Uitgelicht bericht

Over Geert Buelens, De jaren zestig, een cultuurgeschiedenis, Amsterdam 2018

Wie kent nog Patrice Lumumba? Oscar Niemeyer? Oswalt Kolle? Benno Ohnesorg? Mijn geheugen is niet verdwenen, op bijna elke bladzijde van dit boek licht een ledlampje van herkenning even op in mijn hoofd.

Bij verschijning van dit boek, ruim twee jaar terug, was me dit werk niet opgevallen tussen de aankondigingen en recensies. Vriend Harrie vond deze zomer (2020) dat ik dit moest lezen, “echt een boek voor jou”. En enkele dagen later begon ik aan dit grote werk. Dit 1024 tellende boekwerk, waarvan zo’n 200 bladzijden in beslaggenomen wordt door noten, literatuur en index, is imposant te noemen.

Je moet ook heel wat lef hebben om het aan te durven om het zevende decennium van de vorige eeuw omvattend vanuit “cultureel” gezichtspunt te beschrijven. Buelens heeft zich in de afbakening van zijn onderwerp zowel beperkt maar ook een breedhoeklens gehanteerd. Hij heeft zich beperkt tot de cultuuruitingen van onze wereld: film, muziek, literatuur, bouwkunst. Hij heeft daarbij cultuur niet alleen begrepen als de “hoge” kunsten (literatuur, podiumkunsten, beeldende kunsten, architectuur e.d.) maar ook de meer gewone als amusements- en dansmuziek, strips, geloof, de maatschappelijke positie van zwarten en vrouwen, en ook de verhouding van inwoners of burgers met hun overheid en wetgeving en andersom. Zijn breedhoeklens is daarbij niet alleen gericht op het eigen West-Europa (Buelens is een Vlaming) en het ook toen alom aanwezige Noord-Amerika. Zeer geregeld schrijft hij paragrafen over gebeurtenissen en ontwikkelingen in Latijns-Amerika, Afrika, Azië en Oost-Europa.

1 Affiche van een voorlichtingsfilm van Oswalt Kolle

Hoe heeft hij zijn boek samengesteld? Hij behandelt respectievelijk elk jaar van dat decennium in een apart hoofdstuk en presenteert deze, wellicht voor de hand liggend, op chronologische volgorde. Daartussendoor weeft hij thematische hoofdstukken die elk één onderwerp behandelt voor het gehele tiental jaren. Het gaat om thema’s als verleden, werk, wonen, geloof, spel, kennis, liefde, geweld e.a. en eindigt met toekomst

Hoe heb ik het gelezen? Ik heb ruim vijf weken over het boek gedaan, elke dag enkele paragrafen. Bij nogal wat kwesties die voorbijkwamen heb ik op Wikipedia nadere informatie geraadpleegd en muziekstukken die hij noemde en die ik niet kende, beluisterd en beschrijvingen van films opgezocht. Her en der plaatst hij lijstjes van tien items, die ik ook steevast wat langer aankeek. Het gaat om lijstjes als: 10 films uit 1963, 10 liedjes of tophits uit 1967, 10 jazzplaten van buiten Amerika, enz. enz. Die lijstjes waren een erg leuke geheugenopfrisser.

Bij aanvang van het lezen heb ik me afgevraagd wat er in de jaren zestig begonnen is, wat er in dat decennium eenmalig gebeurde en wat er in de jaren zestig eindigde of wat er sinds die jaren verdwenen is.

2 Mijn eerste lp

Ik was ruim zeven jaar toen deze jaren begonnen, zat in de tweede klas van de lagere school en kreeg ook toen al behoorlijk veel mee van wat er in de wereld gebeurde. Ons gezin had een abonnement op een dagblad[1] en die las ik steeds meer naarmate de jaren verstreken. Het besef van ons eigen land[2] en de grotere wereld werd snel versterkt sinds we sinds 1962 of ’63 een televisie hadden. Het NTS-journaal zag ik dagelijks. Zo maakte ik kennis met Amerika, de rakettencrisis rondom Cuba, Chroesjtsjov, de moord op Kennedy en de burgerrechtenbeweging. In Noord-Holland kon je verder heel goed piratenzender Veronica ontvangen (op MW 192 m) en hiermee kwam de popmuziek onze huiskamer binnen.

Met een dergelijke jeugd biedt het boek van Buelens een rijk panorama van beelden, omhoog kruipende herinneringen en “oh ja” – ervaringen, die veel meer omvatten dan het roerige jaar 1968. De jaren zestig waren voor mij het begin van een spannend leven: wat zou er allemaal nog gaan gebeuren? Een basisgevoel was: ik ben blij dat ik van na de oorlog ben en de wereld staat niet stil: het is spannend want veel ontwikkelingen en vernieuwingen gebeurden in hoog tempo.

Zoals gezegd heeft Buelens een brede blik op de wereld in zijn boek. Hij besteed aandacht aan de dekolonisatie van Afrika, de koude oorlog, de groeiende welvaart, de oorlog in Indo-China die in feite geen Aziatische maar westerse oorlog in Azië was en die de Weathermen[3] in Amerika eind jaren zestig (in hun woorden) thuisbrachten en niet in de laatste plaats aan de alom aanwezige westerse dictaturen en autoritaire regentenbestuurders in eigen land. De jaren zestig was het begin van democratisering, van ontmaskering van holle retoriek, van rituelen zonder actuele betekenis en van allerlei zoektochten naar authenticiteit en zeggenschap over je eigen leven.

Naast de caleidoscoop van gebeurtenissen, evenementen, mijlpalen en ontwikkelingen van allerlei aard maakt Buelens her en der verrassende opmerkingen die betrekking hebben op langer lopende ontwikkelingen dan alleen één decennium en mijn geheugen van een bepaalde tijd of gebeurtenis, totaal omdraaien.

3 Duke Ellington treedt op tijdens het eerste mondiale “negritude”- evenement in Dakar, Senegal, 1966

De eerste hiervan is: “Kennedy’s minister van Buitenlandse Zaken Dean Rusk mocht dan nog in 1961 gesteld hebben dat de Noord-Amerikaanse regering zich geconfronteerd zag met ‘het historische probleem tot een min of meer redelijke verstandhouding met de niet-witte wereld te komen’, het is een van de drama’s van de jaren zestig dat zij en haar opvolgers daarin niet of nauwelijks zijn geslaagd.” (p. 311). Vijftig jaar later weten we dat een oplossing voor dit vraagstuk na vele oorlogen en terroristisch geweld nog steeds even actueel is. De mondiale dekolonisatie én de “binnenlandse dekolonisatie” van zwarten en kleurlingen is nog volop aan de gang.

En dit is er nog een: “Er was in de zomer van 1965 in New York iets onvergetelijks gebeurd – dagelijks hadden trucks dichters, jazzmuzikanten, acteurs en een reizende tentoonstelling naar de parken en speelpleinen van Harlem gebracht -, het initiatief kreeg snel navolging elders in het land. In steden als Detroit, Chicago, San Francisco, Oakland, New Orleans en Miami kwam de zogenaamde Black Arts Movement pas echt tot bloei. De Amerikaanse cultuur zou er blijvend door veranderen. Zwarte artiesten ontwierpen een radicaal en stimulerend alternatief voor de liberale, zogenaamd autonome kunst en literatuur die in de Verenigde Staten ..(..)..de norm waren geworden. Kunst – ook op het eerste gezicht misschien complexe, veeleisende literatuur en muziek – kon met, voor en door lokale gemeenschappen worden gemaakt, geadopteerd en uitgedragen.” (p. 402)

Wat niet onvermeld mag blijven is dat in vrijwel alle landen waar jongeren, zwarten, vredesactivisten, vrouwen, studenten e.a. van zich lieten horen, van meet af ook een tegenbeweging is opgestaan. In Parijs vonden demonstraties plaats als steun aan De Gaulle, de Silent Majority, waaronder ook veel studenten, liet veel van zich horen in de VS en bracht uiteindelijk ook Nixon in 1968 in het Witte Huis. Er waren straatgevechten in Ankara tussen rechtse en linkse betogers. In ons land ontstond de Boerenpartij en later ook DS ’70 een NATO-getrouwe afsplitsing van de PvdA, voor wie de koers van de PvdA te links was. Generaals namen of hadden nog steeds de macht in (Brazilië, Griekenland, Pakistan, Indonesia e.a.). Misschien heeft de tegenbeweging in die jaren wel de electorale basis gelegd voor het huidige rechts-populisme.

4 Indonesia: De coup van het leger o.l.v. Suharto, 1966 (Wikipedia)

In literatuur en films kwamen over de gehele wereld de zoektocht naar echtheid in menselijke verhoudingen in botsing met bestaande tradities, rituelen en taboes. Veel films over liefde en over macht van bekende en onbekende regisseurs als Paulo Pasolini, Stanley Kubrick, Ingmar Bergman, Toshio Matsumoto, Jean-Luc Godard, Milos Forman, Dusan Makavejev e.v.a. hadden dit als thema. Ook seksualiteit en homo’s kwamen in beeld.

Er verschenen vele boeken van schrijvers, te veel om op te noemen – ik noem slechts Philip Roth, Carson McCullers, Heinrich Böll, James Baldwin, Junichiro Tanazaki, Pramoedya Ananta Toer, Wislawa Szymborska, Hugo Claus, Aleksandr Solzjenitsyn, V.S. Naipaul en Anna Blaman – die op zeer verschillende manieren getuigden van openheid en gebrek aan ontzag voor heilige -ook dictatoriale – huisjes. De literatuur getuigde zo van het besef dat ons leven en onze wereld van ons was en dat ook behoorde te zijn. Later brak pas het besef door dat we ons hebben te verantwoorden naar onze kinderen en kleinkinderen.

De acties in de jaren zestig werden door grote groepen mensen als oorzaak gezien van de verstoring van de harmonie en stabiliteit van de jaren vijftig. Buelens maakt daar korte metten mee. Deze beschuldiging is “..niet helemaal uit de lucht gegrepen. De bestaande orde werd inderdaad overhoopgehaald. Op nagenoeg alle vlakken werd aangetoond dat de door velen zo gekoesterde harmonie gebouwd was op een grote leugen. De onafhankelijkheidsgolf in Afrika maakte een eind aan de flagrante uitbuiting van een groot deel van de wereldbevolking door een kleine witte minderheid. Het feminisme legde bloot hoezeer vrouwen de tol betaalden voor veel mannelijk gemak. De Burgerrechten­beweging deed hetzelfde voor het niet-witte deel van de Verenigde Staten. Kort gezegd: voor al deze tweede- en derderangsburgers van de wereld bewezen de jaren zestig hoezeer die (naoorlogse, fk) stabiliteit het gevolg was van discriminatie en onderdrukking. De breuklijnen waren er dus altijd geweest, maar nu werden ze volop blootgelegd.” (p.588)

De Black Panthers protesteren niet alleen tegen de segregatie en onderdrukking van de zwarte bevolking. Op enkele plekken (o.a. Boston en Oakland) ontwikkelden zij educatie programma’s voor kansarmen waarin de zwarte en Afrikaanse geschiedenis, kunst en cultuur centraal stonden in het onderwijs dat zij verzorgden. (p. 636)

In het statige Museum of Modern Art in New York vonden eind jaren zestig twee geruchtmakende tentoonstellingen plaatst, één over niet-westerse “primitieve” (sic) kunst, de eerste in MOMA’s geschiedenis, en een documentaire tentoonstelling over Harlem waarin de zwarte bevolking en haar cultuuruitingen centraal stonden. In de jaren zeventig werden deze twee gevolgd door meerdere tentoonstellingen waarin de Afro-Amerikaanse cultuur centraal stond.

Op wereldtentoonstellingen opende de presentatie van nieuwe technieken veelbelovende vergezichten. Ruimtevaart en computers beloofden een ontwikkeling naar welvaart en minder werken voor iedereen. In de architectuur werd bijvoorbeeld overal ter wereld geëxperimenteerd met nieuwe vormen van stedenbouw en stadsvernieuwing. Met nieuwe technieken werden oude binnensteden vernieuwd op een manier waarin steeds vaker bleek dat de menselijke maat zoek was en kapitaal van vastgoedondernemers de toon zetten. Eerst in de tweede helft vaan de jaren zestig drong het besef door dat behoud van overgeleverde stedelijke structuren bij door de overheid gestuurde stadsvernieuwing meer garantie boden voor wonen op menselijke maat: stedelijke vervreemding én woningnood moesten beide aangepakt worden. Betaalbare grootscheepse nieuwbouw en volkshuisvesting en tegelijkertijd de immense groei overal ter wereld van sociaal eenzijdig samengestelde voorsteden en sloppenwijken bleven ook in de decennia daarna een grote uitdaging.

5 Hoofdstad Brasilia gebouwd volgens nieuwe architectonische ideeën

Een van de lijstjes van Buelens betreft het aantal verstoorde culturele evenementen, festivals en tentoonstellingen, waaronder de Buchmesse Frankfurt, de Triënnale van Milaan en in Nederland o.a. de Notenkrakersactie in 1969 in het Concertgebouw en de aktie Tomaat van toneelschoolstudenten tijdens een toneelvoorstelling in datzelfde jaar.

In China was een niet eerder vertoonde massale beweging gaande van jongeren, aangespoord door Mao (die hen gebruikte om tegenstanders uit te schakelen) waarbij vrijwel alle bestaande cultuuruitingen en vooral ook hun vertegenwoordigers en dragers het moesten ontgelden. Er is veel kostbaar cultuurgoed vernield en de schattingen van het aantal menselijke slachtoffers beloopt tussen de 1,7 en 8 miljoen[4].

Gevangenissen in Zuid-Afrika, de VS, Turkije, Griekenland, Brazilië, Mexico, Indonesia, Zuid-Rhodesia, India, Pakistan, Taiwan, de Sovjet Unie, China e.a. zaten vol met mensen die hun bestaan op het spel zetten voor het vrije woord en democratisering. In de Sovjet-Unie en China weden deze gevangenissen nog aangevuld met barre heropvoedingskampen. De jaren zestig zijn zowel de jaren van de roep om authenticiteit en democratisering maar ook van terreur en extreem veel geweld.

Tijdens de zomer van 1967 was er niet alleen de Vietnam-oorlog en de Zesdaagse oorlog in het Midden-Oosten, maar was het ook oorlog om burgerrechten en tegen armoede in “niet minder dan 159 steden van de Verenigde Staten. Vooral de dagenlange plunderingen, brandstichtingen en vuurgevechten in juli in Newark, en Detroit …(..)… meer dan zeventig dodelijke slachtoffers, binnensteden die eruit zagen als gebombardeerde oorlogzones, alleen al in Detroit meer dan 2500 verwoeste winkels, vele duizenden gearresteerden die vaak te arm waren om de borgsom te betalen..(..)..het ergste geweld sinds de Burgeroorlog”. En toch heette de zomer van 1967 The Summer of Love (p. 568).

Buelens documenteert de jaren zestig van de twintigste eeuw op veel verschillende manieren, met veel wetenswaardigheden en gebeurtenissen van over de gehele wereld. Het boek is zeer lezenswaardig want het geeft een veelzijdig, niet eenduidig beeld van een roerig decennium. Het is ook leuk om te lezen: het is alsof je uren bladert door tien jaar krantenkoppen, waarvan de herinnering onder een dikke laag stof ligt. Veel beelden kwamen terug bij het lezen, ook veel namen.

Bij het schrijven over dit boek maakte ik keuzes bij het noemen van voorbeelden en ontwikkelingen die deze veelzijdigheid onderstrepen en laat honderd keer zoveel onderwerpen ongenoemd. Wat is er begonnen in dat decennium, wat is nieuw aan deze jaren?

Op de eerste plaats zijn burgers, waar ter wereld minder gezagsgetrouw, minder als vanzelfsprekend gehoorzaam aan gezag en komen steeds meer burgers overal ter wereld op voor hun burgerrechten. Daarnaast is in een groeiend aantal landen de positie van vrouwen in de samenleving sterk verbeterd. De achterstandssituaties van etnische minderheden en hun strijd is sinds die tijd beter zichtbaar, komt meer in de publiciteit. Niemand kan het nog ontgaan dat minderheden strijden voor hun emancipatie, hun onderdrukking, de etnische maatschappelijke scheidslijnen, helaas ook in Afrika, en de nog steeds voorkomende etnische zuiveringen, zijn zichtbaar en worden opgemerkt.

Ik denk dat de muziekindustrie in die jaren massaconsumptie is geworden, ook films (in bioscopen) werden veel meer bekeken dan in de jaren daarvoor.

Daarnaast heeft de televisie, in Europa eerst alleen via nationale omroepen, zich een grote plaats veroverd in ons dagelijks leven en kon de amusementsindustrie met Engels als voertaal een uniformerende rol spelen in datgene wat steeds meer wereldwijd thuis bekeken werd.

Zo kon ook sport als (commercieel) kijkplezier, sport als vermaak een tot enorme hoogten komen. Van de NBA-finale tot de schaatswedstrijden: allemaal op de tv. De Olympische Spelen van Mexico waren de eerste die massaal in kleur en rechtstreeks te zien over de gehele wereld. De clip die de Beatles maakten van “All you need is Love” is wereldwijd in première door de tv uitgezonden. De televisie veranderde niet alleen het gezinsleven (maar dat is een andere studie), maar had ook andere gevolgen.

Zowel het toegenomen toerismeverkeer, vooral ook met het vliegtuig, als ook de televisie maakten de wereld relatief kleiner. Wat er op de wereld gebeurde en in het nieuws kwam, bereikte via de televisie in principe alle woningen. De zesdaagse oorlog, de troebelen in Congo en Katanga, de oorlog in Vietnam, de Praagse lente, de verovering van de wereld door de Beatles, de gouden Olympische medaille van Geesink en alle grote sportevenementen, oorlogen, honger, natuurrampen, het ijzeren gordijn, alles was te volgen.

De jaren zestig waren vooral in West-Europa en minder in Noord- en Zuid-Amerika (in Azië en Afrika ligt het heel anders) het begin van de afname van de invloed van godsdiensten op ons dagelijks leven. De actief-kerkelijke gelovigheid is in Europa sterk afgenomen.

Het (internationale) verkeer groeide en daarmee de wegen en het aantal auto’s maar ook treinen en vliegtuigen. En deze ontwikkeling blijft maar doorgaan: mijn kinderen zijn al op meer plekken op de wereld geweest, dan ik zelf. (En ik mis het niet, ben niet jaloers.)

Tenslotte is in de jaren zestig het begin aan te wijzen van een wereldwijd groeiend ecologisch bewustzijn: de aarde is niet onuitputtelijk en eindeloos in haar hulpbronnen voor de groei van de mensheid, de ontwikkeling van kapitaal en markten waarin aan eindeloze behoeften wordt tegemoetgekomen houdt echter nooit op. De Club van Rome is opgericht in 1968. En toch is voor mij gebleven: “de belangrijkste culturele en politieke boodschappen van de jaren zestig gingen over hoop, bevrijding en democratisering.”  (p.838)



[1] Ik bezorgde ook kranten en keek altijd voordat ik daarmee na schooltijd begon even op de koppen van de hoofdpagina. Ik kan me nog de pagina herinneren waarop met zwarte koeienletters stond: “MONTINI tot Paus gekozen”. Dit moet in de zomer van 1963 geweest zijn.

[2] Ik heb Nederland voor mezelf nooit “vaderland” genoemd; ik voelde ook al als tiener dit woord als vals, ons land had te weinig sociale samenhang om met enige trots te kunnen zeggen: dit is mijn vaderland.

[3] De Weathermen waren een radicale actiegroep, voortgekomen uit de SDS (Students for a Democratic Society), die gewelddadige acties niet uit de weg ging bij het aan de kaak stellen van de ongelijkheid en de oorlog.

[4] Bron: Wikipedia.

Uitgelicht bericht

Opstellen over de stad Utrecht

De afgelopen twee jaar heb ik met tussenpozen een aantal opstellen geschreven over de stad Utrecht, openbare plekken wel te verstaan. Ik ging een morgen of middag naar een plek ging daar zitten en schreef op wat ik zag en hoorde. Als je de tijd neemt of hebt zie je van alles beter, hoor je beter het lawaai en ook het gelach.

De komende tijd publiceer ik hier deze opstellen.

Twee boeken van Patrick Modiano

‘De plaats van de ster’, Amsterdam 1973 (oorspr. ‘La place de l’étoile’, Gallimard, Paris, 1968) en

‘Uit verre vergetelheid’, Amsterdam 2014, (oorspr. ‘Du plus loin de l’oubli’, Gallimard, Paris, 1996)

In het eerste boek, De plaats van de ster, geeft Modiano een beeld van het kapotgemaakte leven van een joodse Parijzenaar die de oorlog en de Holocaust overleefde.

En daar word je niet vrolijk van. Naast de al eerder her en der gememoreerde zware schuldgevoelens van overlevenden van de Holocaust, (“waarom ben ik de enige van mijn familie die het gered heeft”) komen er psychische stormen, waandenkbeelden, nachtmerries die teruggrijpen op eerdere levensperiodes, SS’ers en Wehrmachtsoldaten die in dromen Joodse namen dragen, in Israël wonen maar leven in het Parijs van 1941, woedeaanvallen en een geregeld verbroken verbinding met de dag van vandaag. Je kunt het zo gek niet bedenken of het komt voor. in Het geheel grijpt mij bij mijn strot en ik begin een heel klein beetje te ontwaren hoe dit moet zijn. Ik ervaar de machteloosheid van de hoofdpersoon om iets van zijn leven te maken als beklemmend maar ook als vreemd. Zijn belevenissen heeft Modiano zo opgeschreven dat ik er als lezer geen contact mee krijg. De opgeslotenheid van de hoofdrolspeler in zijn eigen psychische gevangenis is hij steeds gedoemd in verkeerde situaties verzeild te geraken of met de verkeerde personen in aanraking te komen. Hij heet Raphaël Schlemilovitch. Misschien is zijn naam wel de kortste samenvatting van wat Modiano wil laten zien. De schuldgevoelens van overlevenden komen indringend naar voren als Schlemilovitch in zijn wanen zelf SS’er is en Eva von Braun ontmoet. Twee punten zijn nog het noemen waard. De her en der typisch joodse humor, waar bij je moet lachen om niet te huilen, is zeer trefzeker. Daarnaast vormt het figureren van talrijke namen uit het Franse openbare en culturele leven van na de oorlog een moeilijkheid. Veel namen zeggen mij niet veel.

Had de plaats van de ster (Place d’ Etoile) een sterk biografisch karakter vanwege Modiano’s eigenverwevenheid met de oorlog en de Holocaust, dit boek heeft dat persoonlijke karakter niet. Althans het gaat niet duidelijk over Modiano’s eigen leven. Het kan wel een zeer persoonlijke getuigenis zijn van het stedelijke leven in Parijs en London in de tijd dat de schrijver tot volle wasdom kwam.

Voor bohemiens is het Parijs (en London) van de jaren zestig een kille, lege onverschillige stad waarin mensen ieder voor zich iets van hun leven trachten te maken, maar de zinloosheid druipt van elke belevenis. Men doet wat, zorgt via gokken voor een inkomen en logeert dan hier, dan daar. Men komt anderen tegen met je korte of langere tijd een relatie hebt en samen optrekt. Het is zo weer voorbij. Het maakt niet uit, lijkt het wel. Er zijn altijd wel kennissen die je tijdelijk onderdak bieden. Er is altijd wel ergens een korte opdracht voor een schrijfklus of een onderzoekje te verkrijgen. Modiano schrijft bepaaldelijk niet over een gemiddelde werknemer van Renault – Billancourt, maar eerder over de derde bassist van Johnny Halliday. Van de twee mensen is de man een (in den beginne aankomend) schrijver die geen naam krijgt en heeft de vrouw Jacqueline geen duidelijk omschreven beroep. Zij ontmoeten in Parijs een gokker en in London, enige tijd later een smoezelige pandjesbaas. Deze mensen gaan uit, wandelen, snuiven ether, vrijen (ook als natura vergoeding voor het wonen in een huurflat), bezoeken een Jamaica café, toeren met de metro door de stad, ontmoeten deze en gene. Alle gebeurtenissen en dagen hangen als los zand aan elkaar, er is geen streven dat hun levens samenbindt en energie geeft.

De eerste episode van deze roman begint in Parijs en eindigt in London, na zo’n anderhalf jaar, met de plotse verdwijning vaan Jacqueline.

De tweede episode, vijftien jaar later, speelt zich af in Parijs. De naamloze protagonist is nu schrijver, leeft alleen en in willekeurige dagindeling. In een metro ziet hij een vrouw die op Jacqueline lijkt, hij gaat achter haar aan, ontdekt waar ze woont en weet enkele dagen later op een feest in haar flatgebouw binnen te komen, in de hoop haar te treffen. En dat gebeurt. Aanvankelijk lijkt ze hardnekkig hem niet te herkennen. Zij is met haar man. Maar bij het afscheid stapt ze met een smoes in dezelfde lift als hij en wordt het contact voor enkele uren vervolgd waar het jaren terug is gestokt. De volgende dag vertrekt ze met haar man naar Mallorca.

In de derde heel korte episode mijmert de schrijver, terwijl hij er wandelt, over de wijk waar Jacqueline is geboren.

Het leven van bohémiens in een grote stad lijkt een leven zonder bedoelde en duurzame verbindingen, toevallige ontmoeting en tijdelijke projecten rijgen zich aan elkaar. Een ontnuchterend boek.

Elke dag oorlog

Over Anjet Daanje, De herinnerde soldaat, Groningen 2019

Europa en ook de rest van de wereld kende in de 20ste eeuw veel oorlogsgeweld. Miljoenen mensen, soldaten en burgers werden gedood en wanneer ze het overleefden waren hun verdere levens erdoor getekend. Velen hebben herinneringen aan een oorlog (‘de oorlog’) waarover ze soms met trots, soms met schrik of afschuw hun avonturen vertellen of juist erover zwijgen.

Voor vele andere overlevenden die ook slachtoffers waren is hun leven door de oorlog meer dan getekend: ernstig getraumatiseerd door verkrachting, het getuige zijn van moord en doodslag, door honger, door gevangenschap, door marteling of na verblijf in een concentratiekamp.

Ik ben van na de (West-)Europese oorlogen en heb iets dergelijk nooit hoeven meemaken, maar ik ben wel steeds nieuwsgierig geweest naar hoe mensen de oorlog(en) ervaren hebben en hoe ze verder zijn gegaan met hun leven als ze het overleefden.

Mede door de ontwikkeling van het wapentuig in de 19de en 20ste eeuw zijn in de afgelopen 120 jaar ook enorm veel burgers gevallen als slachtoffers. Soms kun je zelfs stellen dat het oorlogsgeweld op de eerste plaats gericht was tegen delen van de eigen bevolking, tegen een etnisch te onderscheiden deel van de eigen bevolking of tegen een wanhopig hongerende, werkloze en in bittere armoede verkerende mensenmassa die in opstand kwam.

In de 20ste eeuw is er overal op de wereld op ongekend grote schaal gemoord. De Amerikaanse historicus Rummel heeft dit zo’n 25 à 30 jaar terug grondig in kaart gebracht. Bram de Swaan heeft over zijn onderzoekingen en telwerk een brochure geschreven en een openbare les (Huizingalezing) gehouden[1] in 2003. Hieruit de volgende passage:

Er zijn in de afgelopen eeuw vier regiems geweest die elk meer dan tien miljoen mensen hebben vermoord. Tussen 1917 en 1987 zijn in de Sovjet-Unie tweeënzestig miljoen mensen omgebracht door executie, mishandeling, foltering, uitputting of uithongering. Dat aantal is door geen enkel regiem geëvenaard. Communistisch China komt daar nog het dichtste bij met ruim vijfendertig miljoen vermoorde burgers tussen 1949 en 1987. Naar het totaal dodental onder weerloze mensen komt het nazi-regiem op de derde plaats met eenentwintig miljoen moorden. Als vierde verschijnt in de tabel een regiem dat nagenoeg vergeten is, Nationalistisch China waar de Kwo-min Tang onder Chang Kai-shek tien miljoen ongewapende mensen heeft gedood tussen 1928 en 1949.

En dan zwijg ik nog maar over de massamoorden in Mexico, Armenië, Namibië, Zuid-Afrika, Congo, of recenter, Myanmar, Sudan, Rwanda, Venezuela, Argentinië, Eritrea, enz. Als er iets kenmerkend is voor de geschiedenis van het mensengeslacht, is het wel dat machthebbers steeds opnieuw middelen afdwingen voor en kunnen bevelen naar wrede oorlogsvoering en genocide (massamoord) of democide (volkerenmoord) om hun positie veilig te stellen.

De wereldwijde verbreidheid van het geweld, altijd en overal is de negatieve spiegel van de gevolgen van oorlog en geweld voor een overlevend slachtoffer. In allerlei getuigenissen is de afgelopen 40 jaar de wreedheid van oorlogsgeweld tijdens maar ook na die oorlog voor een enkel individu beschreven. Dagboeken, terugblikken, memoires van allerlei aard laten zien dat een gewoon mens meestal, niet altijd[2], heel veel moeite moet doen om weer een gewoon leven na zo’n oorlogservaring op te pakken. Niet zelden eindigt zo’n leven dramatisch: nachtmerries, echtelijke ruzies, opname in een kliniek, verlatenheid, drugs- of alcoholverslaving, suïcide, waanzin. De aantallen getraumatiseerde overlevenden van oorlogsgeweld op de gehele aarde moet enorm zijn, wellicht wel meerdere honderden miljoenen.

Anjet Daanje heeft met De herinnerde soldaat een roman geschreven over één zo iemand.  Namelijk een die de Eerste Wereldoorlog in de Vlaamse loopgraven overleefde, er zijn geheugen kwijtraakte, niet meer weet wie hij is en wat hij heeft meegemaakt, zwerft hij rond in de buurt van waar tot voor kort gevochten wordt. Hij wordt gevonden en hij belandt uiteindelijk in een inrichting in Gent waar hij de naam Noen Merckem krijgt, want op zekere dag gevonden rond het middaguur bij het plaatsje Merckem.

In de kliniek werkt hij in de tuin en heeft ’s nachts op de slaapzaal bij toerbeurt dienst om te waken over medepatiënten zodat die gekoesterd kunnen worden bij hun nachtmerries.

Op zekere dag, zo’n vier jaar na de oorlog, komen er achtereenvolgens twee vrouwen op bezoek die naar hun vermiste echtgenoot zoeken. De tweede vrouw, Julienne, herkent hem als de hare en met veel getouwtrek met de behandelende arts krijgt zij haar man mee. Hij blijkt Amand Coppens te heten.

Ze woont in Kortrijk met twee kinderen, zijn kinderen, en verdient de kost met een kleine fotowinkel.

Een jaar lang ontspint zich een leven van momenten van herinnering, zwarte angstaanjagende dromen, woedeaanvallen, voorzichtige toenadering tussen hem en de kinderen en de eerste stapjes naar een nieuwe intimiteit tussen de echtgenoten. Zij leert hem het fotografie-vak. Hij leert om te gaan met haar en de kinderen. En dan is er plots weer een aanval van verstandsverbijstering, woede, hevige angst, nachtmerries, vlagen van herinnering door beelden of geuren. De oorlog is elke dag en elke nacht aanwezig. De spanning die soms wat minder wordt, is steeds voelbaar, ondanks dat de verhouding tussen de twee echtgenoten groeit. Er is weer samen lachen, slapen, intimiteit en seks. En er is ook wantrouwen van hem naar haar: vertelt zij wel alles wat er is gebeurd tijdens de oorlog? Hij ontdekt dat haar oorspronkelijke huis in Meenen er nog steeds staat in deze overigens grotendeels verwoeste stad. Coppens fotografie staat nog steeds op de muur in het nog onbewoonde huis, zo ontdekt hij als hij boos om een ruzie op een dag helemaal naar Meenen reist. Zij vertelt later wat de reden is dat zij naar Kortrijk is verhuisd: zij verpleegde Duitse soldaten en werd als moffenmeid uitgekotst door de gemeenschap. Er zijn verschillende momenten van wantrouwen, van niet alles zeggen, van onbegrijpelijke teleurstellingen, plotse boze momenten die vervolgens weer afgewisseld worden door lieve momenten van tederheid, samen genieten van een sigaret in de tuin of een intense vrijpartij.

Echter er verschijnt op zeker moment in zijn dromen een andere blonde vrouw waarvan hij de naam uiteindelijk ook herinnert: Käthe. Drie dromen verder weet hij ook haar naam Tönsing en hij weet: dit moet zijn vrouw zijn. Er komen dromen waarin zij hem voorleest, in een weide, zij aan de overkant van een brede sloot. Weer later komt de naam van het dorp binnen en de hond van de familie, Issie. In steeds meer nissen van zijn geheugen komt licht binnen. Hij maakt ruzie met Juliette over wat te doen, zij zegt dat Käthe zijn vrouw niet was en nodigt hem uit een brief te sturen naar haar in dat Duitse dorp. De brief komt na anderhalve week terug: Juliette heeft er te weinig postzegels op gedaan. Hij besluit na wederom een woordenwisseling over twee weken te vertrekken. Zij laat hem gaan, regelt een reispas op het gemeentehuis voor hem, geeft eten mee voor onderweg naar Duitsland en hij reist per trein eerst naar de grens, dan naar Keulen en dan, is het plan, verder met een lokaal boemeltje. Deze laatste rijdt niet: Duitsland verkeert in een hevige crisis, het openbare leven is lam gelegd door een gierende inflatie. Wie eten wil kopen moet iets te ruilen hebben. Treinkaartjes worden niet meer verkocht. Hij besluit het laatste stuk dan maar te lopen en komt na allerlei avonturen met zwervers en bedelaars aan in het dorp. Hij herkent het en loopt naar de boerderij van de familie. Hij ziet haar met twee kleine kinderen bij zich en zij roept naar hem dat er niets te halen valt en dat ie zich weg moet scheren. Ze gaat naar binnen en komt even met haar hond en een jachtgeweer weer naar buiten. De hond Issie blaft, komt dichterbij en herkent hem dan en spring blaffend en kwispelend tegen hem op. Käthe herkent dan haar dood gewaande Vlaamse man Louis Blauwaert.

Hij blijft twee dagen op de boerderij, Käthe communiceert nauwelijks met hem, zij is hertrouwd en heeft twee kinderen van haar tweede man Rainer. Louis wordt ook door de anderen, behalve de hond Issie (Käthe’s ouders en Käthes man) slechts getolereerd. Hij slaapt in de hooiberg in schone lakens. De tweede nacht komt Käthe bij hem en ze slapen naast en tegen elkaar, praten weinig en vrijen niet. Als hij heel vroeg in de morgen wakker wordt is ze weer verdwenen en blijkt in de keuken zijn koffer, knapzak met eten en drinken voor onderweg klaar gezet te hebben. Hij begrijpt dat zij niet in staat is haar huidige leven overhoop te gooien en vertrekt aan het eind van de nacht, lopend naar Keulen.

Issie gaat echter met hem mee, maar de hond wordt na enige kilometers onrustig en gaat terug naar de boerderij: ook zij kan de boerderij en de mensen daar niet in de steek laten.

In Keulen koopt hij van zijn laatste Belgische franken een kaartje naar de grens. Verder komt hij niet. Dwalend in de regen vlak over de grens valt hij in slaap en droomt dat Juliette in de voering van zijn jas wat extra franken genaaid heeft. Hij wordt wakker, vindt de franken en kan een treinkaartje naar Kortrijk kopen.

Hij besluit tegen Juliette te zeggen dat Käthe niet blijkt te bestaan. Juliette is dolblij hem terug te zien en hij laat haar met haar leugen zegt dat Käthe niet bestaat en dat hij Amand Coppens is.

De alomtegenwoordigheid van de oorlog in Europa – macro en micro- heb ik al genoemd. De verdienste van dit boek is dat deze alomtegenwoordigheid in het leven van deze twee mensen heel indringend verbeeld en verwoord wordt.

Maar er is nog iets anders. De spanningen, botsingen, conflicten en hevige gevoelens van elkaar liefhebben en willen liefhebben van Juliette en Amand twee overlevenden, zijn zeer herkenbaar, ook al heb ik, lezer van dit boek,  de oorlog niet meegemaakt. In bijna elke woordenwisseling of gesprek voelde ik me als lezer partner of partij. Ik heb zelden zo’n empathisch boek over de relatie van twee mensen gelezen. Het lezen van dit relaas ontlokte zelfs wisselende emoties in mijn eigen bestaan in de weken dat ik het las. Daanje maakt mij zo duidelijk dat oorlogstrauma’s menselijke reacties en geen pathologische reacties oproepen bij de overlevenden. Over de stijl van dit schrijfwerk: er zijn lange zinnen en alinea’s die steeds met: En (toen).. beginnen. Er is geen treffender manier om een leeg geheugen opnieuw te vullen. In het hoofd van Amand is geen hiërarchie van grote lijnen en gebeurtenissen. Alles is nevengeschikt, zijn belevenissen met Juliette en de kinderen in Kortrijk (en met Käthe) worden noodzakelijkerwijs aan elkaar geregen als een kralenketting en eerst daarna kan er van onder- en bovenschikking en grote lijnen sprake zijn. Alles is belangrijk als je geen herinneringen hebt. Daanje heeft een groots en belangrijk boek geschreven.


[1] Abram de Swaan, Moord en de staat, Huizingalezing, december 2003

[2] Zo merkte Renate Rubinstein in Vrij Nederland destijds in 1982 verbaasd op dat uit de memoires van Yvo Pannekoek, een joodse arts uit Amsterdam ook een overlevende, juist naar voren komt dat Pannekoek gegroeid is van de oorlog.

Stemmen: een boek over het Concertgebouworkest

Het Concertgebouworkest bestond in 2013 125 jaar. Iedereen die een beetje van muziek weet, weet dat dit orkest tot de top van de wereld behoort samen met die uit Berlijn, Wenen en New York.

Het jubileum heeft dit orkest aangegrepen een uitgebreide wereldtournee te houden en daarbij alle werelddelen aan te doen. Voor een dergelijk groot orkest (+ 125 professionele musici en voor de staf daaromheen is zo’n tournee een gigantische operatie die jaren daarvoor al voorbereid moet worden.

Judith van der Wel reisde mee en trok meer dan een jaar intensief op met het orkest. Zij sprak musici, dirigent, muzikaal directeur, algeheel directeur, de verzorgers (“inspecteurs”), de boekhouder, de planners, de communicatiemedewerkers en leerde zo dit orkest, zijn mensen, zijn traditie, zijn werkwijze en zijn problematiek goed kennen. Alle gesprekken documenteerde zij en bracht deze onder in afzonderlijke hoofdstukjes van drie à zes bladzijden. En deze geven bij elkaar een rijk en zeer divers beeld van dit orkest.

Wat het boek vooral boeiend maakt is dat Van der Wel het licht laat vallen op allerlei onvermoede aspecten van het bestaan van het orkest en het leven van de musici. Het verschil tussen eerste violen en tweede violen en vooral ook tussen de betreffende musici. De eerste groep meer op de voorgrond, in de spotlights en de tweede groep die meer voor de harmonieën en sfeer in de muziek zorgen. Verschillende types musici. De slagwerksectie achteraan die soms weinig te doen hebben en tussentijds vroeger soms achter de gordijnen verdwijnen om …een sigaret te roken en wat te drinken. De ingetogen houtblazers[1] (hobo, klarinet, fagot) verschillen in veel opzichten van de meer masculiene, soms schetterende koperblazers. De Franse en de Duitse school bij de cello’s. En dan heb ik het nog niet over de concertmeesters en de dirigenten Mengelberg en Haitink verschilden hemelsbreed en deze waren weer zeer verschillend in vergelijking met Mariss Jansons, Daniele Gati[2] of Riccardo Chailly. Waar hard werken aan een ijzeren repertoire en internationale erkenning het levenswerk was van Mengelberg, liet Haitink het eigen warme karakter van het orkest meer uit het orkest zelf komen. Waar Haitink Brückner op de kaart zetten was Chailly vooral de vernieuwer met modern repertoire. Het orkest wordt aanvullend op eigen inkomsten gefinancierd door het rijk en de gemeente Amsterdam. In begin jaren negentig – het neoliberale beleid van Lubbers, Kok en Zalm wordt uitgerold over de collectieve sector – moeten zorg, onderwijs en cultuur meer marktgericht gaan werken. Het orkest stelt een commercieel manager aan, maakt werkt van communicatie en website, professionaliseert het personeelsbeleid en wordt in alles een organisatie waarin doordacht met mensen, geld en tijd wordt omgesprongen. Ik heb niet het idee dat dit het orkest slecht is bekomen of dat de muziek eronder geleden heeft.

Van der Wel legt nergens uit wat het geheim van het Concertgebouworkest behelst. Ik vermoed dat het gaat om de vraag hoe komt het dat dit orkest zo goed is (en dat al jaren zo is) en hoe komt dit orkest aan haar karakteristieke warme “sound”?

Haar boek geeft daar geen eenduidig antwoord op maar legt meerdere stukjes van een puzzel op tafel.

Bijvoorbeeld de selectieprocedure, waarin musici en niet de dirigent samen beslissen wie ze aannemen na enkele rondes voorspelen, waarvan de eerste keer blind, achter een gordijn. De musici komen daarbij de laatste dertig jaar uit steeds meer verschillende uithoeken van de wereld: China, USA, Australië, Zuid-Afrika, Frankrijk, Rusland, Noorwegen, Engeland, enz. Deze musici brengen natuurlijk ook allerlei verschillende “scholen” en opleidingsstijlen in dit orkest bij elkaar. Voor de individuele musici is spelen in dit orkest de hemel, hoger kun je niet reiken en deze musici willen maar één ding: dat zij zelf en het orkest nog beter worden. Er zijn musici die vrijwel elk vrij uurtje op hun instrument strijken of blazen, ook tijdens tournees.

Het reizen en de hotels tijdens zo’n wereldtournee moet heel vroeg goed geregeld worden. Orkestleden en hun instrumenten moeten mee en bij overstappen op een andere vlieglijn moet alles goed gaan anders komt een laatste repetitie in de zaal waar men morgenavond optreedt in gevaar. En dan spreek ik nog niet over de musici die een bepaalde nationaliteit en dito paspoort hebben die sommige landen daarom niet in mogen of daar op het vliegveld opgewacht worden om gearresteerd te worden vanwege eerder gedane uitspraken over het politiek systeem van dat land (van herkomst). Zo is er bijvoorbeeld uitgebreid gesproken over de vraag of het orkest een statement zou maken in Petersburg en/of Moskou over het wrede beleid jegens de lhbti-mensen in Rusland. Voor de homo’s in het orkest ligt dit zwaarder dan voor andere. Maar mag je een gastheer bruskeren?

Waar ik evenmin nooit eerder aan gedacht heb is dat er speciale relaties bestaan tussen sommige musici. Je hebt een vader en zoon en enkele echtparen, maar natuurlijk ook verliefdheden en affaires die daar ontstaan. Ook zijn er musici die ooit de docent waren van een jonge getalenteerde collega die in de loop der jaren de senior in kwaliteit en gewicht voor het orkest overstijgt.

Mariss Jansons moet plots op de tournee een concert afzeggen vanwege een crisis in zijn gezondheid. Gelukkig is er een (jonge) reserve dirigent meegereisd die het stokje – de baton- naadloos overneemt. Vrijwel alle cruciale posities in het orkest zijn dubbel bezet en de groep slagwerkers zijn bij traditie multi-instrumentalisten en heel goed uitwisselbaar.

Ik verwachtte het niet, maar er is ook een discussie over het aantal buitenlanders in het orkest. Het is te kort door de bocht om dit op te vatten als (beperkte) xenofobe gevoelens. Terwijl ik denk: hoe meer buitenlanders hoe beter, want hoe meer nieuwe en anders geschoolde professionaliteit in het orkest en daar wordt het orkest alleen maar rijker van, maakt een veelheid van buitenlandse musici de onderlinge communicatie, de sociale samenhang binnen het orkest moeilijker. Hoewel veel musici de Nederlandse taal leren, is communicatie vanuit verschillende culturele achtergronden niet steeds een verrijking. Humor, wat je wel of niet zegt, de inspraak van de musici, de autoriteit van de concertmeester of dirigent de lhbti-mensen in het orkest, jong en oud, enz. dit alles wordt ingewikkelder bij verschillende achtergronden.

De tournee is overigens op den duur niet alleen slopend. Het orkest doet ook bijzondere ervaringen op. Een voorbeeld. Men is gewend op tournee als het even kan een gratis openluchtconcert te verzorgen voor mensen die de dure tickets in een concertgebouw niet kunnen betalen. Zo geeft men gratis wat lessen aan het Cape Youth Philharmonic Orchestra in Kaapstad en bezoeken ze township Soweto voor een gratis openluchtconcert. De orkestleden worden op hun beurt bij aankomst getracteerd op een concert met dans door kinderen die zonder bladmuziek, uit hun hoofd, op eenvoudige instrumenten spelen. Voor de meeste musici een niet te vergeten kippenvelmoment: Vroeger kon ik zo recht uit mijn hart spelen, ik ben dat kwijtgeraakt.

Dit boek is een verrassend, boeiend en daarom waardig monument voor een orkest waar we zuinig op moeten zijn.

Judith van der Wel, Stemmen, Het geheim van het Koninklijk Concertgebouworkest, Querido Amsterdam, 2015


[1] In de jazz spreekt men van rietblazers.

[2] Dit boek is verschenen vóór het ontslag van Gati vanwege beschuldigingen van grensoverschrijdend gedrag.

Steeds vaker hoop ik dat iemand mij vindt

Over twee boeken van Marieke Lucas Rijneveld

In betrekkelijk korte tijd is Marieke Lucas Rijneveld een literaire grootheid geworden. Ze schrijft gedichten die sinds 2015 gepubliceerd worden. Haar eerste roman De avond is ongemak (Amsterdam, Atlas-Contact, 2018) is bejubeld in de vaderlandse pers. Vertalingen zijn uitgebracht en prompt ging de Internationale Booker Prize in 2020 naar de Engelse versie hiervanThe discomfort of Evening vertaald door Michele Hutchison.

Daarna verscheen in 2020 de roman Mijn lieve gunsteling ook bij Atlas-Contact, deze zou nog beter en mooier zijn dat de eerste roman. Zo’n ontvangst als beginnende schrijver komt niet vaak voor, reden genoeg om mijn nieuwsgierigheid te wekken en beide boeken te lezen.

De avond is ongemak verhaalt over een gezin rond de jongste eeuwwisseling op het platteland. Een boerengezin Mulder levend van een fikse veestapel, aangesloten bij en levend volgens de mores van de gereformeerde kerk. Er zijn vier kinderen, twee jongens en twee meisjes. Het verhaal is geschreven vanuit de positie van het meisje dat zichzelf Jas noemt. Zij heeft een zus Hanna en twee oudere broers, Matthies en Obbe. Wanneer Matthies bij een winterse schaatstocht in een wak rijdt en onder het ijs verdrinkt herstelt het gezin zich niet van deze klap. Jas, die sinds die tijd haar jas niet meer uitdoet laat zien hoe langzaam maar zeker het gezin desintegreert: het contact tussen ouders onderling en tussen ouders en kinderen wordt steeds minder. Vroeger zou men het woord ‘atomiseren’ hiervoor gebruiken. In plaats van elkaar te steunen en gezamenlijk het immense verdriet te dragen gaat ieder steeds meer een eigen weg. Moeder en vader hebben steeds minder contact, raken elkaar ook niet meer aan en moeder eet ook steeds minder. De drie kinderen voelen steeds meer verantwoordelijkheid voor het welzijn van hun ouders en zijn hun losheid en onbezorgdheid kwijt. De dreiging van straf van God is dagelijks voelbaar in het leven van de drie kinderen die intussen wel met alle lichamelijkheid en experimenten opgroeien in een leven dat verdoemd is. De kinderen zijn nog het meest natuurlijk en gewoon in dit gezin. Jas mist haar overleden broer, deelt geheimen met zus Hanna en maakt samen met haar het grote Plan om er vandoor te gaan naar de overkant van het water, over de brug. De Overkant krijgt in het boek steeds meer een mythische lading: daar wacht de verlossing en zij zijn vastbesloten daar ooit heen te gaan. Zij ontdekken hun lijf en alle gaten die daarbij horen en onderzoeken met (hun broer) de grenzen van gewelddadigheid jegens dieren (een dwergkonijn, een hamster en een haan moeten het ontgelden). Als de boerderij getroffen wordt door de MKZ-crisis en de veestapel geruimd moet worden is dit de genadeklap voor het gezinsverband. Obbe verwijdert zich van zijn zussen die steeds meer alleen komen te staan net als hun ouders. De aankondiging van nieuwe koeien komt voor het gezin te laat. Jas blijkt niet in staat het verbond met zus Hanna voldoende te vertrouwen ze is bijvoorbeeld doodsbang als Hanna op een winterse dag de schaatsen onder bindt voor een schaatstocht. Ze gaat uiteindelijk haar broer Matthies achterna door zich, met haar twee padden in de vrieskist in de kelder op te sluiten. Ze komt nooit aan de overkant.

De eenzaamheid weet Rijneveld heel goed te verwoorden, haar zinnen zijn mooi van eenvoud en vanzelfsprekendheid. Jas vecht er steeds meer voor niet uit elkaar te vallen, niet te desintegreren. Ze is daarbij in de eerste maanden gericht op anderen voor hulp en erkenning – ik hoop dat iemand mij vindt. Later beseft ze dat ze alleen nog zichzelf kan hebben en eens naar zichzelf terug wil. Als teken daarvan steekt ze een punaise in haar navelbobbel, daarbinnen is haar doel en niemand mag het weten. Rijneveld is overtuigend in het verwoorden en verbeelden van hoe kinderen een dergelijk verlies beleven, hoe kinderen hun ouders beleven en hoe ze beleven dat zij in de puberteit komen. Mythen, associaties, verbindingen tussen binnen- en buitenwereld die voor kinderen heel gewoon zijn, aangevuld met veel bijbelse dreiging, maken dat het heel gewoon is wat Jas doet. Rijneveld doet dit heel knap, vooral doordat zij het genoemde associatieve denken van kinderen zeer aannemelijk en waarheidsgetrouw brengt. Rijneveld is haar kindertijd niet vergeten en dat levert mooie kinderlijk-volwassen zinnen op.

Mijn lieve gunsteling uit 2020 gaat over mensen uit hetzelfde gelovige milieu van veehouders. Ook hier is een gezin met opgroeiende pubers, hier zijn het er twee. De vader is veehouder en communiceert weinig met zijn twee kinderen; zijn vrouw is ooit naar Stavanger vertrokken en wordt hier geregeld genoemd als de verlatene waaromheen een ijzige stilte hangt. Het gat dat haar vertrek in het gezin veroorzaakte is voelbaar. Daarnaast is er nog een niet-meer-iemand aanwezig: de verlorene, een kind dat met een verkeersongeluk om het leven is gekomen Ook hier resulteert dit drama, net als de MKZ-crisis in het eerste boek, dat de drie gezinsleden als drie eilandjes naast elkaar leven en geen contact hebben. Geatomiseerd.

Het onbesprokene heerst ook in dit gezin. Je voelt als lezer de oorverdovende stilte.

Centraal in deze roman staan echter de veearts van dit veehoudersgezin en de 14 jarige dochter. De eerste is na seksueel misbruik door zijn moeder, niet in staat een relatie aan te gaan en te onderhouden met een volwassene. In zijn beroepsleven heeft hij tijdens de MKZ-crisis moeten meemaken dat hij een veehouder ontdekte die zich verhangen had, een gebeurtenis die ook in het eerste boek voorkomt. De veearts zonder naam – de dochter van de veehouder noemt hem Kurt- is gefascineerd door opgroeiende kinderen, meisjes van dertien met een nog ontluikende seksualiteit. Zijn “lieve gunsteling” is de dochter van de veehouder, die eveneens geen naam krijgt in dit boek, die volop bezig is met de verschillen tussen jongens en meisjes en met wat volwassenen met elkaar doen in bed. Zij is gebiologeerd door penissen van jongens en van allerlei soorten dieren. Zij wil ook zo’n jongens-“gewei”, een woord dat Rijneveld van Gerard Reve leent. De veearts is gek van haar en belooft haar een gewei. Het relaas van deze twee, die vooral op initiatief van de veearts een onmogelijke relatie aangaan, wordt achteraf vertelt door de veearts, als zijn vrouw het huwelijk al beëindigd heeft. Hij vertelt in lange zinnen, waar de ene na de andere bijzin en vervolgzin door komma’s aan elkaar geregen worden, een werkwijze die Rijneveld ook in haar eerste roman toepast, de achtereenvolgende geheime gebeurtenissen die tussen deze twee plaats vinden. De kusjes, het aaien, de aanschaf van een matras voor achterin de Fiat, de vermoedens van zijn vrouw, de verterende jaloezie van de veearts als het meisje verkering krijgt met zijn enige zoon, de woede van zijn vrouw, de kinderlijke, ook hier magische, fantasieën van het meisje, haar gesprekken met Hitler en Freud, haar hoofdrol en schuld in de aanslag op de Twin Towers, alles komt tot ons via de veearts die als een bevlogen journalist zeer uitvoerig verslag doet tot de breuk tussen die twee en zijn arrestatie. In dezelfde tijd valt het gezin van de veehouder uit elkaar en kan het meisje een reeds sluimerende carrière als zangeres van een popband starten.

De beide boeken zijn niet alleen door dezelfde schrijver geschreven, maar ook aan elkaar verwant door de keuze van hetzelfde gelovige veehoudersmilieu en de beginnende puberteit van beide hoofdrolspelers. Rijneveld presenteert in beide boeken hele mooie, beeldende zinnen die op overtuigende wijze de denk-, leef en gevoelswereld van jonge pubers die nog weinig nuances maar veel absoluutheden kennen. Deze boeken brengen bij mij de herinnering terug aan de sfeer die ook in mijn puberteit aanwezig was. Rijneveld ontvouwt in beide boeken de stilte, de leegte en het onbesprokene die rond familiedrama’s kunnen ontstaan. Zij sc hrijft vanuit de optiek van het kind en van de veearts. De zwijgende ouders zijn in De avond is ongemak en de zwijgende norse vader in Mijn lieve gunsteling is vanuit het perspectief van volwassenen minder overtuigend: mijn generatie heeft geleerd te praten over wat ons bezig houdt. Rijneveld schetst zodoende een beklemmende sfeer in het milieu waarin zij opgroeide, met een ongeloofwaardige kant: de stille ouders.

Hoeveel waarheidsgehalte dit beeld heeft weet ik niet. Als zij door te overdrijven dergelijke boeken weet te maken, is de vraag naar de sociologie en sociale psychologie van het milieus van de intensive veehouderij wellicht van minder belang.

Ik moet nog wel opschrijven dat het eerste boek mij tot de laatste bladzijde in zijn greep had. Maar bij Mijn lieve gunsteling, verloor ik kort na de eerste helft van het boek langzaam maar zeker mijn belangstelling. Het brandende verlangen van de veearts kwam steeds in andere toonaarden terug en op een gegeven moment was dit voor mij genoeg en voegden nieuwe uitweidingen daarover niets meer toe. Toen liet zich ook wreken dat het verhaal vanuit de veearts geschreven is: bekend met alle uithoeken van zijn verlangen naar haar kwam het voorwerp van zijn verlangens steeds verder van hem en van de lezer af te staan. Zij werd stiller en eigenlijk steeds meer het object van het handelen en de fantasieën van de veearts en steeds minder subject. Net als Jas uit het eerste boek is ook de Gunsteling steeds minder gezien. Dit verwijderingsproces duurt te lang voor mijn gevoel en is ook minder creatief beschreven door Rijneveld. Kortom ik was klaar met dit boek voordat ik het uit had.

Een rebelse jeugd in de kop van Noord-Holland

Over:

Kees Looijesteijn, Rebel tussen tulpen, De voorbeeldige jeugd van Kees Looijesteijn, Anna Paulowna, 2019 (€ 35)

Kees Looijesteijn was in zijn jeugd dorpsgenoot. Hij was van een jaar later (1953) en zat daarom niet bij mij, maar een klas later op dezelfde katholieke St. Janschool te Breezand in de Kop van Noord-Holland. Ik was niet met hem bevriend, maar kende wel zijn gezicht van het schoolplein. Waar ik me tussen al die jongens en meisjes, de school telde meer dan 300 kinderen, op de achtergrond hield, trok hij geregeld de aandacht van de juf of meester. Hij had branie. Zo moest zijn voorkomen wel in mijn herinnering zijn bewaard.

Na de LTS in Den Helder en de MTS (elektrotechniek) in Alkmaar werkte hij van 1974 twee jaar in Peru via de SNV als ontwikkelingswerker met de taak het technische onderwijs daar verder te brengen. Na twee jaar Peru sluit hij deze periode af met een reis, samen met zijn vriendin door Zuid-Amerika en keert terug naar de Anna Paulowna polder. Hij wordt gekozen in de gemeenteraad voor de PvdA, wordt later wethouder en wordt bij zijn afscheid als gemeentebestuurder in 2002 geridderd en ereburger van Anna Paulowna. Hij was toen bijna vijftig en heeft zijn verdere jaren onder andere kunnen besteden aan de fotografie, ook in zijn jeugdjaren al zijn hobby. (Zie voor zijn werk: www.looijesteijn.nl.)

Nu hij net als ik ver in de zestig is, heeft hij een poging ondernomen zijn persoonlijk fotomateriaal te ordenen en maakte er voor zijn nageslacht bijschriften bij. Deze bijschriften werden uitgebreid tot verhalen en verhaaltjes en zo ontstond dit boekwerk.

Van het bestaan van dit boek hoorde ik van mijn jongste broer en toen de tweede oplage beschikbaar kwam heb ik het gekocht.

Ik heb het met plezier gelezen, veel herinneringen zijn weer boven komen drijven.

Zoals gezegd kende ik Kees van gezicht en heb nooit iets met hem te maken gehad, althans voor zover mijn herinnering strekt. Maar op de vele foto’s herkende ik het Ceresplein en het badhuis (o.a. zijn ouderlijk huis), de Zandvaart, de katholieke kerk en nog veel meer en herkende ik hem ook van de foto’s. Dat hij lef had en vanaf zijn geboorte een rebel was maakt hij duidelijk aan de hand van de vele verhaaltjes en avonturen uit zijn kindertijd en jeugd die hij opdient. Al lezende verovert hij mijn hart alsnog, omdat hij als kind al niet bang was om streken uit te halen en schopte tegen de toen (jaren zestig-zeventig) afbrokkelende (machts-)verhou­dingen in het dorp. Met terechte trots beschrijft hij zijn avonturen en geeft intussen een boeiend inkijkje in het leven van kinderen en jongeren op het platteland van Noord-Holland in die jaren. Zo passeren de H. Hart-bijeenkomsten op de eerste vrijdag van de maand op de katholieke St. Janschool, het driftige slaan van lastige kinderen door Evert Ligteringen het hoofd van de school, de eerste kinderprogramma’s op de televisie, de winter van 1962-63 waarin hij met twee anderen bij een schaatstocht door een nauwe duiker kruipt in de verwachting dat het water overal stevig bevroren is, het dagelijks fietsen naar Den Helder voor de LTS, het drinken en de vrijages op de kermis in juli, de dansavonden in zaal Bloemenlust, het zwembad in en het waterskiën op de plas het Oude Veer. Ik had nog meer herinneringen die geactiveerd werden: de kranten en de tv over de Kennedy’s en de burgerrechtenbeweging van dominee King, de oorlog in Vietnam, provo, de jantjes die de Dam schoonvegen, de jongelui (“nozems”) die voor zaal Bloemenlust met hun brommers stonden te pronken.

In de tweede helft van jaren zestig breekt zijn maatschappelijke betrokkenheid en politieke interesse door, leest de krant uitgebreider, kijkt naar het Journaal en wil in 1971 dat de jongerenvereniging van de kerk meer dingen doet dan een ontmoetingsplek met veel bier te zijn voor de jongeren van de parochie. Met een bevriende makker probeert hij in het bestuur van deze jongerenvereniging (‘De Aap’) verkozen te worden hetgeen door het kerkbestuur geblokkeerd wordt. Een fikse dorpsrel ontstond. Bij de andere jongerenvereniging van Anna Paulowna is hij welkom en organiseert samen met anderen allerlei activiteiten: film- en informatieavonden, een discussieavond vóór de Tweede Kamerverkiezingen, maar ook bijvoorbeeld activiteiten voor bejaarden. Intussen is hij ook gaan fotograferen, en paar blijken van zijn kunnen staan afgedrukt in het boek.

Dit boek is een zeldzame combinatie van met foto’s verluchtigde persoonlijke herinneringen en brokjes lokale geschiedenis. Omdat ook ik in dat dorp opgroeide is veel zeer herkenbaar en leuk om te lezen.

Van de passages die mij bij het lezen zijn opgevallen, wil ik enkele noemen.

Op de eerste plaats noem ik het grote aantal verkeersongelukken door jonge hardrijders die hun overmoed (soms na veel drinken) met de dood moesten bekopen. Kees noemt er een stuk of zes, uit een tijdsbestek van ongeveer vijftien jaar. In sommige gezinnen was het vaak blijvende leed niet te overzien. Zelf is hij ooit ook aan de dood ontsnapt.

Kees laat met een heldere blik zien dat ook in een dorp als Breezand de sociale lagen voelbaar aanwezig waren. Klassenverschillen kookten je schoolloopbaan voor en bepaalden bijvoorbeeld ook de banden van kinderen onderling. Kinderen van vooraanstaande bloembollenkwekers en van enkele notabelen rondom het kerkbestuur gingen zelden naar de LTS of huishoudschool, maar naar het toenmalige VWO (HBS, MMS of gymnasium). Heel goed lerende kinderen van gewone gezinnen konden maximaal uitzien naar de MULO (zoals ikzelf meemaakte). Bij de invoering van de Mammoetwet in 1968 is een poging ondernomen de vroege selectie, direct na de lagere school, uit te stellen. De invoering van brugklassen en de Middenschool (intussen allang weer opgeheven) hebben 50 jaar later echter hun doel niet bereikt.

Na de LTS gaat Kees naar de MTS in Alkmaar. Daar komt zijn dorst naar kennis, ook praktisch, tot bloei. Hij slaagt aan het eind met prachtige cijfers. Hij komt daar een leraar tegen die een belangrijke rol speelt in zijn persoonlijke ontwikkeling. Dit is heel herkenbaar. Het komt veel vaker voor dat een specifieke leraar belangrijk is voor je ontwikkeling en latere loopbaan. (Voor mij was dat een leraar van de HBS. Ik ben hem nog steeds dankbaar.)

Kees behoorde niet tot de mijne en ik niet tot zijn kring, ik heb kortom veel van zijn avonturen niet meegemaakt of maximaal van horen zeggen. Er zijn wel een paar raakvlakken aan te wijzen. Ook ik trok vanaf mijn zestiende ongeveer met de jongens en meisje van Doedens en met Piet Langeveld op. Van dit gezelschap zijn er bijvoorbeeld vier naar het Popfestival in Kralingen, juli 1970 geweest. Tegen de tijd dat Kees en zijn vriend Geert-Jan (als ik mij niet vergis noemt hij zich al heel lang: ‘Adang Somchai’) Preyde en nog enkelen aansloten was mijn tijd gekomen om mijn studie in Nijmegen aan te vatten en vertrok ik uit de polder. Het café ‘De Vlas- en Korenbeurs’ aan de Spoorput bezocht ik ook. Op een foto in het boek zag ik tante Agaath terug, die in dat café daar de scepter zwaaide. Haar man Jeroen (afkomstig uit Noordwijkerhout) ben ik mijn leven lang dankbaar voor een verhaal dat hij mij vertelde over mijn opa (die ik nooit gekend heb) en zijn losgebroken hengst.

Het zonder veel omhaal neerschrijven van persoonlijke herinneringen, hij heeft ze door enkele meelezers op waarheidsgetrouwheid laten controleren, is moedig in de sfeer van zo’n klein dorp (waar hij nog steeds woont), temeer daar hij bepaald geen brave jongen was. Het biedt op deze manier een wat bredere blik op mijn eigen jeugd en wellicht ook op die van anderen.

februari 2021

Over Philipp Blom, De duizelingwekkende jaren

De Duizelingwekkende jare, Europa 1900-1914, Amsterdam, de Bezige Bij 2009, oorspronkelijk The Vertigo Years, London 2008.

Philipp Blom is een soepel schrijvende Duitse historicus die zich tot nu toe vooral met Europa in de eerste helft van de twintigste eeuw bezighoudt. Dit boek gaat over de jaren rond de eeuwwisseling en daarna tot aan 1914. Hij gaat met zijn hoofd naar dat tijdperk terug en verhaalt over wat er gebeurde. Hij gebruikt daarbij geen onderzoekingen en analyses achteraf maar baseert zich op informatiebronnen uit die tijd. Deze aanpak maakt dat je al spoedig de paragrafen en hoofdstukken leest alsof het nu gebeurt. Je vraagt je steeds af: hoe gaat dit verder? De gekozen aanpak maakt dat dit boek geen dorre geschiedenis is, maar, ik kan niet om het cliché heen, levend verleden.

Hoe kan ik kort een boek beschrijven waarin een wirwar van culturele, economische, sociale, sportieve, technische, wetenschappelijke, politieke, kunstzinnige, infrastructurele en ook militaire ontwikkelingen om de aandacht vragen en over elkaar heen buitelen, d.w.z. elkaar beïnvloeden en veranderen? En waar te beginnen? Is er een rode draad en waarom zou die er moeten zijn?

Wij weten dat in 1914 een grote catastrofe begon met een aanslag in Servië en wij hebben vanzelfsprekend de neiging dit tijdperk in dat licht te zien en allerlei gebeurtenissen als voorafschaduwing daarvan of factor daarnaar toe te herkennen. Ongeveer zoals sommige tegenwoordige beschouwers de laatste jaren van de 20ste eeuw en het eerste tiental jaren van deze eeuw begrijpen vanuit de aanslag op de Twin Towers in New York in september 2001. Maar net als wij nu deze aanslag een plek geven en ons maatschappelijke en politieke leven niet door laten bepalen, zijn er geen heldere factoren aan te wijzen die noodzakelijk tot WOI leidden, althans Blom wijst ze niet aan. Op de wereld vinden onnoemelijk veel elkaar beïnvloedende processen van allerlei aard tegelijk plaats. Dat gebeurt nu en gebeurde een eeuw terug ook. Wat er volgende week gebeurt en wat er uit de huidige (corona)tijd voortvloeien weten wij niet en de mensen van toen wisten het ook niet.

Er gebeurde destijds van alles. Het echtpaar Curie ontdekte radioactiviteit en stond aan de wieg van röntgen-toepassingen in de gezondheidszorg. De luchtvaart groeide uit tot een volwassen reismogelijkheid naast de eveneens snel in aantal groeiende fietsen, automobielen en spoorwegen, die bovendien ook steeds sneller gingen. Mensen begonnen zich meer te verplaatsen en reisden verder.

De industrie produceerde niet meer alleen productiegoederen maar ook veel meer consumptiegoederen voor weliswaar toen nog een beperkte clientèle, de meeste mensen hadden weinig geld. Steeds meer kwamen er machines die menselijke arbeid verlichtten, overbodig maakten of fabrieksarbeiders degradeerden tot verlengstuk van die machines. Film, telefonie en fotografie kwamen op grotere schaal hun bijdrage leveren aan het moderne, snellere leven. De bovenlaag van de Europese samenlevingen kon ook kennis maken met nieuwe stromingen in de beeldende kunsten en literatuur. Tenslotte moet naast het vele niet genoemde nog melding gemaakt worden van de opkomst van de vrouwenbeweging, met eisen op het gebied van onder meer de gezondheidszorg, onderwijs, gezinsplanning en volledig kiesrecht.

Het duiden van al deze ontwikkelingen van die tijd is kortom, ook achteraf, geen sinecure en niet te doen als je je verplaatst naar die tijd. Er gebeurt van alles en soms lijkt toeval een rol te spelen. Al lezend vroeg ik me af wat er gebeurd zou zijn als enkele politici in London, Parijs, Petersburg, Berlijn en Wenen wat ruimhartiger en wat verstandiger waren geweest. En dat ‘verstandiger zijn’ betrof natuurlijk op de eerste plaats Bismarck die als Rijkskanselier de Frans-Duitse oorlog van 1870-71 met een overwinning afsloot in het Paleis van Versailles met de kroning van de eerste Duitse keizer en met naast deze ontheiliging ook nog de voor Frankrijk vernederende vredesvoorwaarden. Zo maak je geen duurzame verbindingen tussen landen. Ook de Tsaar en zijn hofhouding kon verstandiger zijn want niet alleen in de oorlog met Japan verslikte Rusland zich danig – het eigen leger was veel zwakker en dat van Japan veel beter. De enige minister van de tsaar die bekwaam was, hard werkte en van veel zaken verstand had mocht het vredesverdrag met Japan maken. Toen deze Sergej Witte ook over de binnenlandse politiek en de hofhouding van de tsaar zijn rake gedachten openlijk uitte, kon hij vertrekken. Vervolgens verslikte het tsaristische bewind zich ernstig aan de gevolgen van hun eigen wrede, onderdrukkende, binnenlandse politiek die weinig ruimte liet voor de burgerij zich te ontwikkelen en te ondernemen en helemaal geen ruimte liet aan de loonslaven in stad en platteland die in kommervolle omstandigheden voor zeer weinig geld zeer veel moesten leveren, in bovendien vaak zeer gevaarlijke arbeidsomstandigheden. Van elke prachtige basiliek in Petersburg kun je je bijvoorbeeld afvragen hoeveel werklieden bij de bouw met ongelukken het leven lieten en hun gezin zonder inkomsten alleen moesten achterlaten. En dan heb ik het nog niet over de domheid van Churchill die zich bijna brandde aan een akkefietje met Duitsland en Frankrijk of aan de bruut Leopold II van België die op staatskosten de Kongo roofde en vermoordde. Hoe zou het kortom gelopen zijn als men met de kennis van toen, wat beter had nagedacht?

Eén lijn in de veelheid aan ontwikkelingen neem ik hier even apart. Blom constateert dat door de vele vernieuwingen het traditionele beeld van wat een man idealiter moet zijn begon af te brokkelen. In de industrie waren minder sterke mannen nodig omdat machines die niet moe werden het werk overnamen. Vrouwen begonnen steeds vaker op te staan, hun plaats in te nemen in de economie, dorp, stad en samenleving, wetenschap en cultuur en hun rechten op te eisen als staatsburger. De vanzelfsprekendheid dat mannen met verstand en kracht superieur zijn en daarom steeds de leiding moesten hebben in gezin, boerderij, bedrijf, leger, ziekenhuis, klooster, kerk en staat, brokkelde af. De eerste feministische golf uit die tijd stuitte op fel verzet. Vrouwen die gezinsplanning, onderwijs en gezondheidszorg vroegen en later eísten, stonden aan veel persoonlijke gevaren bloot. Tegelijkertijd probeerden veel mannen het afbrokkelende beeld van “de” man te herstellen met snelle sporten (wielrennen, autoracen) en met krachtsporten, met een overdaad aan militair vertoon, ook gewoon op straat, en met bijvoorbeeld het cultiveren van mannelijke symbolen als het dragen van een snor, laarzen, roken van sigaren en nog meer.

Blom constateert een groeiende aandacht in die tijd voor zenuwziekten -toen neurasthenie genoemd- en de daaruit voortvloeiende opkomst van de psychiatrie (Freud) en van rust- en kuuroorden zoals beschreven door Thomas Mann in De Toverberg. Beide vormen van zorg waren uiteraard uitsluitend toegankelijk voor een kleine welvarende bovenlaag. (Een gewone werkman moest maar wennen aan stress en kon slechts naar de drank grijpen.) Blom verklaart de opkomst van deze zorg uit de toegenomen snelheid bij al het menselijk handelen die mensen zenuwachtig maken en die gezonde rust, aandacht en toewijding steeds meer onder druk zetten. Hij ziet het ook als een gevolg van de zojuist aangestipte crisis in de mannelijkheid.

Er zijn al meer studies verschenen over het verband van militairisme en het vieren van mannelijkheid. Het is me te gewaagd om het militaire tromgeroffel, bijvoorbeeld bij de opbouw van de Duitse en de Britse zeemachten in die jaren, bij de wederopbouw van het Franse leger en de latere oorlog zelf linea recta te verklaren uit een compensatie voor de teloorgang in heel Europa van de mannelijke glorie. Maar ik heb wel zo’n donkerbruin vermoeden dat het in allerlei landen op veel cruciale momenten de mannelijke eer en de wil om te heersen een niet geringe rol speelden. In die zin is de WOI wellicht te beschouwen als de laatste keer dat de heren van de aristocratie erin slaagde het voetvolk in Europa te mobiliseren en zich dood te vechten in loopgraven ter meerdere eer en glorie van vorsten, admiraals en generaals uit diezelfde (historisch achterhaalde) aloude bovenlaag.

Blom noemt nog een andere lijn die niet ongenoemd mag blijven. Hij ziet in deze jaren een bloei van allerlei levensbeschouwelijke stromingen die zich richten op eenvoud, natuur, intuïtie en emotie en nationale zuiverheid. Blom ziet dit als reactie op de voortgang van wetenschap en kennis en de toegenomen rationaliteit en efficiency in het maatschappelijke en economische verkeer. “Een zoektocht naar oude zekerheden was het gevolg, naar mystieke waarheden, een fascinatie met het onbewuste, een verheerlijking van geweld, spontane actie en oorlog, een angstig vertoon van mannelijkheid en viriele kracht.” (p.513) Er ontstond, tot in Rusland, iets als een contra-Verlichting, een restauratie van het irrationele en het metafysische, dat de meest uiteenlopende vormen aannam: militair nationalisme, theosofie, esoterie, weer oplaaiend antisemitisme, terug naar de natuur-bewegingen, bloed-en-bodem waanzin. De cultus van de redeloosheid, noemt Blom het. Dit is een krachtig stempel.

Het was een genot dit boek te lezen, ik waande me soms terug in die tijd. De aanpak van Blom werkt. En inderdaad, men had destijds wat meer zijn verstand moeten gebruiken.

Januari 2021

Over de autobiografie van Simeon Ten Holt

Simeon ten Holt uit Bergen (N-H) is een Nederlandse componist die een belangrijke rol speelde in de Nederlandse muziekwereld van de vorige eeuw. Hij werd bij het grote (?) publiek bekend met een avondvullend werk uit de jaren zeventig: Canto Ostinato.

In 2009 publiceert hij zijn autobiografie die ik onlangs las.

Ten Holt houdt jaren zijn dagboek bij, niet stelmatig elke dag maar toch zo frequent dat hij er voldoende materiaal in terug vindt om zijn geheugen aan te vullen en terugblikkend (bij publicatie is hij 86 jaar) een boek te schrijven over zijn leven.

Is het leven van deze componist de moeite waard er een boek aan te wijden? Het leven van een timmerman, een onderwijzeres of van wie dan ook is op zich de moeite waard voor een (auto)biografie. Of het resulterende boek steeds van waarde is hangt ervan af hoe het geschreven is. Een boeiend leven betekent nog geen boeiende (auto)biografie.  Ten Holt is een machtig interessante componist die naast het genoemde Canto veel meer werk geschreven heeft voor piano vooral en daarbij niet eenkennig was in de seriële (kortweg twaalftoons muziek) dan wel in de tonale muziek (meer “gewone” muziek gecentreerd rond een of enkele basis).

Ik was nieuwsgierig naar deze man en vooral naar hoe een componist leeft en (werk)contacten onderhoudt.

Ten Holt beschrijft zijn leven en kindertijd in Bergen, een kunstenaarsdorp. Wat opvalt is dat hij het bijzondere van zijn situatie dat er thuis een piano is, dat hij zich aan muziek kan wijden en pianoles krijgt van een min of meer vooraanstaand componist (Van Domselaer). Zijn ouders stammen uit welgestelde families, dat verklaart het een en ander. Vader was kunstschilder en bewoog zich in het artistieke wereldje van Bergen. Geen woord echter over dat dit een bijzondere situatie is voor een gezin tussen de twee wereldoorlogen. Hij maakt zich in zijn verdere leven ook nergens druk over zijn levensonderhoud, dat is een kunst op zich, althans hij schrijft er nergens over.

Als hij in 1942 in de oorlog naar Amsterdam verhuist is het volstrekt normaal dat hij over een (Bechstein) vleugel beschikt die naar boven gehesen moet worden en hij zich zijn levensonderhoud niet eens noemt als kwestie. Een weldoener uit Bergen blijkt hem financieel te ondersteunen.

Is zijn leven één langdurige en soms monomane dienst aan de muziek en dicteert dit zijn verknochtheid eraan zijn leven of leeft Ten Holt zijn leven en maakt hij daarin voornamelijk muziek, dat is de vraag die dit boek voortdurend oproept. Ik maak in deze bespreking enkele opmerkingen over deze vraag, niet over zijn muzikale ontwikkeling en componeertalenten.

Muziek lijkt hem heilig. En vrouwen. Hij ontmoet in Amsterdam Riet waarmee hij een heftige relatie begint, hij trouwt met haar in juli 1944 en zij krijgen in 1946 een kind, dochter Marijn. Hij gaat samen met zijn zus in 1949 naar Frankrijk om daar nieuwe ideeën op te doen voor zijn muziek. In zijn levensverhaal staat hij uitgebreid stil bij de artistieke (muzikale) overwegingen om naar Parijs te gaan, namelijk om nieuwe inspiratie op te doen en andere vakgenoten te ontmoeten, maar besteed hij geen woord aan het plotse opbreken van zijn huwelijk en laten zitten van Riet en dochter. Contacten en relaties zijn ondergeschikt aan zijn muzikale missie. Onbegrijpelijk voor mij als lezer, totdat ik wat verderop merk dat zijn liefdesleven in combinatie met zijn muzikale ontwikkeling voortdurend het wisselen van partners met zich meebrengt. In zijn hele leven heeft hij een stuk of zes betekenisvolle relaties met vrouwen die opbloeien en vervolgens uitdoven. Zijn componeren en muzikale praktijk heeft minstens zoveel periodes waarin steeds de samenwerking met een persoon, of werk aan een groot stuk centraal staat. Zo verlaat hij begin jaren zeventig de seriële aanpak, en gaat terug naar de tonaliteit. Korte tijd later besteed hij jaren veel tijd aan de elektronische muziek op het Utrechtse instituut voor Sonologie. Dan weer staat een tijdje het werk aan Canto Ostinato centraal. En steeds opnieuw blijft het kunstenaarsdorp Bergen de plek waar hij terug keert en zich thuis voelt. Hij laat daar op zeker moment een gebouwtje opknappen en herinrichten dat hij de naam ‘de bunker’ geeft en waarin hij in afzondering kan werken en leven.

Soms schrijft hij daarbij hoe hij werkt aan een stuk. Zeer frappant vond ik te lezen dat volgens Ten Holt een muziekstuk zijn eigen wetten en structuur en bijzondere details kent en dat de componist een dienaar is die ze blootlegt en opschrijft.

Bij het ouder worden groeit bij hem het belang van contacten onderhouden met vrienden, met pianisten die zijn werk vertolken, broers en zus en dorpsgenoten van Bergen. Steeds vaker moet hij melden dat iemand doodziek is en sterft. Tegelijkertijd begint het werk aan zijn autobiografie, zo lijkt mij, méér van hem te vragen dan hij waar kan maken: steeds meer worden hele stukken uit zijn dagboeken een op een in zijn autobiografie opgenomen en verliest het boek daarmee voor mij zijn aantrekkelijkheid. In een autobiografie heb je de kans terug te blikken op je leven en opnieuw te verwoorden wat zekere gebeurtenissen voor betekenis hebben gehad. Met het opnemen van dagboeknotities stijg je niet uit boven de gedachten die je op dat moment verwoordde en ontbreekt het contemplatieve weegmoment achteraf.

Al met al is deze autobiografie een gemiste kans om datgene wat de componist dreef, boeide en verder bracht te overdenken en lezers daarin te laten delen.

John Heymans heeft in 2019 een biografie over Ten Holt gepubliceerd, Arabesk (Uitgeverij IJzer), misschien dat dat boek meer begrip opent naar leven en werk van Simeon ten Holt.

Simeon ten Holt, Het woud en de Citadel, Balans, Amsterdam, 2009.

Jimi Hendrix, Live at Maui, 2020

50 jaar naar zijn vroegtijdige overlijden wordt er dit jaar een nieuwe cd met opnamen van een concert uit 1969 uitgebracht. De nalatenschap van Hendrix blijkt zich nog steeds uit te kunnen breiden na alle eerder postuum uitgebrachte albums. Live in Maui is een album van de Jimi Hendrix Experience dat hun optreden buiten op Maui, Hawaii, op 30 juli 1970 documenteert. Het markeert de eerste officiële release van Hendrix’ twee volledige sets die zijn opgenomen tijdens het filmen van Rainbow Bridge. Deze twee concertopnamen zijn nu op cd uitgebracht, samen met de DVD van de daar geschoten film (Music, Money, Madness). De film is een documentaire over de reis naar en het optreden op Hawaii, in 1970. Dit optreden was hoofdonderdeel van een filmproject Rainbow Bridge over de verbinding van hippie-geloof en Hendrix’ muziek met de Hawaiiaanse natuur als achtergrond. Ik heb nooit het idee gehad dat het Jimi Hendrix om meer ging dan muziek (en seks en drugs). Het project eindigde in een chaos, de film werd een flop. 

De vraag voor mij is hier: was deze uitgave nodig, voegt het iets toe aan het reeds beschikbare Hendrix-materiaal? Ik ga luisteren.

Het album opent met een aankondiging en de verzekering van de spreker dat iedere goede of mooie gedachte bijdraagt aan de bouw van Rainbow Bridge: het hippie-geloof leeft nog volop. Maar dan begint het.

De band bestaat naast Jimi Hendrix uit Mitch Mitchell en Billy Cox (resp. drums en bas); Buddy Miles van de Band of Gypsys, is weer vervangen door de drummer van de oorspronkelijke JH Experience. De eerste cd opent met Hey Baby /New Rising Sun, een nummer uit zijn laatste jaar. Wat opvalt is de helderheid van de opname en de gedrevenheid  waarmee Hendrix de klus aanpakt. Bij kennisname van andere teksten over deze uitgave lees ik dat het erg hard woei bij deze twee concerten en dat veel gesleuteld moest worden aan de opnamen. De technici hebben hun werk goed gedaan de opname uitgezuiverd en opgekalefaterd, Mitch Mitchell heeft zelf alle drumpartijen later opnieuw moet inspelen.  Er is nu een mooi, helder en ietwat fragiel geluidsbeeld. In from the storm geeft eenzelfde gemotiveerde indruk: Jimi speelt met toewijding (bij andere live-registraties hoorde je ook wel anders) en hij geeft dit nummer een intro mee die staat als een huis. Hier speelt de gitarist met die ongelofelijke techniek waar zijn wat lieve maar iele stemgeluid bovenuit klinkt. Een combinatie van een geluidsmuur en breekbare bijna spreekzang die uit duizenden te herkennen is.

Foxy (Foxey?) Lady is het volgende nummer. Wat me hier opvalt is dat het tempo van dit nummer dat van de oorspronkelijke studieopname benadert en niet zoals vaak bij andere concerten een stukje sneller gespeeld: zo komt het nummer goed tot zijn recht. Jimi is goed bij stem, en heeft zijn teksten goed in zijn hoofd zitten. Als je luistert valt ook hierop hoe precies en helder de geluidsweergave is, maar ook valt het wat bleke bas geluid op. Ik zette op mijn versterker de lage tonen wat meer open en dat geeft meer het vertrouwde geluid van de bas vastgelegd hoorde te worden. Hear my train a coming is daarna van een wondermooie schoonheid, een loom- tragische blues zoals slechts enkelen met zulk een intensiteit die kunnen brengen. Voodoo Chile (hier Child genoemd) wordt eveneens fris en precies gespeeld maar het geluid van deze opname mist warmte en is wat mij betreft niet goed gemixt; Hendrix speelt echter op zijn best en geïnspireerd.

De film Rainbow Bridge die in Hawaii geschoten is, erbarmelijk mislukt. De hier opgepoetste twee concerten zijn geslaagd te noemen. Er stonden nummers op het programma uit de eerste succesjaren (1966-68) maar ook twee nummers van het postume album The Cry of Love, (uit 1971) namelijk Eazy Rider en het prachtige Straight Ahead. Villanova Junction, een nummer dat ik niet kende is een lome, fragiele blues, het tweede nummer na Dolly Dagger op de tweede cd. Deze opname van Dolly Dagger is een Hendrix-song uit de begin jaren: stevige geluidsmuur, een felle gitaarsolo op een goed gefundeerde begeleiding. Heerlijk deze muziek, alweer 50 jaar oud. De song die afsluitend nog een vermelding waard is Red House (tweede cd), een uitvoering om mee wakker te worden.

Doodzonde dat ie zo vroeg is overleden, korte tijd na deze concerten. Waarmee deze opgepoetste registratie een parel in de nalatenschap vormt en daarmee een must voor de liefhebbers. Ik luisterde na dit schrijfwerk naar de in 2012 opnieuw uitgebrachte registratie van het concert op Isle of Wight eerder in 1970. Die opnamen zijn wat minder dan deze in Maui: Jimi speelt hier orenschijnlijk gedrevener en preciezer zo lijkt het.

Jimi Hendrix Experience – Live in Maui, 2CD+Blu-Ray (box set) of 3LP+Blu-Ray, uitgebracht door Experience Hendrix Legacy

Rory Stewart neemt afscheid van zijn vader in De Schotse Marsen

Over Rory Stewart, De Schotse Marsen, Amsterdam, Prometheus, 2017 (oorspr. The Marches, 2017).

Rory Stewart (1973) is een Brit die in de jaren negentig van de vorige eeuw de oorlogen van Afghanistan en Irak in actieve dienst meemaakte. Na zijn diensttijd werkt hij voor Buitenlandse Zaken en sinds een jaar of acht zit hij namens De Tories in het Lagerhuis. In juni 2019 was hij een van de kandidaten om Theresa May op te volgen als leider van de Conservatieven en als premier, maar viel in de tweede ronde af. Hij wandelt in zijn vrije tijd, en ondernam o.a. een lange wandeling in Afghanistan en Irak. Zijn vader bijna negentig is, was voorheen eveneens tijdens een oorlog in militaire dienst. In WO II maakte hij de slag mee in Noord-Afrika (bij El Alamein o.l.v. Montgomery) en de landing van de geallieerde troepen in Normandië. Nadien heeft zijn vader in de diplomatieke dienst en bij de Britse geheime dienst gewerkt en heeft in die functies veel meegemaakt op de Filippijnen, in Vietnam, India, Pakistan en andere landen van Z.O.-Azië.

Zoon Rory vat het plan op om samen met zijn vader het land te verkennen, het Middenland, noemt zijn vader het, dat de overgang vormt tussen Engeland en Schotland. Zijn vader woont in Crieff in Schotland en hij woont zelf in Noord-Cumbria, in het Lakedistrict. Vader en zoon wonen kortom aan weerszijden van de grens en ook aan weerszijden van de muur van Hadrianus. Een nevendoel voor Rory van de wandeling met zijn vader is het uitwisselen van oorlogservaringen en het uitwisselen van ervaringen en visies op het Britse Rijk.

Bij de goed voorbereide wandeling wil Rory sprekend met bewoners die hij tegenkomt aard en geschiedenis van dit land verkennen. Zijn vader geeft hem aanwijzingen en tips maar bemoeit zich niet met de teksten die hij opschrijft.

Het samen-wandelen wordt al spoedig verengd tot samen reizen, d.w.z. zijn vader reist per trein of auto en Rory wandelt. Ze komen elkaar dan eind van de dag tegen en praten met elkaar. Rory vertelt over het landschap, de ruïnes en de mensen die hij onderweg tegen­kwam. Zijn vader stelt hem vragen. In de teksten die hij maakt verwerkt hij zijn wandelervaringen, de gesprekken met zijn vader en die met de mensen die hij onderweg tegenkomt.

Het landschap is sinds de eeuwwisseling tamelijk leeg geworden, er wonen weinig mensen, die soms wat aan veeteelt (koeien of schapen) doen en het gehele Middenland wordt nu opgeëist door de milieubeweging die er weer natte gebieden van wil maken, met nieuwe aanplant van bomen voor de opslag van kooldioxide en waar allerlei uitgestorven dieren weer in kunnen terugkeren en zo ook de biodiversiteit in Engeland kan bevorderen. Rory vindt dit prima, maar heeft intussen wel duidelijk gemaakt dat hun beroep op “oorspronkelijke vegetatie” en vergelijkbare aanduidingen, klinkklare onzin is.

Het gebied is door de eeuwen heen bij tijden bewoond geweest, o.a. door families of clans die etnisch volstrekt identiek waren. Er zijn ook periodes geweest van gewelddadige migratie waarbij de bevolking vrijwel volledig vervangen werden door instromende nieuwelingen vanuit het vaste land van Europa (Saksen, Scandinaviërs o.a.). Ook waren er periodes dat de mensen verdreven werden door gewelddadige en goed bewapende legertjes van krijgsheren die aan het hoofd stonden van een grote familie. Naderhand zijn deze privé-oorlogen opgevolgd door enkele meer reguliere oorlogen tussen Engeland en Schotland. Deze oorlogen zijn beëindigd toen een Jacobus (Jack?) van Schotland tevens koning van Engeland werd, via een huwelijk neem ik aan – Rory vertelt hierover geen details.

Aan het begin van de jaartelling was er bovendien een drie eeuwen lang durende inlijving van Brittania in het Roomse Rijk. Deze periode is de basis voor de grens tussen Engeland en Schotland, jawel met de muur van Hadrianus. Deze periode, erkent Rory, is ook de basis voor de beschaving en verdere ontwikkeling van Brittannië geweest: steden en infrastructuur kwamen tijdens de Romeinse tijd tot ontwikkeling. Hij en zijn vader trekken hier vergelijkingen met de betekenis van het Britse Rijk voor enkele gebieden in Azië, Afrika en Amerika, zonder overigens het Britse Imperium overdadige eer aan te doen.

Kortom voor zover mensen in het Middenland, of de Schotse Marsen zich Schots voelen of Engels voelen, heeft dit geen enkele etnische basis, maar veeleer een achtergrond van verschillen die ontstaan zijn door (kunstmatige) grenzen die door invasies en legers zijn veroorzaakt. O.a. Willem de Veroveraar heeft in Brittannië flink (extreem wreed) huis­gehouden en hele streken verkracht, uitgemoord en gebrandschat.

Of het landschap mooi is kan ik niet na vertellen, wel dat Rory er boeiend over schrijft. Hij schrijft tevens boeiend en ontnuchterend over de mensen die hij tegen komt en daar wonen: ze komen overal vandaan voelen zich wel of niet Schots of Engels, omarmen wel of niet de regio als thuisbasis en zijn voor een goed deel ook nog pensionados uit alle hoeken van Groot-Brittannië die daar na hun pensionering een huis met grond kochten en daar zijn gaan wonen.

Stewart heeft een poging ondernomen om aan de hand van veel voorbereidingen in bibliotheken, met een zelf ondernomen wandeltocht en aan de hand van gesprekken met mensen die hij op die wandelingen tegenkomt, een historisch beeld te geven van het gebied tussen Engeland en Schotland. Een tamelijk aparte manier om geschiedenis te bedrijven, maar een die wel heel geloofwaardig is en prettig is om te lezen. Zijn poging is kortom wat mij betreft geslaagd.

Er zitten allerlei ook op zichzelf staande korte verhalen in dit boek over mensen en dorpen die de schrijver tegen kwam, soms flauw, soms parelachtig. Ik laat ze verder voor wat ze zijn en besteed nu nog enkele zinnen aan de relatie van zoon en vader.

Naarmate de wandeltocht van de woonplaats van de zoon naar die van de vader in Schotland vordert, neemt de gezondheid van Pa, intussen begin negentig, af. Bloedneuzen als gevolg van bloedverdunners worden frequenter, uren van dringende rust nemen toe. Uiteindelijk krijgt pa een hartaanval waarbij Rory hem tracht te reanimeren. De ambulancemedewerkers nemen het over en vragen uiteindelijk, eenmaal thuis gearriveerd en blijkbaar met weinig resultaat van hun inspanningen, of ze daarmee door moeten gaan. Ma, twee zussen en de schrijver besluiten eendrachtig dat ze ermee kunnen stoppen. Papa wordt enige dagen later vlak in de buurt van zijn huis ter aarde besteld.

De gezamenlijke stukjes wandeling in de maanden ervoor, vaak hand in hand of gearmd, de gesprekken en gesprekjes én de zorg die Rory zijn vader geeft in de laatste dagen, zijn van een bijna terloopse vanzelfsprekendheid en juist daardoor teder. Een tederheid die mij zeldzaam lijkt tussen zoon en vader, ik heb dit althans niet gekend. Dit doet me denken aan het boek van Philip Roth over de laatste maanden van zijn vader – Patrimonium (De Bezige Bij, 1996) en het boek van vader en zoon Terzani Het einde als begin (Primavera Pers, 2008). Ook deze blikten terug en eindigden met een definitief afscheid. Ook Rory maakt een monument voor zijn vader.

Bespreking van Liesbeth Koenen, Het vermogen te verlangen

Liesbeth Koenen, Het vermogen te verlangen [9 letters], Gesprekken over taal en het menselijk brein, Amsterdam, 4e druk 1998.

Onlangs las ik in de krant de necrologie van Liesbeth Koenen die dit jaar (2020) in augustus op 62-jarige leeftijd overleed. Liesbeth Koenen was een journalist die uitsluitend over taal, taalkunde en hersenonderzoek schreef. In de aanstekelijke necrologie – Koenen werd beschreven als iemand die enthousiast op allerlei manieren met taal bezig was – werd deze verzameling interviews genoemd. Ik besloot het boek te lezen en heb daar geen spijt van.

Ik ben een warm voorstander van het correct gebruik van de Nederlandse taal. Praktische taalkwesties als hoe spel ik een niet alledaags samengesteld woord, hoe vind ik, ik word ouder, tijdig in een gesprek een naam of een woord, is tweetaligheid moeilijk te verwerven, hoe schrijf ik een zin met drie bijzinnen zo helder mogelijk op, enz. enz. zijn vragen die mij nogal eens bezighouden.

Enkele interviews waren stevige kost voor een niet-taalkundige, maar over het algemeen was het zeer prettig om met al deze kanten van de taal en de taalkunde op deze manier kennis te maken. Ik geef hier een selectief overzicht met enkele krenten uit de pap van Koenen.

Om te beginnen is de titel een cryptogram-opgave. Koenen opent het boek met een uitgebreid gesprek met de grootvader van de moderne taalkunde Noam Chomsky die met de generatieve grammatica de taalkunde in feite opnieuw definieerde en de basis legde voor een nieuw uitgebreid onderzoeksprogramma. De generatieve grammatica zoekt naar de regelmatigheden en structuur van de taal en bracht het vermoeden ter tafel dat de structuur van allerlei talen veel overeenkomsten vertoont en dat mensen het begrip en aanleren daarvan bij de geboorte meekrijgen.

Koenen spreekt met twee onderzoekers van het Max Planck Instituut over afasie, het niet aangeboren onvermogen om te praten, meestal ontstaan als gevolg van hersenschade. Deze onderzoekers ontwikkelden een test waarmee een herstelprogramma gemaakt kon worden. Wonder boven wonder blijkt deze test prima te vertalen naar andere talen. Een heel ander gesprek voerde zij met de Amerikaanse hoogleraar Gleitman, die onderzoek deed naar de taalverwerving van kinderen. Er is veel reden aan te nemen dat de taligheid van het gezin waarin iemand opgroeit van minder belang is dan het erfelijke taalvermogen. Dit aangeboren taalvermogen blijkt ook bij de ontwikkeling van zogeheten creooltalen, talen die ontstaan wanneer twee groepen mensen met elk hun taal in een nieuwe gemeenschap elkaar ontmoeten. Ouderen en jongeren in die nieuwe gemeenschappen spreken na verloop van tijd een nieuwe “mengelmoestaal”. Ouderen blijven daarbij steken in eenvoudige zinnen. Kinderen in die gemeenschappen ontwikkelen nieuwe woorden en nieuwe grammatica.

Koenen is eveneens erg geïnteresseerd in gebarentalen en heeft daar ook over gepubliceerd. Hier in dit boek komt in een gesprek o.a. een experiment ter sprake waarin aangetoond werd dat kinderen van 5 à 6 jaar die doof zijn en gebarentaal spreken al haarfijn het onderscheid weten tussen kijken en zien. En dan is er nog voor niet-doven het opmerkelijke verschijnsel dat gebarentalen in elk land anders zijn. Er zijn enkele gesprekken over hersenonderzoeken (waar zit taal, waar zit gevoel, waar muziek?), over taal en intelligentie, over de vraag of je kunt denken zonder taal, over samengestelde woorden, over talen waarbij de toon waarop je iets zegt de betekenis bepaalt. Voor iemand met interesse in dit soort zaken, is dit een heerlijk boek.

En dan heb ik het nog niet eens gehad over het gesprek met J.B. Drewes die na twaalf jaar monnikkenwerk een nieuwe uitgave van “De Grote Koenen” voorbereidde en nog mocht mee maken dat het verscheen. Een meer eigengereide man is niet makkelijk te vinden, een meer geduldige echtgenote, al helemaal niet. Maar het woordenboek voor hedendaags Nederlands mag er zijn. Er zijn ook zeer vermakelijke gesprekken met Hugo Brandt Corstius, die van de Opperlandse letterkunde, met Paardekooper over zijn opmerkelijke visie op spelling en grammatica en die zich kwaad maakt over de vele Engelse woorden (“moedertaalmasochisme’) , met Reinhold Aman, de Amerikaanse uitgever van een periodiek over scheldwoorden en vuilbekkerij in allerlei talen – Maledicta. Aman legt uit dat in alle culturen gevuilbekt wordt en dat het overal met name gaat om schelden op basis van godsdienst, familie en lichaamsfuncties. Als laatste noem ik de gesprekken met dr. Verschuyl over cryptogrammatica, zeer instructief o.a. over soorten cryptogrammen en het gesprek met Gerrit Komrij over zijn vertaling van Old Possum’s Book of Practical Cats van T. S. Eliot dat Komrij in 1985 vertaalde tot Kobus Kruls Parmantige Kattenboek, waarna hij de op hetzelfde boek gebaseerde musical Cats ook vertaalde met prachtige vondsten als Spikkelpikkelmies voor Jennyanydots en Snauwtijger voor Growltiger. Volgens Komrij wordt het vertaalwerk sterk ondergewaardeerd.

Commentaar op dit boek? Het zou Liesbeth Koenen en de uitgever erg gesierd hebben als ze de moeite hadden genomen om de plek (medium) en datum van eerste publicatie bij alle interviews te vermelden. Vooral de gesprekken over vorderingen in het taalkundig onderzoek zijn dan beter op hun waarde te schatten.

Het lezen van dit boek is gevolgd door de aanschaf, zoals bij mij wel vaker gebeurt, niet van één, maar zelfs van drie andere boeken. De Grote Koenen (voor zover ik weet geen familie, maar wel ook uit Limburg), een dik woordenboek voor “eigentijds Nederlands” (uit 1986) heerlijk om te hebben. Ook schafte ik een ander boek van Liesbeth Koenen aan, samen met Rik Smits gemaakt: hun Handboek Nederlands (uit 2004). Dit laatste boek staat vol handige, soms verouderde, aanwijzingen voor het gebruik van de taal. Eén voorbeeld: Koenen en Smits maken gewag van een voor mij taalkundige nog onbekende zinsvorm: de snauwende wijs. In deze wijs is de zin vaak onvolledig en wordt een voltooid deelwoord of heel werkwoord gebruikt. Bijv.: Ingerukt, mars! En: Remmen! Leuk en handig dit handboek. Ten slotte heb ik ook Komrij’s vertaling van het kattenboek van Eliot aangeschaft. Alle drie de pareltjes zijn voor een habbekrats op boekwinkeltjes.nl te vinden. Maar zo kom ik natuurlijk nooit door mijn leeslijst heen.

(november 2020)