Maandelijks archief: januari 2021

Over Philipp Blom, De duizelingwekkende jaren

De duizelingwekkende jaren, Europa 1900-1914, Amsterdam, de Bezige Bij 2009, oorspronkelijk The Vertigo Years, London 2008.

Philipp Blom is een soepel schrijvende Duitse historicus die zich tot nu toe vooral met Europa in de eerste helft van de twintigste eeuw bezighoudt. Dit boek gaat over de jaren rond de eeuwwisseling en daarna tot aan 1914. Hij gaat met zijn hoofd naar dat tijdperk terug en verhaalt over wat er gebeurde. Hij gebruikt daarbij geen onderzoekingen en analyses achteraf maar baseert zich op informatiebronnen uit die tijd. Deze aanpak maakt dat je al spoedig de paragrafen en hoofdstukken leest alsof het nu gebeurt. Je vraagt je steeds af: hoe gaat dit verder? De gekozen aanpak maakt dat dit boek geen dorre geschiedenis is, maar, ik kan niet om het cliché heen, levend verleden.

Hoe kan ik kort een boek beschrijven waarin een wirwar van culturele, economische, sociale, sportieve, technische, wetenschappelijke, politieke, kunstzinnige, infrastructurele en ook militaire ontwikkelingen om de aandacht vragen en over elkaar heen buitelen, d.w.z. elkaar beïnvloeden en veranderen? En waar te beginnen? Is er een rode draad en waarom zou die er moeten zijn?

Wij weten dat in 1914 een grote catastrofe begon met een aanslag in Servië en wij hebben vanzelfsprekend de neiging dit tijdperk in dat licht te zien en allerlei gebeurtenissen als voorafschaduwing daarvan of factor daarnaar toe te herkennen. Ongeveer zoals sommige tegenwoordige beschouwers de laatste jaren van de 20ste eeuw en het eerste tiental jaren van deze eeuw begrijpen vanuit de aanslag op de Twin Towers in New York in september 2001. Maar net als wij nu deze aanslag een plek geven en ons maatschappelijke en politieke leven niet door laten bepalen, zijn er geen heldere factoren aan te wijzen die noodzakelijk tot WOI leidden, althans Blom wijst ze niet aan. Op de wereld vinden onnoemelijk veel elkaar beïnvloedende processen van allerlei aard tegelijk plaats. Dat gebeurt nu en gebeurde een eeuw terug ook. Wat er volgende week gebeurt en wat er uit de huidige (corona)tijd voortvloeien weten wij niet en de mensen van toen wisten het ook niet.

Er gebeurde destijds van alles. Het echtpaar Curie ontdekte radioactiviteit en stond aan de wieg van röntgen-toepassingen in de gezondheidszorg. De luchtvaart groeide uit tot een volwassen reismogelijkheid naast de eveneens snel in aantal groeiende fietsen, automobielen en spoorwegen, die bovendien ook steeds sneller gingen. Mensen begonnen zich meer te verplaatsen en reisden verder.

De industrie produceerde niet meer alleen productiegoederen maar ook veel meer consumptiegoederen voor weliswaar toen nog een beperkte clientèle, de meeste mensen hadden weinig geld. Steeds meer kwamen er machines die menselijke arbeid verlichtten, overbodig maakten of fabrieksarbeiders degradeerden tot verlengstuk van die machines. Film, telefonie en fotografie kwamen op grotere schaal hun bijdrage leveren aan het moderne, snellere leven. De bovenlaag van de Europese samenlevingen kon ook kennis maken met nieuwe stromingen in de beeldende kunsten en literatuur. Tenslotte moet naast het vele niet genoemde nog melding gemaakt worden van de opkomst van de vrouwenbeweging, met eisen op het gebied van onder meer de gezondheidszorg, onderwijs, gezinsplanning en volledig kiesrecht.

Het duiden van al deze ontwikkelingen van die tijd is kortom, ook achteraf, geen sinecure en niet te doen als je je verplaatst naar die tijd. Er gebeurt van alles en soms lijkt toeval een rol te spelen. Al lezend vroeg ik me af wat er gebeurd zou zijn als enkele politici in London, Parijs, Petersburg, Berlijn en Wenen wat ruimhartiger en wat verstandiger waren geweest. En dat ‘verstandiger zijn’ betrof natuurlijk op de eerste plaats Bismarck die als Rijkskanselier de Frans-Duitse oorlog van 1870-71 met een overwinning afsloot in het Paleis van Versailles met de kroning van de eerste Duitse keizer en met naast deze ontheiliging ook nog de voor Frankrijk vernederende vredesvoorwaarden. Zo maak je geen duurzame verbindingen tussen landen. Ook de Tsaar en zijn hofhouding kon verstandiger zijn want niet alleen in de oorlog met Japan verslikte Rusland zich danig – het eigen leger was veel zwakker en dat van Japan veel beter. De enige minister van de tsaar die bekwaam was, hard werkte en van veel zaken verstand had mocht het vredesverdrag met Japan maken. Toen deze Sergej Witte ook over de binnenlandse politiek en de hofhouding van de tsaar zijn rake gedachten openlijk uitte, kon hij vertrekken. Vervolgens verslikte het tsaristische bewind zich ernstig aan de gevolgen van hun eigen wrede, onderdrukkende, binnenlandse politiek die weinig ruimte liet voor de burgerij zich te ontwikkelen en te ondernemen en helemaal geen ruimte liet aan de loonslaven in stad en platteland die in kommervolle omstandigheden voor zeer weinig geld zeer veel moesten leveren, in bovendien vaak zeer gevaarlijke arbeidsomstandigheden. Van elke prachtige basiliek in Petersburg kun je je bijvoorbeeld afvragen hoeveel werklieden bij de bouw met ongelukken het leven lieten en hun gezin zonder inkomsten alleen moesten achterlaten. En dan heb ik het nog niet over de domheid van Churchill die zich bijna brandde aan een akkefietje met Duitsland en Frankrijk of aan de bruut Leopold II van België die op staatskosten de Kongo roofde en vermoordde. Hoe zou het kortom gelopen zijn als men met de kennis van toen, wat beter had nagedacht?

Eén lijn in de veelheid aan ontwikkelingen neem ik hier even apart. Blom constateert dat door de vele vernieuwingen het traditionele beeld van wat een man idealiter moet zijn begon af te brokkelen. In de industrie waren minder sterke mannen nodig omdat machines die niet moe werden het werk overnamen. Vrouwen begonnen steeds vaker op te staan, hun plaats in te nemen in de economie, dorp, stad en samenleving, wetenschap en cultuur en hun rechten op te eisen als staatsburger. De vanzelfsprekendheid dat mannen met verstand en kracht superieur zijn en daarom steeds de leiding moesten hebben in gezin, boerderij, bedrijf, leger, ziekenhuis, klooster, kerk en staat, brokkelde af. De eerste feministische golf uit die tijd stuitte op fel verzet. Vrouwen die gezinsplanning, onderwijs en gezondheidszorg vroegen en later eísten, stonden aan veel persoonlijke gevaren bloot. Tegelijkertijd probeerden veel mannen het afbrokkelende beeld van “de” man te herstellen met snelle sporten (wielrennen, autoracen) en met krachtsporten, met een overdaad aan militair vertoon, ook gewoon op straat, en met bijvoorbeeld het cultiveren van mannelijke symbolen als het dragen van een snor, laarzen, roken van sigaren en nog meer.

Blom constateert een groeiende aandacht in die tijd voor zenuwziekten -toen neurasthenie genoemd- en de daaruit voortvloeiende opkomst van de psychiatrie (Freud) en van rust- en kuuroorden zoals beschreven door Thomas Mann in De Toverberg. Beide vormen van zorg waren uiteraard uitsluitend toegankelijk voor een kleine welvarende bovenlaag. (Een gewone werkman moest maar wennen aan stress en kon slechts naar de drank grijpen.) Blom verklaart de opkomst van deze zorg uit de toegenomen snelheid bij al het menselijk handelen die mensen zenuwachtig maken en die gezonde rust, aandacht en toewijding steeds meer onder druk zetten. Hij ziet het ook als een gevolg van de zojuist aangestipte crisis in de mannelijkheid.

Er zijn al meer studies verschenen over het verband van militairisme en het vieren van mannelijkheid. Het is me te gewaagd om het militaire tromgeroffel, bijvoorbeeld bij de opbouw van de Duitse en de Britse zeemachten in die jaren, bij de wederopbouw van het Franse leger en de latere oorlog zelf linea recta te verklaren uit een compensatie voor de teloorgang in heel Europa van de mannelijke glorie. Maar ik heb wel zo’n donkerbruin vermoeden dat het in allerlei landen op veel cruciale momenten de mannelijke eer en de wil om te heersen een niet geringe rol speelden. In die zin is de WOI wellicht te beschouwen als de laatste keer dat de heren van de aristocratie erin slaagde het voetvolk in Europa te mobiliseren en zich dood te vechten in loopgraven ter meerdere eer en glorie van vorsten, admiraals en generaals uit diezelfde (historisch achterhaalde) aloude bovenlaag.

Blom noemt nog een andere lijn die niet ongenoemd mag blijven. Hij ziet in deze jaren een bloei van allerlei levensbeschouwelijke stromingen die zich richten op eenvoud, natuur, intuïtie en emotie en nationale zuiverheid. Blom ziet dit als reactie op de voortgang van wetenschap en kennis en de toegenomen rationaliteit en efficiency in het maatschappelijke en economische verkeer. “Een zoektocht naar oude zekerheden was het gevolg, naar mystieke waarheden, een fascinatie met het onbewuste, een verheerlijking van geweld, spontane actie en oorlog, een angstig vertoon van mannelijkheid en viriele kracht.” (p.513) Er ontstond, tot in Rusland, iets als een contra-Verlichting, een restauratie van het irrationele en het metafysische, dat de meest uiteenlopende vormen aannam: militair nationalisme, theosofie, esoterie, weer oplaaiend antisemitisme, terug naar de natuur-bewegingen, bloed-en-bodem waanzin. De cultus van de redeloosheid, noemt Blom het. Dit is een krachtig stempel.

Het was een genot dit boek te lezen, ik waande me soms terug in die tijd. De aanpak van Blom werkt. En inderdaad, men had destijds wat meer zijn verstand moeten gebruiken.

Januari 2021

Over de autobiografie van Simeon Ten Holt

Simeon ten Holt uit Bergen (N-H) is een Nederlandse componist die een belangrijke rol speelde in de Nederlandse muziekwereld van de vorige eeuw. Hij werd bij het grote (?) publiek bekend met een avondvullend werk uit de jaren zeventig: Canto Ostinato.

In 2009 publiceert hij zijn autobiografie die ik onlangs las.

Ten Holt houdt jaren zijn dagboek bij, niet stelmatig elke dag maar toch zo frequent dat hij er voldoende materiaal in terug vindt om zijn geheugen aan te vullen en terugblikkend (bij publicatie is hij 86 jaar) een boek te schrijven over zijn leven.

Is het leven van deze componist de moeite waard er een boek aan te wijden? Het leven van een timmerman, een onderwijzeres of van wie dan ook is op zich de moeite waard voor een (auto)biografie. Of het resulterende boek steeds van waarde is hangt ervan af hoe het geschreven is. Een boeiend leven betekent nog geen boeiende (auto)biografie.  Ten Holt is een machtig interessante componist die naast het genoemde Canto veel meer werk geschreven heeft voor piano vooral en daarbij niet eenkennig was in de seriële (kortweg twaalftoons muziek) dan wel in de tonale muziek (meer “gewone” muziek gecentreerd rond een of enkele basis).

Ik was nieuwsgierig naar deze man en vooral naar hoe een componist leeft en (werk)contacten onderhoudt.

Ten Holt beschrijft zijn leven en kindertijd in Bergen, een kunstenaarsdorp. Wat opvalt is dat hij het bijzondere van zijn situatie dat er thuis een piano is, dat hij zich aan muziek kan wijden en pianoles krijgt van een min of meer vooraanstaand componist (Van Domselaer). Zijn ouders stammen uit welgestelde families, dat verklaart het een en ander. Vader was kunstschilder en bewoog zich in het artistieke wereldje van Bergen. Geen woord echter over dat dit een bijzondere situatie is voor een gezin tussen de twee wereldoorlogen. Hij maakt zich in zijn verdere leven ook nergens druk over zijn levensonderhoud, dat is een kunst op zich, althans hij schrijft er nergens over.

Als hij in 1942 in de oorlog naar Amsterdam verhuist is het volstrekt normaal dat hij over een (Bechstein) vleugel beschikt die naar boven gehesen moet worden en hij zich zijn levensonderhoud niet eens noemt als kwestie. Een weldoener uit Bergen blijkt hem financieel te ondersteunen.

Is zijn leven één langdurige en soms monomane dienst aan de muziek en dicteert dit zijn verknochtheid eraan zijn leven of leeft Ten Holt zijn leven en maakt hij daarin voornamelijk muziek, dat is de vraag die dit boek voortdurend oproept. Ik maak in deze bespreking enkele opmerkingen over deze vraag, niet over zijn muzikale ontwikkeling en componeertalenten.

Muziek lijkt hem heilig. En vrouwen. Hij ontmoet in Amsterdam Riet waarmee hij een heftige relatie begint, hij trouwt met haar in juli 1944 en zij krijgen in 1946 een kind, dochter Marijn. Hij gaat samen met zijn zus in 1949 naar Frankrijk om daar nieuwe ideeën op te doen voor zijn muziek. In zijn levensverhaal staat hij uitgebreid stil bij de artistieke (muzikale) overwegingen om naar Parijs te gaan, namelijk om nieuwe inspiratie op te doen en andere vakgenoten te ontmoeten, maar besteed hij geen woord aan het plotse opbreken van zijn huwelijk en laten zitten van Riet en dochter. Contacten en relaties zijn ondergeschikt aan zijn muzikale missie. Onbegrijpelijk voor mij als lezer, totdat ik wat verderop merk dat zijn liefdesleven in combinatie met zijn muzikale ontwikkeling voortdurend het wisselen van partners met zich meebrengt. In zijn hele leven heeft hij een stuk of zes betekenisvolle relaties met vrouwen die opbloeien en vervolgens uitdoven. Zijn componeren en muzikale praktijk heeft minstens zoveel periodes waarin steeds de samenwerking met een persoon, of werk aan een groot stuk centraal staat. Zo verlaat hij begin jaren zeventig de seriële aanpak, en gaat terug naar de tonaliteit. Korte tijd later besteed hij jaren veel tijd aan de elektronische muziek op het Utrechtse instituut voor Sonologie. Dan weer staat een tijdje het werk aan Canto Ostinato centraal. En steeds opnieuw blijft het kunstenaarsdorp Bergen de plek waar hij terug keert en zich thuis voelt. Hij laat daar op zeker moment een gebouwtje opknappen en herinrichten dat hij de naam ‘de bunker’ geeft en waarin hij in afzondering kan werken en leven.

Soms schrijft hij daarbij hoe hij werkt aan een stuk. Zeer frappant vond ik te lezen dat volgens Ten Holt een muziekstuk zijn eigen wetten en structuur en bijzondere details kent en dat de componist een dienaar is die ze blootlegt en opschrijft.

Bij het ouder worden groeit bij hem het belang van contacten onderhouden met vrienden, met pianisten die zijn werk vertolken, broers en zus en dorpsgenoten van Bergen. Steeds vaker moet hij melden dat iemand doodziek is en sterft. Tegelijkertijd begint het werk aan zijn autobiografie, zo lijkt mij, méér van hem te vragen dan hij waar kan maken: steeds meer worden hele stukken uit zijn dagboeken een op een in zijn autobiografie opgenomen en verliest het boek daarmee voor mij zijn aantrekkelijkheid. In een autobiografie heb je de kans terug te blikken op je leven en opnieuw te verwoorden wat zekere gebeurtenissen voor betekenis hebben gehad. Met het opnemen van dagboeknotities stijg je niet uit boven de gedachten die je op dat moment verwoordde en ontbreekt het contemplatieve weegmoment achteraf.

Al met al is deze autobiografie een gemiste kans om datgene wat de componist dreef, boeide en verder bracht te overdenken en lezers daarin te laten delen.

John Heymans heeft in 2019 een biografie over Ten Holt gepubliceerd, Arabesk (Uitgeverij IJzer), misschien dat dat boek meer begrip opent naar leven en werk van Simeon ten Holt.

Simeon ten Holt, Het woud en de Citadel, Balans, Amsterdam, 2009.