Vrijheid en gelijkheid en de overheid

Naar aanleiding van

Paul Frissen, ‘Allemaal anders’, Forum Essay, 2008 en

Paul Frissen, ‘De integrale staat, kritiek van de samenhang’, Boom, 2023[1]

En Youtube-film: #1300: De staat is gevaarlijk én noodzakelijk | Een gesprek met Paul Frissen – YouTube

Paul Frissen (PF) is een in Nijmegen opgeleide bestuurskundige, intussen hoogleraar met emeritaat, die uitblinkt in een oorspronkelijke manier van denken en publiceren: wars van mode en actualiteit zingt hij al jaren een eigenzinnig lied over het functioneren van het bestuur in ons land. Er zit anders dan bij enkele vakgenoten een constante rode lijn in zijn publicaties, die draaien om vrijheid en gelijkheid, korter gezegd over het individu en de staat.

Ik heb achtereenvolgens twee van zijn publicaties een essay uit 2008 en zijn laatste of jongste boek uit 2023 ter hand genomen en gelezen. De beide werken intrigeren mij – wat heeft een vrijdenker over minderheden en verschillen tussen mensen, de bestuurskunde te bieden? – maar irriteren mij ook.

In I, dat als ondertitel kreeg Een lofzang op verschil en ongelijkheid, houdt PF een pleidooi voor verschillen en ongelijkheid. Het streven naar aanpassing en gelijkheid is paternalistisch en leidt uiteindelijk tot een totalitaire bureaucratie. PF waardeert verschillen tussen mensen en onderkent bovendien de meervoudigheid van individuen: mensen zijn niet alleen maar zus of zo. Een ware democratie beschermt de pluraliteit van individuen en hun verschillen en “moet bescheiden zijn in zijn wens om inhoudelijke voorkeuren inzake het goede leven materieel te maken. Dat wil zeggen dat hij veel maatschappelijk moet laten en weinig politiek moet maken. Dan is er volop ruimte voor idealen, maar alleen als deze pluralistisch blijven.” (I, 47). De overheid moet het meervoudige anders-zijn van iedereen, juist ook in de waarden die iedereen vorm geeft, zo laten. Beleid dat iedereen raakt leidt tot gelijkschakelen op minstens één misschien wel meerdere punten. Een plurale democratie is hiermee strijdig. De zetel van de macht mag daarom niet bezet worden om deze verschillen ongedaan te maken.

In De Integrale Staat, vijftien jaar later gepubliceerd gaat PF hierop door. Hij neemt hier vooral het streven naar integraal beleid op de korrel. Integraal beleid streeft er naar een kwestie in al haar aspecten aan te pakken en bovendien het beleid van verschillende actoren  zoals departementen, gemeenten enz., op elkaar af te stemmen. De integrale aanpak is PF echter een gruwel. Deze heeft volgens hem de neiging totalitair te worden want zo’n benadering wenst alle bestaansterreinen van elk individu te raken. Het vaakst verwijst PF hierbij naar de gezondheidszorg, alwaar zorg en preventie beide aangepakt worden. Preventie in de vorm van vaccinatieprogramma’s, allerlei arbo-veiligheidsmaatregelen op het werk, allerlei vormen van telefonische hulp, maatregelen gericht op het borgen van de veiligheid van vrouwen en kinderen en natuurlijk uitgebreide voorlichting en ook maatregelen op het gebied van gezond leven en gezonde voeding. PF geeft aan dat overheidsfunctionarissen veel te vaak achter de voordeur meekijken. De enorme groei van informatiesystemen die de overheid[2] de laatste decennia is gaan gebruiken is meer dan eens het bewijs dat de overheid het niet goed met ons voor heeft en ons bestaan tot in alle vezels wil sturen. Dat hier machtsmisbruik voor de hand ligt en daadwerkelijk plaatsvindt, zoals in de toeslagenaffaire, is een aanwijzing te meer dat de overheid hier te ver gaat.

PF stelt dat de overheid veel te veel data van ons burgers vastlegt ten einde ons leven volgens het beleid vorm te geven. Volgens hem worden de waarden en ideeën over het goede leven – matig je genotsmiddelen, eet gezond en beweeg voldoende want dan leef je langer – bij iedereen door de strot geduwd. Over het onderwijs en het streven naar sociale stijging door zo hoog mogelijke opleidingen te volgen, is hij even vernietigend. Iedereen mag doen wat hij/zij past en wil en het is niet aan de overheid om hier in te sturen. De overheid moet zich veel terughoudender opstellen. (Utopisch) Gedachtegoed over meer gelijkheid is ernstig te wantrouwen, want is in aanleg totalitair, d.w.z. alles omvattend.

Deze integrale aanpak die de overheid op diverse terreinen nastreeft gaat wat hem betreft veel te ver in de bemoeizucht en in de ambities of pretenties. De overheid moet bescheiden zijn, zich beperken tot het hoogst noodzakelijke en de verschillen tussen mensen onderling zo laten, in plaats van deze kost wat kost in een systeem te willen opnemen. De wereld is immers niet in één visie te vatten (“gebrokenheid” noemt PF dit) en de verschillen tussen mensen zijn meervoudig.

PF neemt de beleidstaal van rijksambtenaren onder loep, daar waar deze integraal en ontkokerd beleid formuleren met liefst een probleem- of opgavegerichte aanpak. Omvattend, integraal beleid leidt in zijn visie zoals gezegd tot een totalitaire staat die met behulp van IT en nieuwste databasetechnologieën alles van zijn burgers weet. De gevolgen zijn zichtbaar in de toeslagenaffaire waarbij algoritmen blind bleken voor de werkelijkheid van individuen en ook de uitvoeringsambtenaren daarin weinig discretionaire ruimte gaf. Het op politieke gronden – destijds Kamerbreed! – in deze, zogeheten technisch neutrale, algoritmen ingebakken wantrouwen bleek zo een bureaucratisch racistisch selectieproces.

Wat moet de overheid dan wèl doen is de vraag die opkomt. PF: Nederland is meer dan ooit een land van minderheden (I,15) Daarom: Het is de belangrijkste taak van de democratische rechtsstaat om de minderheid te beschermen tegen andere minderheden die zich tot meerderheid hebben gevormd of willen vormen, tegen burgers die de vrijheid van andere burgers aantasten door uitsluiting en tegen de staat zelf die in de verleiding zou kunnen komen om één universaliteit na te streven.(II, 272). De staat moet amoreel zijn en buiten de samenleving staan. Zij beheert enkele monopolies, namelijk geweld en recht en dient zo de maatschappelijke vrede te bewaren, zonder partij te kiezen. Tot zover de inzichten van PF.

Wat is er te zeggen over dit gedachtegoed?

Het is verademend en verfrissend dat er bestuurskundigen als Paul Frissen zijn die steevast in het Nederlands publiceren, want inderdaad lijken de Angelsaksische publicaties op het gebied van public administration en political science geen oog te hebben voor specifiek Nederlandse politieke en bestuurlijke verhoudingen. PF kijkt voor zijn inspiratie liever naar Duitsland en vooral Frankrijk. In zijn filosofische benadering van beleid en bestuur – hij heeft kennis opgedaan bij Arendt, Foucault, Deleuze, Habermas, Popper en vele anderen – doet hij iets opmerkelijks: hij analyseert beleidsteksten op hun inhoud en consistentie en tracht op die manier iets te weten te komen over de gedachtewereld van de beleidsmakers. Vanuit de NSOB[3] – de Haagse school voor hogere ambtenaren – doet of entameert hij op verzoek bestuurskundig onderzoek van allerlei aard. In het interview bekent hij zich als een conservatief die met enig argwaan het werk van de overheid bekijkt[4].

Het is verkneukelend om te lezen hoe hij de integraliteit van het beleid treffend laat zien door te schetsen hoe de decentralisatie van de jeugdzorg van gemeenten uitvoeringskantoren van het rijk maakt. Ook de enorme bureaucratie bij het rijk stelt hij terecht aan de kaak. Het Financieele Dagblad[5] maakte onlangs melding van een onderzoek waaruit bleek dat ongeveer de helft van de rijksambtenaren bezig is met controle op en ondersteuning van de andere helft.

Dat PF minderheden in bescherming neemt is heerlijk om te lezen. Bij verder lezen bekruipt mij echter het gevoel – hij schrijft het nergens! – dat de minderheden die hij op het oog heeft en wil beschermen tegen de staat vooral bestaan uit burgers die zich aan mores en regels willen onttrekken. Dat zijn niet steeds de mensen waar ik me verbonden mee voel.

De kern van het betoog van PF vloeit voort uit zijn visie op verschillen tussen mensen. Verschillen zijn goed en moeten niet weggepoetst worden met een aanpak met meer gelijkheid. Democratie bestaat bij de gratie van de verschillen. PF maakt echter in zijn werk geen of nauwelijks onderscheid tussen gelijkheid (hetzelfde zijn), gelijkwaardigheid voor de wet en gelijke mogelijkheden. Hij gebruikt steeds de term ‘gelijkheid’ en roept beelden op als zou de allesomvattende (integrale) beleidsaanpak een zombiebevolking à la Huxley’s Brave New World op het oog hebben: alle verschillen tussen mensen moeten worden onderkend en gereguleerd en daarmee in het systeem worden opgenomen. In de ogen van de staat is “het verschil .. snel onvolmaakt en moet [het] worden opgeheven (I, 21) .. voedselbanken zijn onaanvaardbaar. Zwarte scholen evenzeer..”  PF vraagt zich hierbij hardop af: “Moeten we mensen emanciperen die dat zelf niet willen?”(I, 24) Mijn inziens zit het anders in elkaar. (Formele) Gelijkheid en gelijkwaardigheid voor de wet is iets anders dan gelijkheid in kansen en mogelijkheden om je te ontwikkelen, je eigen bestaan volgens je eigen keuzes vorm te geven en je eigen anders zijn, je eigen verschillen t.o.v. anderen tot bloei te laten komen. Een belangrijke maar ook formele gelijkheid is dat  iedereen recht heeft op onderwijs dat past bij de eigen talenten en inzet. In de praktijk is ook dit slechts een papieren gelijkheid.

PF heeft het nauwelijks over verschillen die dankzij elkaar bestaan, verschillen die elkaars bestaansvoorwaarde zijn. Dat is vreemd, daar ik ooit leerde dat dé gedachte achter de naoorlogse welvaartsstaat is: in navolging van de staatsvisie van Hobbes geldt dat daar waar de vrijheid en (het streven naar) welvaart van de een gevolgen heeft voor de vrijheid en de welvaart van anderen – de zogenaamde externe effecten – er steeds een reden is voor overheidsingrijpen en regelgeving. De staat die volgens Hobbes de oorlog van allen tegen allen moet voorkomen, moet sinds de jaren vijftig ook regelen dat wij elkaars maatschappelijke mogelijkheden respecteren en evenmin mogen benadelen. Kortom: omdat wij elkaars mogelijkheden beïnvloeden, moet er een overheid zijn en dat geldt bij uitstek voor verschillen tussen burgers en bedrijven die van elkaar afhankelijk zijn, zelfs elkaars bestaansvoorwaarde zijn en waar dus macht wordt uitgeoefend over burgers. De overheid dient marktmeester te zijn en regels voor schade en last van anderen te maken. Daar waar bijv. een leliekweker de gezondheid van de kinderen van de naburige basisschool bedreigt door het gebruik van bestrijdingsmiddelen is er in principe een grond voor een wettelijke regeling. Dit uitgangspunt geldt mijns inziens niet alleen nationaal of Europees, maar dient een mondiaal streven te zijn. Ik besef dat deze visie morele kanten heeft.

PF spreekt hier niet over en wil iedereen zoveel mogelijk zijn of haar ding laten doen. Welk criterium PF hanteert wanneer wel iets een taak van de overheid is, blijft onduidelijk. Dat mensen verschillend zijn en dat deze verschillen gehonoreerd moeten worden is alleen een mooi idee als je al deze verschillende mensen ook gelijke, of minstens, vergelijkbare mogelijkheden of kansen biedt iets te maken van hun eigen andere particuliere leven. Als je aan deze bestaansvoorwaarden – of dat nu het uitdrogende hooggebergte van de Andes is of een achterstandswijk in Dordrecht – van allerlei verschillende groepen mensen geen aandacht besteedt, is het praten over het honoreren van verschillen, holle schone schijn.

De overheid en met haar de publieke sector is kleiner geworden sinds de jaren 80. Dat deel van de economie waarover politieke besluiten worden genomen is fors geslonken als gevolg van het genoemde neoliberale beleid. Begin jaren 50 omvatte de publieke sector bijna 30% van het BNP van ons land, begin jaren 80 besloeg dit zo’n 60% van het BNP en begin jaren 20 van deze eeuw 40% van het BNP.[6] Waar m.a.w. voorheen besluiten de instemming nodig hadden van de Kamer, bijv. over, ouderenzorg, woningbouw e.a. zijn er nu besluiten van dito Raden van Bestuur die zich veel minder te verantwoorden hebben aan het publiek.

Dit slinken van de overheid noemt PF niet, maar hij stelt wel dat de overheid veel te groot is geworden. In de ogen van PF lijkt het bovendien dat de staat slechts met burgers te maken heeft en niets van doen heeft met bedrijven, niets van doen heeft met Europa en de wereld.

Zo meldt hij ook niet dat de wereld veel en wel elk uur[7] tot in alle uithoeken verbonden en vervlochten is, veel meer en directer dan pakweg in de jaren 50-60 van de vorige eeuw. En dit geldt wat betreft politiek, economie, contacten en toerisme, oorlogsvoering, informatiebeheer en -voorzieningen, tot en met migratiestromen van (bedreigde) burgers. Hij meldt dit niet en benoemt niet wat dit betekent voor onze nationale staat. Ik noem ten slotte dat hij nauwelijks iets meldt over de betekenis van de Nederlandse participatie aan de EU voor het functioneren van de Nederlandse staat en de verwevenheid van Europese en nationale regelgeving.

Er is intussen voldoende duidelijkheid – en niet alleen volgens Piketty – dat grote machtige multinationals en hun oligarchische aandeelhouders, waaronder ook grote mijnbouwers die de fossiele grondstoffen niet zelden met geweld en grove uitbuiting van arbeid, naar boven halen en op de markt brengen, een grote niet steeds positief te waarderen invloed hebben op de wereld en de geopolitieke verhoudingen. Deze multinationals zijn groot geworden ten koste van vele kansarmen overal ter wereld. Niet alleen is er sprake van slecht betaald en gevaarlijk werk, dit is ook gepaard gegaan met veel schade aan, tot zelfs vernietiging van de natuurlijke bestaansvoorwaarden van veel mensen en kinderen, vooral op het zuidelijk halfrond. Het op grote schaal verbruiken van natuurlijke hulpbronnen en vervuilen van aarde en atmosfeer is door de Club van Rome al in de jaren zeventig aan de orde gesteld. De afgelopen vijftig jaar hebben deze internationale bedrijven alleen maar meer ruimte gekregen om hier nog intensiever mee door te gaan. Het neoliberale beleid in de westerse wereld liet deze vrije ondernemers hun gang gaan, ondanks allerlei alarmerende rapporten die maar bleven verschijnen. Tegelijk werden vrijwel overal de progressieve belastingtarieven afgevlakt zodat private investeringen sneller meer lonend werden en de vermogens sneller konden stijgen dan de lonen. Geen woord van PF erover dat ons bestuur – nationaal, Europees en supranationaal – dit moedwillig heeft laten gebeuren. Het waarderen van verschillen tussen mensen, lijkt zo te ontaarden in een onverschillig ‘verschillen moeten er zijn’.

Het goede leven?

Ik citeer hier letterlijk: “Ressentiment (onbegrijpelijk en ongrijpbaar) tegen het andere en het vreemde, vooral ook tegen de elite, de oligarchen, gaat hand in hand met paternalisme: beleid voor de bestwil van de ondergeschikten. Paternalisme richt zich op de ongelijke aan de onderkant en is de keerzijde van het ressentiment dat zich richt op de ongelijke aan de bovenkant. Ressentiment betekent nivellering, paternalisme verheffing. Ressentiment en paternalisme verdragen geen verschil en willen de wereld gelijk maken.” (I,22-23) Dit paternalisme is pedant want: (1) men zegt wat het goede leven is en legt dit vast in verplichte arrangementen want (2) de idealen en deugden zijn voorbeeldig voor de te emanciperen onderklasse en het (3) is moralistisch: het zegt niet alleen in het belang van welvaart, gezondheid en veiligheid van deze burgers te werken maar ook dat het betere mensen maakt.

“We willen een stelsel van gezondheidszorg met een samenhangend aanbod van voorzieningen en een integraal concept van gezondheid. We willen een stelsel van onderwijs dat horizontaal en verticaal aansluit en insluit, met doorlopende leerlijnen, samenhangende curricula, heldere competenties, herkenbare leerdoelen. We werken ‘evidence based’ en denken zo waarachtige vernieuwing [bedoeld is vooruitgang, fk] te bereiken. Voor het toeval kan geen plaats zijn.”(I,26)

“Het is de belangrijkste taak van de democratische rechtsstaat om de minderheid te beschermen tegen andere minderheden die zich tot meerderheid hebben gevormd of willen vormen, tegen burgers die de vrijheid van andere burgers aantasten door uitsluiting en tegen de staat zelf die in de verleiding zou kunnen komen om één universaliteit na te streven.(II p.272)

PF ziet de neiging van de overheid om tot in alle sferen in ons leven binnen te dringen en dit te beheersen vooral in de gezondheidszorg en in het onderwijs. Dat hij de belangrijkste levenssfeer die bepalend is voor de mogelijkheden die mensen hebben, namelijk die van economie en arbeid, helemaal niet noemt zegt veel. De bemoeizorg van de overheid maakt hij kortom vast aan een beperkt deel van de overheidsbemoeienis en een beperkt deel van de samenleving.

De wens van de overheid, in zijn ogen, om alles van ons te willen weten, verklaart hij tot belangrijkste, kwalijke eigenschap van de staat, met bovendien een uiterst verwerpelijke vorm van paternalisme: wij politici en ambtenaren weten wat goed voor jou is.

Ik denk dat het anders is. Op de eerste plaats is de datahonger van IT-systemen niet iets dat typisch is voor de staat, voor de systemen van de overheid. Elke organisatie, elk bedrijf dat gegevens van klanten, gebruikers, cliënten, burgers enz. vastlegt heeft die neiging. Vanuit ambtelijke organisaties lijkt dit te zijn ingegeven door (1) het willen onderkennen van zoveel mogelijk relevante aspecten van een casus of persoonlijke situatie en door (2) zo meer zekerheid te scheppen dat met het beleid resultaat behaald wordt. Op de internet-wereldmarkt heeft deze datahonger tot uitgekiende want verslavende marketing- en reclamestrategieën geleid, die ook hier niets met paternalisme te maken maar met een doorontwikkeld verdienmodel. Als de Big Tech-bedrijven nog meer invloed krijgen in overheidssystemen over de gehele wereld, en dat risico lopen wij, wordt het hameren op de bescheiden rol van de overheid een lachertje met een wrange ondertoon.

Her en der kun je trouwens bij overheidssystemen inderdaad spreken van een doorgeschoten gewoonte om misbruik te voorkomen. De toeslagenaffaire begon met kamerbrede steun voor een steviger beleid gericht tegen fraude. De datahonger van de staat is hier voortgekomen uit beleid tegen fraude. Daarnaast kun je stellen dat het bij het willen onderkennen van zoveel mogelijk relevante aspecten van een persoonlijke situatie in het onderwijs, de jeugdzorg of de ouderenzorg, vaak gaat om voortgaande wetenschappelijke medische, ontwikkelingspsychologische en sociaalpsychologische kennis die een veel breder licht werpt op ontstaan van ziekten, aandoeningen en achterstanden. Het is een zegen dat wij veel meer weten van ontwikkelingsstoornissen en daarop kunnen ingrijpen en in het onderwijs begeleidings-systemen kunnen inrichten. Het is een zegen dat wij veel meer weten over het verband van voeding en leefgewoonten met allerlei vormen van kanker.

PF doet dit badinerend af, wanneer hij, met instemming Achterhuis citerend, beweert dat elke mogelijke voorziening een hulpvraag schept, elke afwijking een voorziening afdwingt. Neen, dan is het beter dat er zoals in de jaren vijftig nog klassen waren waar kinderen die niet mee konden komen voor een tijdje in overvolle klassen geparkeerd werden tot zij niet meer leerplichtig waren. Neen, je kunt beter je niet bemoeien met huiselijk geweld jegens kinderen en vrouwen, want dan kom je achter iemands voordeur. Allergieën voor specifieke voedselelementen kun je beter negeren en je kind vandaag even geen eten geven als het telkens moet braken bij een bepaalde groente.

PF zegt dat mensen niet gelijk zijn. Mensen zijn inderdaad gelukkig niet allemaal hetzelfde.[8] Het gaat er m.i. om dat mensen voor de wet, d.w.z. juridisch gezien gelijk zijn. Formele juridische gelijkheid is er inderdaad, de wet geldt voor iedereen. In de praktijk zijn er echter eigen kringen, eigen financiële middelen, contacten, achternamen, nepotisme (juist ook in Limburg waar PF vandaan komt) en deze maken de gelijkheid tot een holle formaliteit. Klassiek voorbeeld: zij die veel geld verdienen kunnen fiscale adviseurs inschakelen om alle mazen in de belastingwetgeving te misbruiken en zo geen of weinig belasting te betalen. Goed verdienende gezinnen hebben genoeg middelen hun kinderen bijlessen te geven en ze zo door de middelbare school te loodsen. Precies dit soort gedrag maakt dat de overheid steeds verfijndere manieren zoekt om informatie te achterhalen – fiscale verfijningen in de wet opneemt, informatiesystemen bij de keuze voor middelbare scholen inricht, enz. waardoor IT-systemen groter en groter worden.

Sturen op menselijk gedrag is zeer impopulair in de Nederlandse politiek. “Dat maak ik zelf wel uit” is voor veel mensen in ons land belangrijker dan enig gemeenschapsgevoel. In de marketing, al dan niet via uitgekookte algoritmes op smartphones is dit sturen op menselijk gedrag HET verdienmodel van de techgedreven economie. Webshops, niet in het minst de Chinese, toveren gokmachines voor je neus zodat je eerst een gokje kunt wagen over de omvang van de korting. Klarna biedt je de mogelijkheid om nu te kopen en later te betalen. Ziehier het verdienmodel van BigTech en de grote internationale bedrijven. BigTech die veel geld verdient aan advertenties die op het individu zijn toegesneden en multinationals die met grote containers de goedkope spullen naar Europa vervoeren voor (jonge) mensen die zich daarvoor in de schulden steken. Kortom PF, en veel politici evenzeer, heeft hier boter op zijn hoofd als hij beweert dat hierop interveniëren een vorm van moralistisch en pedant paternalisme is (I, p. 23) .

Hij slaat de plank volgens mij ook behoorlijk mis als het om ongezond eetgedrag gaat: “In tien jaar tijd is het aantal fastfoodlocaties in de buurt van scholen met 40 procent gestegen. De marketing van ongezond voedsel is te vaak op kinderen gericht, en de publieke ruimte lijkt haast uitgegroeid tot één grote reclamezuil voor ongezonde voeding. Je hebt kennis van zaken nodig om in de supermarkt de gezonde producten tussen de ongezonde massa uit te kunnen vissen.” [9] Hierover schreef ook Martine Kamsma in de NRC[10] in gesprek met voedingswetenschapper Seidell, emeritus hoogleraar: “Het begon met een rol koekjes van 49 cent. Jaap Seidell vroeg zich een jaar of tien geleden met een collega af hoe het mogelijk was dat haar dochter voor 49 cent een hele rol koekjes kon kopen waaraan kennelijk iedereen, van palmolieproducenten tot Action, kon verdienen. Dat kon alleen omdat bedrijven die in arme landen palmolie, suiker, soja en rijstmeel produceren op geen enkele manier betalen voor de schade die ze aanrichten, was de conclusie. Simpel gezegd is dit wat Seidell bedoelt als hij het heeft over de vernietigende uitwerking van de uitputtings-economie. Intensieve landbouw en veeteelt zijn niet alleen schadelijk voor natuur en bio-diversiteit, maar liggen ook aan de basis van het feit dat de wereld een miljard mensen met obesitas telt.” Kamsma vertelt verder: “Seidell kwam naar de VU en wilde met de lokale GGD bekijken wat in Amsterdam beter kon. Rond 2010 trof hij Eric van der Burg als zorgwethouder, een VVD’er. „Die was eerst ook helemaal van eigen schuld, dikke bult. We gingen naar scholen en zeiden: een echte liberaal is van de vrije keuze, toch? Kijk, je kunt niet eens een waterflesje onder het fonteintje in de wc houden. Toen is hij heel on-VVD-erig overal waterkoelers neer gaan zetten en kindermarketing gaan weren.” Van der Burg gaf ook de aanzet voor de Amsterdamse Aanpak Gezond Gewicht, die op alle fronten de omgeving van kinderen gezonder moest maken en wereldwijd het nieuws haalde —omdat in 2015 in Amsterdam voor het eerst het aantal kinderen met overgewicht afnam.

De voedingsindustrie ging intussen door met lobbyen. Dat zag Seidell ook toen de overheid met gezondheids-organisaties, wetenschappers en bedrijven in 2018 het Nationaal Preventieakkoord sloot. „Dan kwam ik in Den Haag voor de rondetafelgesprekken, en telkens zag ik die meneer of mevrouw van de levensmiddelenindustrie net uit de kamer van de staatssecretaris komen. Die had al vooroverleg gehad.”

Integraal beleid

Dé belangrijke steen des aanstoots bij PF is, zoals eerder gezegd, het integraal beleid willen maken. Hij heeft daar totalitaire beelden bij: de overheid wil alles omvattend aanpakken. Nu is het inderdaad vermakelijk te lezen hoe Haagse nota’s goochelen met taal en bij veel kwesties tot integrale opgaves komen. Het is eveneens vermakelijk te lezen dat bij een decentralisatie (van de jeugdzorg) parlementariërs aan de bel trekken als bij de uitvoering verschillen in regio’s aan het licht beginnen te komen. PF lijkt bij zijn voorbeelden zich te beperken tot zorg en het beleid m.b.t. gezondheid. Als hij de niet-integrale (niet) aanpak van de land- en tuinbouwsector nader had bekeken had hij wellicht beter geweten.

De integrale aanpak van veel beleidsterreinen kan ik niet zien als een megalomane aanpak van de staat die de eigen overspannen grenzen niet kent. Er is tot nu toe veelal beleid geweest, op welk terrein dan ook, dat slechts een beperkt deel van de gestelde doelen haalde. Kijk naar de inkomensgelijkheid van vrouwen en hun positie in de top van bedrijven, kijk naar het milieubeleid, enz. Bij de ontwikkelingsmogelijkheden van regio’s aan de randen van ons land, bij de stroomlijning van de mobiliteit en de beperking van de verkeerscongestie en bij nog veel meer zijn de afgelopen decennia slechts kleine resultaten behaald. Een niet-integrale aanpak had op deze beleidsterreinen voor nog veel meer stagnatie gezorgd. Het gecoördineerd aanpakken van alle relevante aspecten is alleen al uit efficiency-oogpunten zeer nastrevenswaardig bij deze zeer taaie beleidsterreinen. Maar ook bij kleinere kwesties is afstemming zeer gewenst. Als bijv. gemeentelijke diensten hun werk meer zouden afstemmen en integraal aanpakken zou het frequent openbreken van trottoirs voor de vernieuwing van riolering, voor het aanleggen van kabels en het aanleggen van bredere fietsstroken sterk beperkt kunnen worden.

Een integrale aanpak in een beleidssector waarin veel aspecten worden meegenomen en er afstemming is tussen verschillende uitvoerende partijen lijkt mij meer kans te bieden op wat resultaat dan het verkokerd aanpakken en elk overheidsorgaan haar eigen ding laten doen. De keuze voor een poging – verder kom je als departement nauwelijks – tot integraliteit heeft niets te maken met utopische totalitaire beeldvorming en dito beleidsdoelen.

PF stelt verder terecht dat er geen omvattende visie op de wereld als geheel te formuleren is. Daar heeft hij gelijk in. Maar er zit, naast wat hij gebrokenheid noemt, wel her en der voldoende samenhang om een en ander vanuit meerdere hoeken en op elkaar afgestemd aan te pakken.

De rechtsstaat

Deze tekst is geschreven in de eerste zes maanden van de regering Schoof en tijdens het eerste sloopwerk van Trump. Het wordt steeds duidelijker dat met het bruuskeren[11] en negeren van het recht en gerechtelijke uitspraken door diverse machthebbers, dat de rechtsstaat en de democratie in een aantal landen ernstig in gevaar is. De democratie staat onder druk, wetenschappelijke kennis wordt genegeerd en mensenrechten met bombardementen, bulldozers, wapengeweld, dubbele moraal en corruptie genegeerd. Wij kunnen mijns inziens hierbij niet achterover leunen en er vanuit gaan dat het recht vanzelf wel gaat overwinnen.


[1] In het vervolg verwijs ik kortheidshalve met I naar Allemaal anders, met II naar De Integrale Staat en met III naar het interview op YouTube.

[2] Ik gebruik, niet geheel terecht, vaak de termen staat en overheid door elkaar. Ik geef de voorkeur aan overheid, daarbij doelend op de gezamenlijke rijks departementen die in samenspraak met het parlement beleid maken en de erbij behorende uitvoeringsorganisaties (Sociale Verzekeringsbank, DUO, RDW, e.a..) Bij deze overheid horen ook de decentrale vormen daarvan op provinciaal en gemeentelijk niveau, waar eveneens in samenspraak met gekozen organen beleid gemaakt wordt. Met de staat wordt meestal het geheel aan instituties bedoeld die de centrale overheid vormt, d.w.z. inclusief de hoogste rechtscolleges en de geïnstitutionaliseerde adviesorganen (Rekenkamer, Raad van State, e.a.). PF schrijft zo her en der over de staat in de gepersonifieerde vorm, een hij.

[3] Nederlandse School voor Openbaar Bestuur.

[4] Afkomstig uit Limburg leek PF enkele jaren terug de meest aangewezene om, n.a.v. enkele kwesties de bestuurscultuur daar eens goed tegen het licht te houden. Zijn argwaan bleek hier wat milder en het rapport werd kritisch ontvangen.

[5]Bureaucratie binnen Rijksoverheid uitgegroeid tot ‘absurde’ proporties, Financieele Dagblad, 19 juli 2024.

[6] Van Sonsbeek, Bos, Ebregts en Verkade, ‘De Nederlandse economie in historisch perspectief’, CPB, juli 2023.

[7] Op sommige terreinen zelfs elke seconde, zoals in de digitale wereld van de optie- en bitcoin-handel: snellere IT-servers geven je een beslissende voorsprong in de handel, waardoor je snel veel geld kan verdienen.

[8] Ruben Terlouw liet in zijn China-reisverhalen zien dat ook elk van de 1,4 miljard Chinezen eigen dromen heeft.

[9] Idgor Runderkamp en Tim ’S Jongers, Als je geen geld hebt, is de keuze voor een goedkope, ongezonde hap snel gemaakt, NRC 24-11-24.

[10] Martine Kamsma, NRC 19-11-24

[11] In Nederland bijv. de reactie van Wilders op het advies van de Raad van State op de wetsvoorstellen van Faber.



Één reactie op “Over de Staat”

  1. Paul Frissen Avatar
    Paul Frissen

    Beste Frank,

    Met plezier – en met (lichte) irritatie – heb ik je uitgebreide tekst over een aantal van mijn publicaties gelezen. Ik reageer beknopt. Er is een aantal hoofdpunten dat ons verdeeld (zal blijven) houden.

    • De burger is – in al zijn/haar/hun verschillen – voor de staat gelijk; de verticale interpretatie van de rechtsgelijkheid. Steeds meer zijn we via wet en beleid ook gaan nastreven dat burgers (of misschien beter: mensen) aan elkaar gelijk zijn: de horizontale interpretatie van de rechtsgelijkheid. Artikel 1 van de Grondwet is op dit punt onduidelijk, helaas. Ik ben een sterk voorstander van de verticale interpretatie.
      • Veel van onze ongelijkheid is een gevolg van onze vrijheid. Meer gelijkheid willen betekent daarom inleveren op vrijheid. Het politieke debat moet dus daarom gaan over de verhouding van deze twee.
      • De vrijheid van de ene burger kan ten koste gaan van die van de andere: dat is een argument voor staatsoptreden.
      • Omdat we ongelijk zijn en verschillend is de democratie – regering van de meerderheid – alleen legitiem als de rechten van de minderheid worden beschermd. De plek van de macht moet daarom leeg blijven, dat wil zeggen tijdelijk, voorlopig en onbepaald.
      • De staat moet daarom bescheiden en matigend zijn. De instrumenten van vandaag zijn ook beschikbaar voor de meerderheid van morgen. Dat pleit voor een politieke neutraliteit van deze instrumenten: deze moeten het doel heiligen en niet andersom. Als de wet beschikbaar is voor links, dan ook voor rechts. Alleen al daarom is grote terughoudendheid geboden: Wilders hoeft niet veel nieuws te bedenken om zijn abjecte doelen te realiseren.
      • Omdat de staat de monopolies van geweld en belastingheffing heeft – en dat vind ik een hele goede zaak – past terughoudendheid in de aanwending ervan. De staat is daarom amoreel, omdat hem handelingen zijn geoorloofd, die voor burgers immoreel zijn: doden, stelen, ontvoeren, bedriegen.
      • Ik zou daarom de staat graag buiten opvattingen en praktijken van ‘het goede leven’ willen houden.
      • De hoeveelheid wetgeving is de afgelopen decennia – ongeacht de kleur van de kabinetten – geëxplodeerd. Omvang en intensiteit van de interventies door de staat achter de voordeur, onder het bed, tussen de oren zijn daarom zeer sterk toegenomen. Dat doet de staat ook nog eens met een relatief beperkte omvang van zijn apparaat (de Amerikaanse staat is groter). Zo’n 45% van ons inkomen wordt via de staat verdeeld en herverdeeld.
      • De kritiek op het neoliberalisme – als zou dit de staat hol hebben gemaakt – is intellectueel gemakzuchtig. De staat is alom aanwezig, alleen met een agenda die de critici niet bevalt. Markten worden gemaakt, terwijl monopolies en kartels bewust niet worden bestreden, behalve in de niet-marktsectoren. Daar is marktwerking ook een instrument voor politieke doeleinden met alle perverse gevolgen van dien.
      • We zouden meer moeten en kunnen leren van onze eigen geschiedenis. Publieke waarden, belangen en zorgen zijn in Nederland gedurende lange tijd juist maatschappelijk gearticuleerd en gewaarborgd door particuliere organisaties en door burgers. Daarmee werd maatschappelijk verschil niet gecollectiviseerd en verstatelijkt maar vormgegeven in een pluralistisch publiek domein. Die pluraliteit is nu alleen maar groter. Dan zijn collectieve en uniforme oplossingen niet zo voor de hand liggend.
      • Een zeker conservatisme, juist ook ter bescherming van pluraliteit, zou passend zijn voor de staat. Daarover gaat mijn volgende boek.

      Hartelijke groet

      Paul Frissen

    Plaats een reactie