedelijk afkomstig van scholen hier in de buurt. Enkele overal aanwezige oudere dames schuifelend achter hun rollator en ook een aantal heren op een scootmobiel completeren het beeld.

Het diverse publiek maakt een ontspannen indruk: men slentert, maakt een praatje of doet in elk geval rustig aan. Blijft hier en daar even staan kijken of nemen plaats op de witte zitplaatsen om een broodje te nemen of een telefoongesprek te voeren. De pauzerende groepjes en duo’s professionals zijn alle druk in gesprek. Een enkele oudere spreekt me aan en vraagt wat ik doe. Een enkele peuter die door oma voorbij geduwd wordt in een buggy kijkt me met grote ogen aan en ik kijk met grote ogen terug. Dit verlengt het moment.

Zowel aan de zuidkant buiten als binnen zijn er terrassen open en deze zijn zo midden op de dag, goed bezet.

Buiten, aan de kanaalkant op het zuiden zie ik dat de parkeerplaats tegenwoordig betaald parkeren kent. De parkeergarage in dit complex heeft blijkbaar te weinig capaciteit om te voorkomen dat het parkeerterrein buiten dicht slibt. Dit in de volle zon blakende parkeerterrein is vol en geeft de indruk van een winkelcentrum in een buitenwijk van een stad in Zuid-Frankrijk. Enkele winkelpuien aan de buiten- en binnenkant zijn dicht: er wordt volop verbouwd en gewerkt.

Een grote container met puin getuigt hiervan. Bij de snackbar staan enkele in oranje tenues gestoken bouwvakkers een hapje te eten en een sigaret te roken. Ook in het winkelgebied worden enkele winkels verbouwd. De meeste winkels die open zijn heb deels hun waren voor de winkel goed zichtbaar uitgestald of hebben een staande banner voor de deur waarop de uitverkoop en andere aanbiedingen de aandacht van het publiek moeten trekken.

De passages zijn overkoepeld met in compartimenten verdeeld glas dat in een boog gevormd is. Samen met de kleurrijke versieringen die aan het dak hangen geeft het binnenkomende zonlicht een lichte en luchtige uitstraling.

Mensen lopen in hemdsmouwen, jurken met lange broek, in stoffige ogende werkkleding of in T-shirt met jeans en sneakers. Het winkelcentrum geeft een aanhoudende ruis van gesprekken, uitroepen van kinderen en het geluid van kopjes en glazen die gestapeld of gerangschikt worden. Dichtbij wordt dit geruis zo af en toe verrijkt met het slepende, soms kleppende geluid van een voorbijganger op teenslippers.

Het winkelcentrum is opgeknapt, de vloeren zijn strak geplaveid met natuursteen en heet nu winkelcentrum NOVA. Aan de noord- en oostkant zijn een gezondheidscentrum gevestigd, de tandartspraktijk heet ook hier ‘mondzorgcentrum’ en worden afgewisseld met kledingzaken, een tegenovergelegen moskee die in een ronde vorm is gegoten en een op mensen met een migratieachtergrond gerichte winkel met reisbenodigdheden en huishoudelijke artikelen: voor de pui staat een grote verzameling rolkoffers in allerlei kleuren en formaten en binnen blinken de glazen hanglampen.

Boven de winkels zijn op enkele verdiepingen woningen.

Aan de kant van de Beneluxlaan prijkt al jaren de grote gevelbelettering van meubelzaak Leolux, goed zichtbaar voor de inzittenden van de langsrijdende sneltrams naar Nieuwegein en IJsselstein. Kanaleneiland is eiland, veel uithoeken van de wereld zijn er aanwezig.

juli 2019

Leidsche Rijn Centrum

Het nieuwe winkelcentrum van Leidsche Rijn is pas geopend. Je ziet dit aan de winkels bijvoorbeeld: in een aantal wordt nog gewerkt en zijn nog niet klaar om hun klanten te ontvangen. Wel hangen er her en der bordjes of affiches waarin personeel gevraagd wordt. De winkels behoren alle tot de bekende ketens die in alle Nederlandse winkelcentra terug te vinden zijn. In de winkels die wel open zijn is het nog niet druk. Ook de wegen en hun plaveisel zijn nog nieuw.

De gebouwen hebben een gecombineerde winkel- en woonfunctie, meestal vier à vijf verdiepingen tot aan zo’n 10-15 meter hoog, waarvan de woningen nog lang niet alle bewoond zijn.

Op een doorde-weekse dag is het ook nog niet druk met winkelend publiek. De terrassen zijn voornamelijk nog leeg, de horecagelegenheden, ook hier volop aanwezig, zijn binnen ook matig bezet, twee- en drietallen zitten her en der bij de thee/koffie wat te overleggen zo lijkt het. Scholieren fietsen er voorbij en wat kinderen spelen onder toezicht van ma, pa of oppas. Iedereen is met zichzelf of eigen grut bezig en heeft geen oog voor anderen. Alleen de bouwvakkers groeten vriendelijk als ik voorbijloop.

Bij de bouw is er veel aandacht besteed aan een kleurrijke, uitstraling. De gevels zijn vrijwel alle met grote plakken (halve?) bakstenen aan de buitenkant uitgerust. Steeds in een andere kleur. De gevels van de gebouwen zijn met gelijkmatige rondingen of verspringingen  uitgevoerd, hetgeen een sierlijke en prettige indruk maakt. Het is nog rustig hier, fietsers en voetgangers bewegen zich in dezelfde ruimte en geven elkaar geen last.

Het Brusselplein is voorzien van waterpartijen die voor kinderen en een enkele hond aantrekkelijke speelgelegenheid bieden. De namen van de boulevards en het plein zijn onder meer gewijd aan Europese hoofdsteden. Naast het Brusselplein is er de Parijsboulevard, de Londenstraat, de Kopenhagenstraat en de Wenenpromenade; namen die enige allure beloven.

Iets verder ligt het busstation dat met haar eigenzinnige overkapping.

Van onder de overkapping is de bioscoop zichtbaar die boven op de A2-tunnel is gebouwd en verderop zijn de drie bruggen over het kanaal zichtbaar. Daarachter staat in de herfstzon de schoorsteentoren van Douwe Egberts. Men is nog niet klaar.

Het Leidsche Rijn Centrum is een stedebouwkundige puber die met de jaren nog karakter moet krijgen. Het leven gaat beginnen.

Najaar 2019

De stationshal van Utrecht Centraal

Het is de laatste zaterdag van de kerstvakantie, ’s middags. Er zijn weinig of geen forenzen die zich naar hun werk spoeden, de grote hal is verhoudingsgewijs tamelijk rustig. Mensen alleen, gezinnen, opa’s en oma’s met hun kleinkinderen, moeders met buggy’s en veel jonge stellen lopen ontspannen kletsend naar busstation, perrons of naar de uitgang aan de stadszijde. Op weg naar de stad voor inkopen bij de uitverkoop, op weg naar familie, naar een feestje – die hebben bloemen of een cadeaudoos bij zich- of naar zo maar een dagje uit in de stad, vermoed ik. Ik zie weinig gehaaste mensen, zaterdag lijkt een dag voor gezelligheid en onthaasting. Het is koud en vochtig, mensen dragen winterjassen, mutsen, handschoenen. Een aanzienlijk aantal eet iets of zit op een bank om koffie of thee te drinken. Vandaag niet om de haverklap de NS-mededeling dat de intercity enkele minuten vertraagd is. Het is wat je noemt: een rustige dag. In de laatste tien minuten zijn er twee omroepberichten, ze gaan over het vertrek van internationale treinen.

De vloer van de hal is opmerkelijk schoon, mensen zijn gedisciplineerd in het deponeren van bekers en blikjes in de afvalbakken. Bovendien wordt de hal permanent schoongehouden door enkele medewerkers, met karretjes die de vuilnisbakken legen of met stoffer en blik (beide met lange stelen).

Een enkele duif, sommige mank lopend, scharrelt wat rond en pikt her en der een kruimel. De horecagelegenheden, ik schat dat een derde van de neringdoenden tot de horeca gerekend kan worden, zijn goed beklant. Voor hapjes en drankjes staat men her en der, vandaag relaxed, in de rij. Het buiten de deur eten, op deze tijd de lunch, heeft ook hier een grote vlucht genomen. De NS heeft aan de pacht van de winkels fikse neveninkomsten vermoed ik.

De hal is groot met een hoog golvend dak dat bestaat uit vijf banen die bestaan uit dwars geribbeld grijs plaatwerk die vooral in de middelste baan onderbroken worden door verzonken ramen die bij mooi en warm weer open kunnen. Ze zijn nu gesloten. De banen worden begrensd door met de golving meegaande stalen balken die aan de onderkant voorzien zijn van in kleine compartimenten verdeelde glazen buizen met TL-licht. Deze verlichte balken worden ondersteund door eveneens grijze stalen pilaren waarvan er sommige schuin zijn aangebracht.

De bewegwijzering in de hal valt in het oog, de perrons zijn in blauw wit aangegeven de monitoren met de vertrekinformatie staan bij elk perron. Eenmaal even de tijd genomen om naar het display te kijken met informatie over de ligging van bus perrons aan de jaarbeurszijde, lijkt voor iedereen te de weg goed te vinden.

Op de achtergrond is een voortdurend gedruis hoorbaar. Het gedruis bestaat uit een mengeling van het geluid van rolkoffers, roltrappen, luchtverversing, stappen van hakken en leren schoenen (die van de vele sneakers hoor je niet). Her en der lopen twee- of drietallen op elkaar af om elkaar met een omhelzing te begroeten. Ik ben getuige van enkele korte ruzieachtige woordenwisselingen.

Vooral alleen lopende jonge mensen raadplegen hun telefoon onder het lopen en ontwijken geregeld met enige behendigheid in dezelfde lijn lopend tegemoetkomend volk.

De winkels hebben, anders dan in winkelstraten verderop, blijkbaar strikte orders hun spullen niet ten toon te spreiden in de loopgebieden en houden alles binnen hun als winkel toegewezen ruimte. Ook de horeca heeft hier haar zitplaatsen binnen de eigen ruimte. De vlotte doorgang van reizigers, doordeweeks bijna 200.000 per dag, naar hun perron heeft hier de hoogste prioriteit gekregen. De winkels zijn nu nog aan de bovenkant met een band van een meter met kerstverlichting versierd en hun etalages is een kermis van licht, bewegende beelden en glanzende spullen die er zo aantrekkelijk moeten uit zien.

In het overlangse midden staan op de hoogte van de perrons, de hal ligt boven de sporen, glazen liftschachten die uitkomen op de perrons. Tussen de liftschachten zijn informatiebalies waar reizigers met vragen terecht kunnen. Tegenover de trappen die naar de perrons leiden stroomt koude lucht vanaf de perrons naar boven de hal in. Op de twee groepen houten banken in de hal wachten mensen op hun trein, op iemand of op een gezelschap om samen ergens naar toe te gaan. De telefoons doen hier hun diensten, een enkeling leest een krant of boek.

Midden in de hal is een trap naar boven die leidt naar nog meer horecaruimten: veel gebruikt voor allerlei overleggen en gesprekken die hier op dit infrastructurele kruispunt dagelijks gevoerd worden. Vandaag is er slechts één geopend. Ik drink er thee en kijk daarbij van boven naar de hal. Naast me wordt in het Engels een filmopname gemaakt van een gesprek. Het gedruis op de achtergrond wordt nu meer door allerlei stemmen, gesprekken gevormd die hier worden vermengd met typische horecageluiden van borden, kopjes en glazen.

Van bovenaf lijkt de hal nu leger waardoor de enkele die wacht, twee mensen die enthousiast zwaaien naar iemand die blijkbaar aankomt en een moeder die worstelt met een beweeglijk kind in een buggy, beter zichtbaar zijn. Boven de toegangspoortjes, permanent houden hier twee NS-ers toezicht, zie ik nu een groot beeld waarop commercials en korte informatieve filmpjes getoond worden; ik heb niet het idee dat er veel naar gekeken wordt.

Enige maanden later, een dinsdagmorgen, vroeg. De roltrappen spuwen, klaarblijkelijk na aankomst van een trein, een dikke stroom forenzen uit in de centrale hal. Mensen zijn meestal in donkere kleuren gekleed. Zij lopen meestal alleen, soms met zijn tweeën. Men kijkt niet naar anderen en hebben een blik die ogenschijnlijk niets ziet, behalve hun eigen pad. Enkelingen rennen op weg naar een trap naar een perron in de hoop hun trein nog net te halen, de wat ouderen van dezen lopen snel, anderen heel rustig, zonder haast. Men loopt zeer gericht en kijkt ietwat verstoord wanneer een ander hun pad letterlijk kruist. Er heerst een onafgesproken code dat men in een rechte lijn loopt zowel in de brede gang in het midden van de hal, als in de corridors aan de zijkant van de hal. Ik zie niemand die zijn pad zoekt, vermoedelijk weet vrijwel iedereen waar het perron is waar men moet zijn. Aan de oostkant van de hal lopen de meeste mensen in de richting van het centrum van de stad, aan de westkant richting busstation en Jaarbeursplein. Als ik wat later in het middenpad loop moet ik opletten: hier lopen de meeste mensen in beide richtingen. Er vinden daar ook de meeste bijna-botsingen plaats, doordat reizigers naar boven op de schermen (ter hoogte van de perrons) met de treininformatie kijken.

Een kwartier later, het is intussen half acht, is de dikte van de stroom mensen gegroeid. Een enkeling heeft de tijd om even te zitten en een broodje of een kop koffie naar binnen te werken, snel kauwend of slurpend. De meesten die even zitten raadplegen allen hun smartphone, er wordt vrijwel niet met elkaar gesproken. De grootste groep forenzen op dit tijdstip heeft naar schatting een leeftijd van beneden de 35 jaar, de leeftijd van scholieren, studenten en jonge mensen die aan het werk zijn.

De reizigers maken een ontspannen indruk, geen opgewonden geroep en geen groepjes die rennend een aansluitende trein op drie perrons verder trachten te halen: treinen lopen vanmorgen blijkbaar volgens schema. Dit vermoeden wordt bevestigd doordat de omroeper al drie minuten lang geen verlate treinen omroept. Vrijwel iedereen heeft een tas bij zich; rugzakken worden veel gedragen, zo af en toe rolt een koffertje voorbij. Met de minuut groeit het aantal mensen dat langs loopt, evenals het aantal dat een sprint trekt. Tussen al deze mensen strompelt een man op twee elleboogkrukken naar zijn perron.

Onverstoorbaar wordt hem de ruimte gegeven, een jonge man sprint om hem heen, een oudere man houdt zijn rolkoffertje even in om hem voorrang te geven. Met tijd en wijle komt er iemand voorbij die moeilijk loopt, niet rechtop, maar schuifelend of hinkend als gevolg van een probleem in de heup. Achter me zit een drietal jonge vrouwen die vrolijk en giechelend allerlei avonturen met elkaar delen en daarbij om de paar tellen hun blik op een smartphone laten vallen, hun relaas daarbij niet onderbrekend. Op de bank voor me leest een middelbare vrouw de Metro, ze heeft daarbij een leesbril nodig, haar twee tassen liggen naast haar. Het geluid van hieronder, op de perrons vertrekkende en aankomende treinen wordt ingedikt tot een aanhoudende donkere ruis op de achtergrond. Bij het binnen rollen van een blijkbaar lange trein, wordt deze ruis tijdelijk wat dikker. De geluidsbrei wordt vrijwel voortdurend verrijkt met het tweetonige hoge geluid van de poortjes die toegang tot de hal verschaffen. En zo af en toe komt er iemand voorbij wier hakken het parmantige geluid van een stevige tred maken.

Als ik door de zijramen naar het oosten kijk, zie ik dat de dageraad is begonnen, het wordt lichter, het daglicht verovert de hemel. Het is vanmorgen licht bewolkt en droog.

Het is kwart over acht, het wordt drukker. De mededelingen over vertraagde treinen komen steeds vaker. Zo af en toe drentelt nu iemand in de rondte en kijkt links en rechts, wachtend op een medereiziger met wie men afgesproken heeft. Naast me werkt iemand drie telefoongesprekken af, afspraken worden bevestigd en nieuwe gemaakt. Tegenover me zit nu een jonge vader een zoontje van vier, het eerste kind dat ik hier ontwaar. Het kind eet zijn boterham en zijn vader laat hem intussen een scherm van zijn smartphone zien. 

Ik neem even een kijkje op een perron waar op beide zijden de treinen tien minuten en meer vertraagd zijn. Het perron stroomt binnen enkele minuten helemaal vol, de reizigers zijn stil, kijken op hun smartphone en laten het zo te zien gelaten over zich heen komen.

Intussen zijn vrijwel alle winkels open, klanten kopen hun broodje, koffie, krant, tandenstokers en snoepgoed. Naast me hebben twee jongens een geanimeerd gesprek in het Spaans.

Ik drink een kop koffie in een koffieruimte boven en warm wat op. Hier zitten enkele mensen te werken achter hun laptop of voeren hun eerste overleg. Beneden mij loopt de dagelijkse stroom mensen door, van bovenaf gezien in een onverstoorbaar voortgaand tempo. Naarmate de tijd voortgaat, het is intussen kwart over negen, zie ik meer oudere mensen die hun perron zoeken. Op deze doordeweekse dag zie ik geen ouders-met-kinderen. De stromen reizigers die periodiek uit de perrons omhoog gestuwd worden blijven aanhouden. De mededelingen over vertraagde treinen nemen toe. Ook vandaag een traject waar geen treinen rijden, “vanwege een aanrijding met een persoon; dit duurt tot ongeveer twaalf uur.”  Elders is een sein- en wisselstoring die voor enkele uren voor vertragingen en uitval van treinen zorgt. Of de beste reizigers daar rekening mee willen houden. Bij elk van zulke berichten zie ik mensen hun smartphone raadplegen en een enkeling begint als door een bij gestoken aan een slalom-sprint richting een perron. Werk en cursus gaan immers elke dag door en op tijd komen is belangrijk.

december 2018- voorjaar 2019

Parkwijk

Het is een zonnige juni dag. De Coronagedragsregels worden langzaam versoepeld. De scholen zijn weer open. In Parkwijk bezoek ik het winkelcentrum.

Het is er tamelijk druk, veel mensen in en rond de winkels en veel basisschool­kinderen op het middaguur zijn buiten, zitten in groepjes te kletsen of rennen achter de ook hier aanwezige holenduiven aan. Het winkelcentrum is vandaag -een vrijdag- uitgebreid met enkele mobiele neringdoenden in vooral etenswaren (groenten en fruit, brood, vis en vlees, e.d. maar ook kleding en de bloemen niet vergeten). De plek waar deze neringdoenden staan is omgeven door twee rijbanen waar geregeld jonge chauffeurs hun zwarte auto’s nog even op snelheid en remkracht testen. Zij hebben tot twee keer toe zichtbaar last van de vuilniswagens die in een heel ander tempo hun werk doen. De viskraam (“Nieuwe Haring”) is de enige kraam waarvoor ongeveer 15 mensen in een coronarij hun beurt afwachten.

Op het pleintje staan bomen die voor schaduw zorgen staan enkele bankjes en een cafetaria heeft er een nu niet-beklante terras ingericht, waarvan de vier setjes tafels met stoelen de corona-afstand ruim in acht nemen.

Een paar meisjes van ongeveer 14 trekken hun skates uit (er is hier vlakbij een baan).

Een vrouw met een aangelijnde, rustige pitbull neemt in de schaduw van een boom uitgebreid de tijd om een berichtje te sturen. Een man in zomerse vrijetijdskleding heeft een bos bloemen gekocht en loopt, deze al keurend, het plein over naar fiets, auto of partner. Mensen die even stil staan zijn vrijwel allen bezig met hun smartphone. Bij de afhaal-pizzazaak staan drie bezorgscooters met hun chauffeur te wachten op nieuw bezorgwerk. Vier meiden van een jaar of twaalf verlaten soepel bewegend het plein met meeneming van een rolplankjes.

De mensen die hier rondlopen zijn voor een flink deel van migratieafkomst, hetgeen overigens niet te merken is aan de winkels, deze zijn vrijwel alle Nederlands. Het pleintje en de omliggende straten zijn voorzien van winkels uit de bekende ketens van supermarkten, slijterijen, kleding, huishoudelijke artikelen, opticiens, boekhandels, enz. Ik zie tenslotte ook nog een buitenlandse kruidenier annex slager.

Het pleintje is omringd door enkele woontorens van vier à vijf hoog. De buitenste randen van de gebouwen zijn in rode bakstenen gezet. In de wat wijdere omgeving is het pleintje omgeven door een woonwijk met veelal woonblokjes van twee-drie hoog. Ook staan er in de onmiddellijke omgeving een basisschool (de Klimroos) en een moskee (Al Arqam). Even verderop ontdek ik nog een gezondheidscentrum, een apotheek, een naschoolse opvang en een vestiging van Resto van Harte. Aan de buitenkant ligt een groot grasveld waar een half-pipe en een kleine maar lege skatebaan jongeren uitnodigen tot beweging.

Een ouder echtpaar komt voorbij. Hij, van bijna twee meter, duwt haar rolstoel. Haar roodgeverfde haar zit stevig opgestoken, de wind heeft er geen vat op. Zij kijkt tevreden rond, hij duwt haar met enige nonchalance en levert haar af bij de Kruidvat alwaar ze zelf aan de wielen draaiend alleen naar binnen gaat. Hij wacht geduldig, zo te zien, buiten. De tafelsetjes van de cafetaria zijn nu alle bezet.

Plots gaat er een alarm af, begeleid door een oranje knipperlicht. Het alarm zit boven een geldautomaat, bij de geldautomaat staat niemand, laat staan een plofkraker. Veel mensen kijken even op. Na twee minuten stopt het alarm en is alles weer als gewoon.

Ik zie geen mensen die haast hebben. Men kuiert over het plein, groeten sommige anderen, staan rustig op iemand te wachten of eten met hun kind een ijsjes. De enigen die drukte en wat haast uitstralen zijn de jongens die uit de hal van de parkeergarage een rij winkelwagens terughalen.

Juni 2020

Park Transwijk

 “In 1956 is men begonnen met de aanleg van park Transwijk. In 1964 was het park klaar en is het in gebruik genomen“, aldus de gemeente Utrecht.

Een warme dinsdag in augustus. Park Transwijk is vrijwel stil. Op de achtergrond is de beat hoorbaar afkomstig van het kampement dat op een groot aan de rand hellend grasveld is opgetrokken.

Het gras is helgroen en zacht en vertoont geen bruin-gele sporen of plekken van droogte of hitte. Het kampement is vrijwel leeg. Slechts enkele mensen zijn aan het werk. Het kamp is omheind met witte doeken die bevestigd zijn tussen metalen paaltjes van ongeveer 180 hoog. Er is op de witte doeken geen enkele informatie te lezen over de bedoeling van het kamp. Wel valt te lezen dat de witte kunststof doeken tussen de palen vlamvertragend werken. Het geheel wordt bewaakt aan de provisorische ingang, alwaar in een bruine container een werkruimte voor de portier is ingericht. Het kampement bestaat uit een grote ovale “circus”-tent voor enkele gezamenlijke activiteiten of manifestaties. Naast de circustent zijn er zo’n vijftien verblijfstenten waar groepen kunnen verblijven of slapen. Legergroen is hun kleur. Een paar witte bouwsels moeten dienen als sanitaire ruimtes. Midden op het terrein prijkt een vaan van Strukton, waarschijnlijk een van de sponsoren. Naast de zachte dreun van de beat is er geen leven te bespeuren. De zon schijnt en heeft het leven hier bijna tot stilstand gebracht.  

De rust in het park wordt verder zo af en toe verstoord door een voorbij snellende de sirene op de Beneluxlaan. Ook is het gierende geluid te horen van een machine waarmee gemaaid of gesnoeid wordt. Het gemeentelijk werk gaat door. Geregeld is ook de sneltram tussen Utrecht Centraal en Nieuwegein-IJsselstein te horen.

Een enkeling zit in de zon op het gras, overige mensen wandelen rustig in de schaduw of zitten onder een boom beschermd tegen de zon. Op het heuveltje waar ik zit heb ik een goed uitzicht over het park.

Links van me staat het pagode-achtige gebouw van kinderboerderij Eilandsteede. Geiten, schapen, een paard, wat koeien grazen rustig of worden even geaaid door de enkele kinderen die er met hun vader of moeder zijn. Twee varkens hebben het prima naar hun zin in de overschaduwde natte modder. Op het terrein is eveneens een speeltuin aanwezig waar een handjevol kinderen vol overgave aan het rennen zijn of zich vermaken met allerlei speeltuig.

Tegenover de kinderboerderij aan de Vreugdenhillaan liggen de kleurige groenten- en bloementuinen van de kinderen van de basisscholen van hier in de buurt. Tussen de bedden met gewassen zijn her en der wat kleine bouwwerkjes opgetrokken, waar kleine kleine rotsplantjes het goed zouden doen.

Ik ontwaar eveneens drie beschilderde totempalen.  Er is kraai noch kip te bekennen, twee sproeiers doen hun werk in stilte. Op de hoek van de Vreugdenhillaan en de Koeriersterlaan ligt een skatebaan. Enkele jongens bekwamen zich, elkaar steeds becommentariërend, op de half-pipe.

Weer verderop richting het Europaplein ligt de verkeerstuin van Utrecht waar kinderen hun verkeersexamen kunnen doen. Het terrein is ingericht met mini-wegen, kruispunten, een brandstof station en allerlei voertuigen die het echte verkeer nabootsen. Het is ook hier stil.

Daarnaast is een nog een tuin gelegen, Food for Good, geheten waar bewoners hun eigen groenten en bloemen verbouwen.

Een prachtig veldje met alliums valt me op, evenals enkele kassen en met grote plastic bogen afgeschermde bedden met blijkbaar kwetsbare gewassen. Op de website hiervan staat: Food for Good is een tuinderij in park Transwijk, Kanaleneiland. In deze tuin wordt met wijkbewoners en mensen uit een kwetsbare doelgroep groente, fruit en kruiden verbouwd. Een deel van de oogst gaat naar iedereen die meehelpt. Een ander deel van de oogst wordt verkocht. 

Het bankje waarop ik later zit is slechts nog voor een deel betegeld met blauw witte tegeltjes waarin zo te zien ooit kinderen hun tekenlust hebben kunnen vieren.

De bomen zijn indrukwekkend groot en geven veel schaduw. Op een informatiebordje staat vermeld dat er enkele vleermuizenkasten aan de bomen hangen.

Een plek met eenvoudige  roestvrijstalen instrumenten om fitnessoefeningen te doen is eveneens verlaten; mensen zweten blijkbaar al genoeg zonder zich met gymwerk in te spannen. Het zachte groene rubber op de grond is warm. Aan de randen van het park torent de hoogbouw en wijst je erop dat je in de stad bent.

De enige bewoners van het park die wat verderop steeds zich laten horen zijn kauwen. Hun scherpe, korte roepen verraadt dat het zoeken naar voedsel bij hen nooit ophoudt. Hun leven staat helemaal niet stil en kent geen siësta.

augustus 2019

Rijnsweerd, Euclideslaan en omgeving

De Euclideslaan in Rijnsweerd is een straat met twee gescheiden banen van ongeveer tweehonderd meter. De twee rijbanen zijn gescheiden door een gracht met aan de betonnen randen veel mogelijkheden om te zitten. De gracht is rijkelijk begroeid met kroost, heeft betonnen randen en een rond einde te beschouwen als kop waar klassieke ogende pilaren staan die voorzien zijn van ronde bogen die deze aan de bovenkant verbinden.

De bogen lijken losjes op de bovenkant van de pilaren gelegd. Het andere eind heeft een verhoging met brede betonnen treden. Halverwege is een tweeledige brug in de vorm van een Andreaskruis. De gracht die een kromming heeft is een creatie van Karin Daan. Het heet Het verzonken schip welke met enige moeite en fantasie daar inderdaad in te herkennen valt.

De gracht wordt aan weerszijden geflankeerd door nog tamelijk jonge bomen die over enige jaren, wat meer volgroeid, ongetwijfeld een statig karakter aan het geheel zullen geven. Daarachter rijzen aan weerszijden kantoorgebouwen van vier à vijf verdiepingen op. De gracht ligt inderdaad verzonken tussen de rijen bomen en gebouwen.

Een enkel groepje kantoormedewerkers loopt hier haar pauze wandeling, druk overleggend over allerlei waarschijnlijk belangrijke zaken of over de komende vakantie. Naast de af en toe passerende auto’s en het aanhoudende gedruis van de A28 die hier vlakbij loopt, hoor je alleen vogels, een groepje grote schreeuwende meeuwen doet denken aan Scheveningen. Verder hebben merels, meerkoetjes en een enkele eend hier vrij spel. Nota’s, contracten en adviezen opstellen gebeurt binnen, hierbuiten is het rustig en ietwat loom, het is een mooie zomerse dag.

Dit deel van Rijnsweerd is een wijk met grote kantoren. De Euclideslaan is met haar mogelijkheden tot wandelen en zitten een uitstekende plek om tijdens je lunch even te verblijven, een praatje te maken en even te wandelen. De kleine groepjes mensen om mij heen zijn jonge mensen waarschijnlijk werkzaam bij een van de bedrijven (FNV-Bondgenoten, verzekeringsmaatschappijen, accountant- en advocatenkantoren, consultancybureaus, headhunters en financiersmaatschappijen en IT-bedrijven) die hier gevestigd zijn. Ook de gemeenteraad was tijdelijk gehuisvest in een kantoor op de hoek van deze Euclideslaan en de Varrolaan.

Op een enkele toren na zijn de gebouwen vijftien tot twintig meter hoog. Ze zijn strak vormgegeven met natuurstenen gladde muren; het zijn grote vlakken die weer opgedeeld in gelijkmatige kleine vlakken van lichtgekleurd steen afgewisseld met glas. Een enkel bouwwerk (kolos) heeft een ronding aan een kant of op een hoek. Sommige gebouwen hebben muren van rode bakstenen die bij de bouw groepsgewijs zijn aangebracht. Door de kleuring van het glas zijn de ramen niet doorzichtig. Ik zie een gebouw met roze-rode stenen met naar voren stekende punten. Ook zijn de muren van een enkel gebouw deels uitgerust met rode natuurstenen platen. Veel gebouwen zijn voorzien van een parkeerterrein of -garage. Beide zijn steeds uitgerust met een hefboom om de toegang te beveiligen. Zoals wel vaker tegenwoordig toegepast, heeft één gebouw muren die verticaal begroeid zijn met klimplanten die een groene of duurzame uitstraling geven. Het hoge provinciehuis heeft Mondriaan-versieringen met de bekende primaire kleuren.

Bij de inrichting van dit kantorenpark is veel aandacht besteed aan groen, perkjes, grasstroken, bloemstukken en bomen. De laatste beginnen te kleuren, de herfst nadert. De lantaarnpalen en de trottoirs zijn versierd met een dot rode en witte bloemen. Ook de kruisvormige brug is versierd met enkele dotten met witte bloemstruiken. Er is voorzien in cameratoezicht: de bedrijven beschermen hun waardevolle eigendommen gezamenlijk. ’s Avonds is het hier zeer waarschijnlijk uitgestorven en zouden onverlaten hun gang kunnen gaan.

Het is een van de nazomerdagen van september. Twee groepjes jonge mensen delibereren druk over hun werkzaken en her en der verschijnen, het is eind van de morgen, groepjes en individuele wandelaars meestal in overhemd of shirt en broek. Een lint met toegangspas om hun nek is hun uiterlijk teken dat ze hier horen en zo dadelijk weer verwacht worden op hun kantoor. Even verderop staan een twaalftal mensen in een kring die onder leiding van een grote vent, met een bal enkele (communicatie?-)oefeningen doen. De deelnemers kijken zeer geconcentreerd. Een enkeling gebruikt de buitenruimte voor een ongestoord telefoongesprek. De meeste mensen hier lijken beneden de vijftig.

Op de achtergrond is een voortdurende ruis hoorbaar van verkeer op de Archimedeslaan, Pythagoraslaan en de kop van de A28 die hier begint. Stil is het niet, ook niet in deze hoek van de stad. Verkeer is schaars in deze niet-doorgaande weg, een enkele Golf-like auto en een vrachtwagen met spullen voor de bedrijfskantines of een andere leverancier.

Hier zijn geen ouders met kinderen op straat of een oma en opa die een wandelwagen met kleinkind voortbewegen, geen bloemenstalletjes of winkelend publiek dat sjouwt met tassen. De werkenden hier lijken alle beneden de vijftig.

Rijnsweerd leeft niet maar werkt en maakt carrière.

juni 2019