Tagarchief: muziek

Stemmen: een boek over het Concertgebouworkest

Het Concertgebouworkest bestond in 2013 125 jaar. Iedereen die een beetje van muziek weet, weet dat dit orkest tot de top van de wereld behoort samen met die uit Berlijn, Wenen en New York.

Het jubileum heeft dit orkest aangegrepen een uitgebreide wereldtournee te houden en daarbij alle werelddelen aan te doen. Voor een dergelijk groot orkest (+ 125 professionele musici en voor de staf daaromheen is zo’n tournee een gigantische operatie die jaren daarvoor al voorbereid moet worden.

Judith van der Wel reisde mee en trok meer dan een jaar intensief op met het orkest. Zij sprak musici, dirigent, muzikaal directeur, algeheel directeur, de verzorgers (“inspecteurs”), de boekhouder, de planners, de communicatiemedewerkers en leerde zo dit orkest, zijn mensen, zijn traditie, zijn werkwijze en zijn problematiek goed kennen. Alle gesprekken documenteerde zij en bracht deze onder in afzonderlijke hoofdstukjes van drie à zes bladzijden. En deze geven bij elkaar een rijk en zeer divers beeld van dit orkest.

Wat het boek vooral boeiend maakt is dat Van der Wel het licht laat vallen op allerlei onvermoede aspecten van het bestaan van het orkest en het leven van de musici. Het verschil tussen eerste violen en tweede violen en vooral ook tussen de betreffende musici. De eerste groep meer op de voorgrond, in de spotlights en de tweede groep die meer voor de harmonieën en sfeer in de muziek zorgen. Verschillende types musici. De slagwerksectie achteraan die soms weinig te doen hebben en tussentijds vroeger soms achter de gordijnen verdwijnen om …een sigaret te roken en wat te drinken. De ingetogen houtblazers[1] (hobo, klarinet, fagot) verschillen in veel opzichten van de meer masculiene, soms schetterende koperblazers. De Franse en de Duitse school bij de cello’s. En dan heb ik het nog niet over de concertmeesters en de dirigenten Mengelberg en Haitink verschilden hemelsbreed en deze waren weer zeer verschillend in vergelijking met Mariss Jansons, Daniele Gati[2] of Riccardo Chailly. Waar hard werken aan een ijzeren repertoire en internationale erkenning het levenswerk was van Mengelberg, liet Haitink het eigen warme karakter van het orkest meer uit het orkest zelf komen. Waar Haitink Brückner op de kaart zetten was Chailly vooral de vernieuwer met modern repertoire. Het orkest wordt aanvullend op eigen inkomsten gefinancierd door het rijk en de gemeente Amsterdam. In begin jaren negentig – het neoliberale beleid van Lubbers, Kok en Zalm wordt uitgerold over de collectieve sector – moeten zorg, onderwijs en cultuur meer marktgericht gaan werken. Het orkest stelt een commercieel manager aan, maakt werkt van communicatie en website, professionaliseert het personeelsbeleid en wordt in alles een organisatie waarin doordacht met mensen, geld en tijd wordt omgesprongen. Ik heb niet het idee dat dit het orkest slecht is bekomen of dat de muziek eronder geleden heeft.

Van der Wel legt nergens uit wat het geheim van het Concertgebouworkest behelst. Ik vermoed dat het gaat om de vraag hoe komt het dat dit orkest zo goed is (en dat al jaren zo is) en hoe komt dit orkest aan haar karakteristieke warme “sound”?

Haar boek geeft daar geen eenduidig antwoord op maar legt meerdere stukjes van een puzzel op tafel.

Bijvoorbeeld de selectieprocedure, waarin musici en niet de dirigent samen beslissen wie ze aannemen na enkele rondes voorspelen, waarvan de eerste keer blind, achter een gordijn. De musici komen daarbij de laatste dertig jaar uit steeds meer verschillende uithoeken van de wereld: China, USA, Australië, Zuid-Afrika, Frankrijk, Rusland, Noorwegen, Engeland, enz. Deze musici brengen natuurlijk ook allerlei verschillende “scholen” en opleidingsstijlen in dit orkest bij elkaar. Voor de individuele musici is spelen in dit orkest de hemel, hoger kun je niet reiken en deze musici willen maar één ding: dat zij zelf en het orkest nog beter worden. Er zijn musici die vrijwel elk vrij uurtje op hun instrument strijken of blazen, ook tijdens tournees.

Het reizen en de hotels tijdens zo’n wereldtournee moet heel vroeg goed geregeld worden. Orkestleden en hun instrumenten moeten mee en bij overstappen op een andere vlieglijn moet alles goed gaan anders komt een laatste repetitie in de zaal waar men morgenavond optreedt in gevaar. En dan spreek ik nog niet over de musici die een bepaalde nationaliteit en dito paspoort hebben die sommige landen daarom niet in mogen of daar op het vliegveld opgewacht worden om gearresteerd te worden vanwege eerder gedane uitspraken over het politiek systeem van dat land (van herkomst). Zo is er bijvoorbeeld uitgebreid gesproken over de vraag of het orkest een statement zou maken in Petersburg en/of Moskou over het wrede beleid jegens de lhbti-mensen in Rusland. Voor de homo’s in het orkest ligt dit zwaarder dan voor andere. Maar mag je een gastheer bruskeren?

Waar ik evenmin nooit eerder aan gedacht heb is dat er speciale relaties bestaan tussen sommige musici. Je hebt een vader en zoon en enkele echtparen, maar natuurlijk ook verliefdheden en affaires die daar ontstaan. Ook zijn er musici die ooit de docent waren van een jonge getalenteerde collega die in de loop der jaren de senior in kwaliteit en gewicht voor het orkest overstijgt.

Mariss Jansons moet plots op de tournee een concert afzeggen vanwege een crisis in zijn gezondheid. Gelukkig is er een (jonge) reserve dirigent meegereisd die het stokje – de baton- naadloos overneemt. Vrijwel alle cruciale posities in het orkest zijn dubbel bezet en de groep slagwerkers zijn bij traditie multi-instrumentalisten en heel goed uitwisselbaar.

Ik verwachtte het niet, maar er is ook een discussie over het aantal buitenlanders in het orkest. Het is te kort door de bocht om dit op te vatten als (beperkte) xenofobe gevoelens. Terwijl ik denk: hoe meer buitenlanders hoe beter, want hoe meer nieuwe en anders geschoolde professionaliteit in het orkest en daar wordt het orkest alleen maar rijker van, maakt een veelheid van buitenlandse musici de onderlinge communicatie, de sociale samenhang binnen het orkest moeilijker. Hoewel veel musici de Nederlandse taal leren, is communicatie vanuit verschillende culturele achtergronden niet steeds een verrijking. Humor, wat je wel of niet zegt, de inspraak van de musici, de autoriteit van de concertmeester of dirigent de lhbti-mensen in het orkest, jong en oud, enz. dit alles wordt ingewikkelder bij verschillende achtergronden.

De tournee is overigens op den duur niet alleen slopend. Het orkest doet ook bijzondere ervaringen op. Een voorbeeld. Men is gewend op tournee als het even kan een gratis openluchtconcert te verzorgen voor mensen die de dure tickets in een concertgebouw niet kunnen betalen. Zo geeft men gratis wat lessen aan het Cape Youth Philharmonic Orchestra in Kaapstad en bezoeken ze township Soweto voor een gratis openluchtconcert. De orkestleden worden op hun beurt bij aankomst getracteerd op een concert met dans door kinderen die zonder bladmuziek, uit hun hoofd, op eenvoudige instrumenten spelen. Voor de meeste musici een niet te vergeten kippenvelmoment: Vroeger kon ik zo recht uit mijn hart spelen, ik ben dat kwijtgeraakt.

Dit boek is een verrassend, boeiend en daarom waardig monument voor een orkest waar we zuinig op moeten zijn.

Judith van der Wel, Stemmen, Het geheim van het Koninklijk Concertgebouworkest, Querido Amsterdam, 2015


[1] In de jazz spreekt men van rietblazers.

[2] Dit boek is verschenen vóór het ontslag van Gati vanwege beschuldigingen van grensoverschrijdend gedrag.

Over de autobiografie van Simeon Ten Holt

Simeon ten Holt uit Bergen (N-H) is een Nederlandse componist die een belangrijke rol speelde in de Nederlandse muziekwereld van de vorige eeuw. Hij werd bij het grote (?) publiek bekend met een avondvullend werk uit de jaren zeventig: Canto Ostinato.

In 2009 publiceert hij zijn autobiografie die ik onlangs las.

Ten Holt houdt jaren zijn dagboek bij, niet stelmatig elke dag maar toch zo frequent dat hij er voldoende materiaal in terug vindt om zijn geheugen aan te vullen en terugblikkend (bij publicatie is hij 86 jaar) een boek te schrijven over zijn leven.

Is het leven van deze componist de moeite waard er een boek aan te wijden? Het leven van een timmerman, een onderwijzeres of van wie dan ook is op zich de moeite waard voor een (auto)biografie. Of het resulterende boek steeds van waarde is hangt ervan af hoe het geschreven is. Een boeiend leven betekent nog geen boeiende (auto)biografie.  Ten Holt is een machtig interessante componist die naast het genoemde Canto veel meer werk geschreven heeft voor piano vooral en daarbij niet eenkennig was in de seriële (kortweg twaalftoons muziek) dan wel in de tonale muziek (meer “gewone” muziek gecentreerd rond een of enkele basis).

Ik was nieuwsgierig naar deze man en vooral naar hoe een componist leeft en (werk)contacten onderhoudt.

Ten Holt beschrijft zijn leven en kindertijd in Bergen, een kunstenaarsdorp. Wat opvalt is dat hij het bijzondere van zijn situatie dat er thuis een piano is, dat hij zich aan muziek kan wijden en pianoles krijgt van een min of meer vooraanstaand componist (Van Domselaer). Zijn ouders stammen uit welgestelde families, dat verklaart het een en ander. Vader was kunstschilder en bewoog zich in het artistieke wereldje van Bergen. Geen woord echter over dat dit een bijzondere situatie is voor een gezin tussen de twee wereldoorlogen. Hij maakt zich in zijn verdere leven ook nergens druk over zijn levensonderhoud, dat is een kunst op zich, althans hij schrijft er nergens over.

Als hij in 1942 in de oorlog naar Amsterdam verhuist is het volstrekt normaal dat hij over een (Bechstein) vleugel beschikt die naar boven gehesen moet worden en hij zich zijn levensonderhoud niet eens noemt als kwestie. Een weldoener uit Bergen blijkt hem financieel te ondersteunen.

Is zijn leven één langdurige en soms monomane dienst aan de muziek en dicteert dit zijn verknochtheid eraan zijn leven of leeft Ten Holt zijn leven en maakt hij daarin voornamelijk muziek, dat is de vraag die dit boek voortdurend oproept. Ik maak in deze bespreking enkele opmerkingen over deze vraag, niet over zijn muzikale ontwikkeling en componeertalenten.

Muziek lijkt hem heilig. En vrouwen. Hij ontmoet in Amsterdam Riet waarmee hij een heftige relatie begint, hij trouwt met haar in juli 1944 en zij krijgen in 1946 een kind, dochter Marijn. Hij gaat samen met zijn zus in 1949 naar Frankrijk om daar nieuwe ideeën op te doen voor zijn muziek. In zijn levensverhaal staat hij uitgebreid stil bij de artistieke (muzikale) overwegingen om naar Parijs te gaan, namelijk om nieuwe inspiratie op te doen en andere vakgenoten te ontmoeten, maar besteed hij geen woord aan het plotse opbreken van zijn huwelijk en laten zitten van Riet en dochter. Contacten en relaties zijn ondergeschikt aan zijn muzikale missie. Onbegrijpelijk voor mij als lezer, totdat ik wat verderop merk dat zijn liefdesleven in combinatie met zijn muzikale ontwikkeling voortdurend het wisselen van partners met zich meebrengt. In zijn hele leven heeft hij een stuk of zes betekenisvolle relaties met vrouwen die opbloeien en vervolgens uitdoven. Zijn componeren en muzikale praktijk heeft minstens zoveel periodes waarin steeds de samenwerking met een persoon, of werk aan een groot stuk centraal staat. Zo verlaat hij begin jaren zeventig de seriële aanpak, en gaat terug naar de tonaliteit. Korte tijd later besteed hij jaren veel tijd aan de elektronische muziek op het Utrechtse instituut voor Sonologie. Dan weer staat een tijdje het werk aan Canto Ostinato centraal. En steeds opnieuw blijft het kunstenaarsdorp Bergen de plek waar hij terug keert en zich thuis voelt. Hij laat daar op zeker moment een gebouwtje opknappen en herinrichten dat hij de naam ‘de bunker’ geeft en waarin hij in afzondering kan werken en leven.

Soms schrijft hij daarbij hoe hij werkt aan een stuk. Zeer frappant vond ik te lezen dat volgens Ten Holt een muziekstuk zijn eigen wetten en structuur en bijzondere details kent en dat de componist een dienaar is die ze blootlegt en opschrijft.

Bij het ouder worden groeit bij hem het belang van contacten onderhouden met vrienden, met pianisten die zijn werk vertolken, broers en zus en dorpsgenoten van Bergen. Steeds vaker moet hij melden dat iemand doodziek is en sterft. Tegelijkertijd begint het werk aan zijn autobiografie, zo lijkt mij, méér van hem te vragen dan hij waar kan maken: steeds meer worden hele stukken uit zijn dagboeken een op een in zijn autobiografie opgenomen en verliest het boek daarmee voor mij zijn aantrekkelijkheid. In een autobiografie heb je de kans terug te blikken op je leven en opnieuw te verwoorden wat zekere gebeurtenissen voor betekenis hebben gehad. Met het opnemen van dagboeknotities stijg je niet uit boven de gedachten die je op dat moment verwoordde en ontbreekt het contemplatieve weegmoment achteraf.

Al met al is deze autobiografie een gemiste kans om datgene wat de componist dreef, boeide en verder bracht te overdenken en lezers daarin te laten delen.

John Heymans heeft in 2019 een biografie over Ten Holt gepubliceerd, Arabesk (Uitgeverij IJzer), misschien dat dat boek meer begrip opent naar leven en werk van Simeon ten Holt.

Simeon ten Holt, Het woud en de Citadel, Balans, Amsterdam, 2009.