Maandelijks archief: november 2020

Bespreking van Liesbeth Koenen, Het vermogen te verlangen

Liesbeth Koenen, Het vermogen te verlangen [9 letters], Gesprekken over taal en het menselijk brein, Amsterdam, 4e druk 1998.

Onlangs las ik in de krant de necrologie van Liesbeth Koenen die dit jaar (2020) in augustus op 62-jarige leeftijd overleed. Liesbeth Koenen was een journalist die uitsluitend over taal, taalkunde en hersenonderzoek schreef. In de aanstekelijke necrologie – Koenen werd beschreven als iemand die enthousiast op allerlei manieren met taal bezig was – werd deze verzameling interviews genoemd. Ik besloot het boek te lezen en heb daar geen spijt van.

Ik ben een warm voorstander van het correct gebruik van de Nederlandse taal. Praktische taalkwesties als hoe spel ik een niet alledaags samengesteld woord, hoe vind ik, ik word ouder, tijdig in een gesprek een naam of een woord, is tweetaligheid moeilijk te verwerven, hoe schrijf ik een zin met drie bijzinnen zo helder mogelijk op, enz. enz. zijn vragen die mij nogal eens bezighouden.

Enkele interviews waren stevige kost voor een niet-taalkundige, maar over het algemeen was het zeer prettig om met al deze kanten van de taal en de taalkunde op deze manier kennis te maken. Ik geef hier een selectief overzicht met enkele krenten uit de pap van Koenen.

Om te beginnen is de titel een cryptogram-opgave. Koenen opent het boek met een uitgebreid gesprek met de grootvader van de moderne taalkunde Noam Chomsky die met de generatieve grammatica de taalkunde in feite opnieuw definieerde en de basis legde voor een nieuw uitgebreid onderzoeksprogramma. De generatieve grammatica zoekt naar de regelmatigheden en structuur van de taal en bracht het vermoeden ter tafel dat de structuur van allerlei talen veel overeenkomsten vertoont en dat mensen het begrip en aanleren daarvan bij de geboorte meekrijgen.

Koenen spreekt met twee onderzoekers van het Max Planck Instituut over afasie, het niet aangeboren onvermogen om te praten, meestal ontstaan als gevolg van hersenschade. Deze onderzoekers ontwikkelden een test waarmee een herstelprogramma gemaakt kon worden. Wonder boven wonder blijkt deze test prima te vertalen naar andere talen. Een heel ander gesprek voerde zij met de Amerikaanse hoogleraar Gleitman, die onderzoek deed naar de taalverwerving van kinderen. Er is veel reden aan te nemen dat de taligheid van het gezin waarin iemand opgroeit van minder belang is dan het erfelijke taalvermogen. Dit aangeboren taalvermogen blijkt ook bij de ontwikkeling van zogeheten creooltalen, talen die ontstaan wanneer twee groepen mensen met elk hun taal in een nieuwe gemeenschap elkaar ontmoeten. Ouderen en jongeren in die nieuwe gemeenschappen spreken na verloop van tijd een nieuwe “mengelmoestaal”. Ouderen blijven daarbij steken in eenvoudige zinnen. Kinderen in die gemeenschappen ontwikkelen nieuwe woorden en nieuwe grammatica.

Koenen is eveneens erg geïnteresseerd in gebarentalen en heeft daar ook over gepubliceerd. Hier in dit boek komt in een gesprek o.a. een experiment ter sprake waarin aangetoond werd dat kinderen van 5 à 6 jaar die doof zijn en gebarentaal spreken al haarfijn het onderscheid weten tussen kijken en zien. En dan is er nog voor niet-doven het opmerkelijke verschijnsel dat gebarentalen in elk land anders zijn. Er zijn enkele gesprekken over hersenonderzoeken (waar zit taal, waar zit gevoel, waar muziek?), over taal en intelligentie, over de vraag of je kunt denken zonder taal, over samengestelde woorden, over talen waarbij de toon waarop je iets zegt de betekenis bepaalt. Voor iemand met interesse in dit soort zaken, is dit een heerlijk boek.

En dan heb ik het nog niet eens gehad over het gesprek met J.B. Drewes die na twaalf jaar monnikkenwerk een nieuwe uitgave van “De Grote Koenen” voorbereidde en nog mocht mee maken dat het verscheen. Een meer eigengereide man is niet makkelijk te vinden, een meer geduldige echtgenote, al helemaal niet. Maar het woordenboek voor hedendaags Nederlands mag er zijn. Er zijn ook zeer vermakelijke gesprekken met Hugo Brandt Corstius, die van de Opperlandse letterkunde, met Paardekooper over zijn opmerkelijke visie op spelling en grammatica en die zich kwaad maakt over de vele Engelse woorden (“moedertaalmasochisme’) , met Reinhold Aman, de Amerikaanse uitgever van een periodiek over scheldwoorden en vuilbekkerij in allerlei talen – Maledicta. Aman legt uit dat in alle culturen gevuilbekt wordt en dat het overal met name gaat om schelden op basis van godsdienst, familie en lichaamsfuncties. Als laatste noem ik de gesprekken met dr. Verschuyl over cryptogrammatica, zeer instructief o.a. over soorten cryptogrammen en het gesprek met Gerrit Komrij over zijn vertaling van Old Possum’s Book of Practical Cats van T. S. Eliot dat Komrij in 1985 vertaalde tot Kobus Kruls Parmantige Kattenboek, waarna hij de op hetzelfde boek gebaseerde musical Cats ook vertaalde met prachtige vondsten als Spikkelpikkelmies voor Jennyanydots en Snauwtijger voor Growltiger. Volgens Komrij wordt het vertaalwerk sterk ondergewaardeerd.

Commentaar op dit boek? Het zou Liesbeth Koenen en de uitgever erg gesierd hebben als ze de moeite hadden genomen om de plek (medium) en datum van eerste publicatie bij alle interviews te vermelden. Vooral de gesprekken over vorderingen in het taalkundig onderzoek zijn dan beter op hun waarde te schatten.

Het lezen van dit boek is gevolgd door de aanschaf, zoals bij mij wel vaker gebeurt, niet van één, maar zelfs van drie andere boeken. De Grote Koenen (voor zover ik weet geen familie, maar wel ook uit Limburg), een dik woordenboek voor “eigentijds Nederlands” (uit 1986) heerlijk om te hebben. Ook schafte ik een ander boek van Liesbeth Koenen aan, samen met Rik Smits gemaakt: hun Handboek Nederlands (uit 2004). Dit laatste boek staat vol handige, soms verouderde, aanwijzingen voor het gebruik van de taal. Eén voorbeeld: Koenen en Smits maken gewag van een voor mij taalkundige nog onbekende zinsvorm: de snauwende wijs. In deze wijs is de zin vaak onvolledig en wordt een voltooid deelwoord of heel werkwoord gebruikt. Bijv.: Ingerukt, mars! En: Remmen! Leuk en handig dit handboek. Ten slotte heb ik ook Komrij’s vertaling van het kattenboek van Eliot aangeschaft. Alle drie de pareltjes zijn voor een habbekrats op boekwinkeltjes.nl te vinden. Maar zo kom ik natuurlijk nooit door mijn leeslijst heen.

(november 2020)

Het Griftpark

Het Griftpark bestaat in haar huidige vorm zo’n twintig jaar. Ik ga er eens kijken hoe het bezocht en gebruikt wordt en wat er zoal gebeurt.

Het is een zondagmiddag een rustige herfstdag in de coronadagen van 2020. De zon is bij vlagen flauwtjes aanwezig, de wind waait zwak.

Ik zit op een bankje tegenover een plas. Meerkoeten en meeuwen komen dichterbij nadat ik ga zitten, vermoedelijk in de hoop wat eten te snaaien. Enkele bankjes zijn bezet. In de kinderboerderij is er volop leven. Kinderen geven de beesten eten en aaien de schapen. Oudere stellen maken hun rustige zondag­middag wandeling. Hardlopers rennen voorbij in duo’s rustig kletsend of alleen in een behoorlijk tempo. Jonge ouders met hun kinderen lopen voorbij; kleine dreumesen rennen en struikelen vooruit op hun ouders met kinderwagen.

Ook eenlingen lopen hier, soms stil maar sommigen voeren uitgebreide gesprekken via hun oortjes met iemand elders. Groepjes van acht of tien mensen zie ik niet, de sociale hygiëneregels worden nageleefd. Mensen leven in hun eigen cocon en maken geen contact met anderen.

Een stel dat mij niettemin aanspreekt en goedendag zegt is een welkome uitzondering. Het Griftpark is blijkbaar de afgelopen twintig jaar uitgegroeid tot een ontmoetingsplaats voor wandelaars, sporters, tieners, gezinnen en jonge skaters. Er is horeca (nu gesloten op behalve een afhaalloket). Aan de vele nog niet uitgegroeide bomen kun je zien dat het park nog jong is.

Iedereen vindt er iets van zijn gading: individuele wandelaars tijdens hun middagpauze, fitnessclubjes, natuurvrienden die op het wilde gedeelte afkomen, jongelui die hun kunsten laten zien op een grote skatebaan.

Het Griftpark is een park in de stad Utrecht gelegen in de wijk Noordoost en aan de straten Blauwkapelseweg en Kleine Singel. Het Griftpark is gelegen tussen de Vogelenbuurt, Tuinwijk en Wittevrouwen, op de plek waar sinds 1860 de Gemeentelijke Gasfabriek en sinds 1876 de Vaalt (verzamelplek van huisafval, fk) was. In 1960 werd de gasfabriek gesloten en gesloopt. Het terrein was echter sterk verontreinigd geraakt. Het park kreeg daarom in Utrecht de bijnaam Gifpark. Tussen 1993 en 2002 werd de bodem in het gebied gesaneerd, waarna het opnieuw werd ingericht als stadspark. De verontreinigde grond is als het ware ingepakt waardoor het gif geen schade meer kan aanrichten.

In januari 2008 werd bekend dat er in de vervuilde grond een bacterie gevonden is die zich voedt met de vervuiling. Men schat dat het nog 30 tot 40 jaar gaat duren voordat op deze manier alle grond gereinigd zal zijn. Vanaf mei 2019 worden boringen in het park uitgevoerd om te onderzoeken hoe het staat met de natuurlijke afbraak door deze bacterie.

Foto: P. Brasse, HCCNet

In het park bevindt zich een skatebaan die grote populariteit geniet. Net als de voetbalkooi, veelal gebruikt door studenten. Verder zijn er in het park o.a. een kinderboerderij en een restaurant. Door het park loopt het stroompje de Biltsche Grift waar het park zijn naam aan dankt.[1]

Een gezin loopt langs druk delibererend over het eten van vanavond. Een man met loslopende hond, die eigenlijk aangelijnd moet zijn, komt langs. In de tegenoverliggende richting nadert een man die zijn hondje draagt, er misschien niet op vertrouwend dat zijn hondje door de andere met rust zal worden gelaten. Wat verder, op  een bank, zitten twee oudere vrouwen met een rollator zachtjes met elkaar te praten, af en toe een blik werpend op een jong stel dat dicht tegen elkaar op een andere bank zit. Plots wordt de relatieve rust door geschreeuw van de vogels verstoord wanneer een man een zak brood komt versnipperen. De meerkoeten zijn erg efficiënt in het benaderen van de gulle gever en vooraan te staan bij het uitdelen.

Een stel komt naast me op een andere bank zitten en begint een gesprek over het park. Geboren in Wittevrouwen hebben ze vroeger op het terrein van de gasfabriek en bij de vaalt veel gespeeld. Enthousiast vertellen ze over de tijd dat ze hier nog onbewaakt en onbespied door ouders en andere volwassenen allerlei kattenkwaad konden uithalen. Buitenspelen was avonturen beleven.

Een hardloper met weinig looptechniek sjokt voorbij. Stellen wandelen voorbij en praten zachtjes wanneer ze mij passeren.

Een ouder stel komt stevig gearmd voorbij, maken hun zondagse wandeling en maken ook een praatje. De groepjes wandelaars worden groter, drie – vier mensen, het wordt ook drukker. Naarmate het aantal mensen toeneemt, lijken de vogels zich terug te trekken. Kinderen ruziën over een stuk speculaas wordt en of eerst de speeltuin of eerst de kinderboerderij bezocht wordt. Twee stellen die hier uit de buurt komen kennen elkaar blijkbaar en maken een praatje op afstand. Als er nog een stel in de kring aansluit maakt iemand de opmerking dat het op een samenscholing begint te lijken.

Intussen hebben de meerkoeten en de meeuwen gezelschap gekregen van twee bruine ganzen en twee zwarte aalscholvers. Vooral de aalscholvers doen heel druk in het water. Wanneer er een kind verschijnt met ongepelde pinda’s is de schare vogels onmiddellijk weer volop terug. Een oude man, met mondpakje en wandelstok met messing knop zit nu op het bankje naast me en bekijkt het tafereel van de vogels met belangstelling.

Even verderop spelen jongens vooral, ik zie weinig meiden, met stepjes en skates op de skatebaan. De sprongen omhoog uit de betonnen kom zijn hoog en spectaculair. Het grasveld voor de betonnen kom is drassig. De bewoners van de blauwe flat erachter hebben voortdurend uitzicht op dit speelse gebeuren. Of ze er blij mee zijn is de vraag. ’s Avonds zullen er ook jongelui met muziekdragers te horen zijn en deze gaan meestal niet bijtijds naar bed. Even later zie ik een geel bordje staan waarop gemeld wordt dat na 22.00 u en voor 6.00 u het park verboden terrein is.

Wat later loop ik door het minder aangeharkte (“natuurlijke”) deel en zie ik op momenten de grote ijzeren beeldengroep van Thomas Schütte her en der boven de begroeiing uitsteken.

Als ik een dag later terugkom schijnt de zon volop maar is het veel stiller. De kinderboerderij en de speeltuin zijn gesloten. Het is maandag, kinderen zijn naar school. Bezoekers zijn wandelaars die een hond uitlaten of een ommetje maken tijdens werkpauze. Zij die alleen lopen voeren vrijwel allemaal een gesprek via hun telefoon. Een persoon is hoorbaar aan het onderhandelen over een opdracht. De vogels lijken te weten dat ze van de bezoekers van vandaag niets te verwachten hebben en komen niet dichterbij om te bedelen. Het stil, alleen het geschreeuw van de meeuwen en het gedruis van het verkeer op de Blauwkapelseweg zijn hoorbaar. En intussen genieten enkele bezoekers op een bankje van de aangename herfstzon.

De bovengrondse rust heeft haar tegendeel onder de grond. Daar werken miljoenen bacteriën met z’n allen de bodemvervuiling weg die de gasfabriek en de Vaalt hier in vroeger tijden achter lieten.

(november 2020)


[1] Bron: Wikipedia

Gagelhof en omgeving

Het is niet druk, zo midden op de dag een mooie mei dag, bij het winkelcentrum De Gagelhof. In zomerse kledij, zonder jas, lopen mannen en vrouwen, veelal van middelbare leeftijd of ouder naar een van de winkels, waarvan de supermarkt van Dirk de meest bezochte is. Het is Coronatijd, ik zie geen groepjes mensen, wel eenlingen, soms fietsend over het pleintje. De mobiele Halal fastfoodzaak doet goede zaken, de merendeel jonge klanten staan in een (korte) rij en houden netjes afstand. De klandizie oogt als met een migratieachtergrond. Geregeld komen klanten in hun auto aan, parkeren op de parkeerplaats en stappen op een winkel af. Een enkel busje van een leverancier parkeert en laat bij het uitladen de motor doorlopen.

Een groepje basisschoolkinderen wacht met een drietal begeleiders op.., ja waarop? Wie weet zie ik dat zo dadelijk.

De Gagelhof is een winkelcentrum die bestaat uit een twaalftal winkelpanden die in een boog gepositioneerd zijn op de hoek van een kruispunt. De winkels -een tabakszaak, een restaurant, een huisartsenpraktijk, een bakkerij, een groentezaak en een supermarkt – zijn de begane grond van een in een ronde bocht opgetrokken woonflat met nog vier woonlagen. De nog frisse rood-oranje kleur van de bakstenen gevel doet vermoeden dat het gebouw rond de twintig jaar oud is. De flatwoningen hebben alle een balkon, waarvan sommige zijn versierd met bloembakken of vlaggetjes. Zonder dat ik het merkte is het groepje basisschoolkinderen intussen verdwenen.

De Oranjerivierdreef die op dit plein uitkomt kent eveneens nog een rij winkels: waaronder een kapper, belwinkel, zonnebank. Ook in dit straatje is er weinig publiek. Verkeer is niet-doorgaand maar gaat of komt naar een woning of winkel in de straat.

Op het plein staan een tiental boompjes met fijn getande lichtgroene blaadjes die het frisse lente-uiterlijk nog niet kwijt zijn. De boompjes geven het plein kleur gaat het plein de komende jaren steeds meer overschaduwen, zo is mijn verwachting. Tussen de bomen staan twee straatlantaarns die met een geel-glazige kap zijn uitgerust, een Ikea-schemerlamp in het groot.

De tabakszaak doet aan branchevervaging, zoals dat in de schoolboekjes heet: men verkoopt van allerlei, er staan een tiental boodschappenwagentjes in vele kleuren buiten op hun koper te wachten. Het plein word rustiger en stiller naarmate het middaguur verder achter ons ligt. Over blijven vooral de dertig tot vijftig holenduiven die hier ook hun domicilie hebben. Aan het gedrag van het schaarse publiek is niets te zien van enige coronagedrag, naast de al genoemde rij bij de fastfood. Slechts een enkele draagt een mondkapje.

In het aangrenzende Gagelpark is het stil er is weinig volk dat een wandeling neemt, aan het sporten is of luiert in de zon. Het park wordt slechts door een enkele voorbijganger doorkruist. Bij een sportveldje is twee volwassenen met enkele kinderen een spel een spel met houten stokblokjes aan het spelen. Met de blokjes gooit men naar blokjes van de tegenstanders die enkele meters verderop staan.

De prachtige loofbomen van het Gagelpark ruisen in de wind en overstemmen mijn tinnitus.

Over Geert Buelens, De jaren zestig, een cultuurgeschiedenis, Amsterdam 2018

Wie kent nog Patrice Lumumba? Oscar Niemeyer? Oswalt Kolle? Benno Ohnesorg? Mijn geheugen is niet verdwenen, op bijna elke bladzijde van dit boek licht een ledlampje van herkenning even op in mijn hoofd.

Bij verschijning van dit boek, ruim twee jaar terug, was me dit werk niet opgevallen tussen de aankondigingen en recensies. Vriend Harrie vond deze zomer (2020) dat ik dit moest lezen, “echt een boek voor jou”. En enkele dagen later begon ik aan dit grote werk. Dit 1024 tellende boekwerk, waarvan zo’n 200 bladzijden in beslaggenomen wordt door noten, literatuur en index, is imposant te noemen.

Je moet ook heel wat lef hebben om het aan te durven om het zevende decennium van de vorige eeuw omvattend vanuit “cultureel” gezichtspunt te beschrijven. Buelens heeft zich in de afbakening van zijn onderwerp zowel beperkt maar ook een breedhoeklens gehanteerd. Hij heeft zich beperkt tot de cultuuruitingen van onze wereld: film, muziek, literatuur, bouwkunst. Hij heeft daarbij cultuur niet alleen begrepen als de “hoge” kunsten (literatuur, podiumkunsten, beeldende kunsten, architectuur e.d.) maar ook de meer gewone als amusements- en dansmuziek, strips, geloof, de maatschappelijke positie van zwarten en vrouwen, en ook de verhouding van inwoners of burgers met hun overheid en wetgeving en andersom. Zijn breedhoeklens is daarbij niet alleen gericht op het eigen West-Europa (Buelens is een Vlaming) en het ook toen alom aanwezige Noord-Amerika. Zeer geregeld schrijft hij paragrafen over gebeurtenissen en ontwikkelingen in Latijns-Amerika, Afrika, Azië en Oost-Europa.

1 Affiche van een voorlichtingsfilm van Oswalt Kolle

Hoe heeft hij zijn boek samengesteld? Hij behandelt respectievelijk elk jaar van dat decennium in een apart hoofdstuk en presenteert deze, wellicht voor de hand liggend, op chronologische volgorde. Daartussendoor weeft hij thematische hoofdstukken die elk één onderwerp behandelt voor het gehele tiental jaren. Het gaat om thema’s als verleden, werk, wonen, geloof, spel, kennis, liefde, geweld e.a. en eindigt met toekomst

Hoe heb ik het gelezen? Ik heb ruim vijf weken over het boek gedaan, elke dag enkele paragrafen. Bij nogal wat kwesties die voorbijkwamen heb ik op Wikipedia nadere informatie geraadpleegd en muziekstukken die hij noemde en die ik niet kende, beluisterd en beschrijvingen van films opgezocht. Her en der plaatst hij lijstjes van tien items, die ik ook steevast wat langer aankeek. Het gaat om lijstjes als: 10 films uit 1963, 10 liedjes of tophits uit 1967, 10 jazzplaten van buiten Amerika, enz. enz. Die lijstjes waren een erg leuke geheugenopfrisser.

Bij aanvang van het lezen heb ik me afgevraagd wat er in de jaren zestig begonnen is, wat er in dat decennium eenmalig gebeurde en wat er in de jaren zestig eindigde of wat er sinds die jaren verdwenen is.

2 Mijn eerste lp

Ik was ruim zeven jaar toen deze jaren begonnen, zat in de tweede klas van de lagere school en kreeg ook toen al behoorlijk veel mee van wat er in de wereld gebeurde. Ons gezin had een abonnement op een dagblad[1] en die las ik steeds meer naarmate de jaren verstreken. Het besef van ons eigen land[2] en de grotere wereld werd snel versterkt sinds we sinds 1962 of ’63 een televisie hadden. Het NTS-journaal zag ik dagelijks. Zo maakte ik kennis met Amerika, de rakettencrisis rondom Cuba, Chroesjtsjov, de moord op Kennedy en de burgerrechtenbeweging. In Noord-Holland kon je verder heel goed piratenzender Veronica ontvangen (op MW 192 m) en hiermee kwam de popmuziek onze huiskamer binnen.

Met een dergelijke jeugd biedt het boek van Buelens een rijk panorama van beelden, omhoog kruipende herinneringen en “oh ja” – ervaringen, die veel meer omvatten dan het roerige jaar 1968. De jaren zestig waren voor mij het begin van een spannend leven: wat zou er allemaal nog gaan gebeuren? Een basisgevoel was: ik ben blij dat ik van na de oorlog ben en de wereld staat niet stil: het is spannend want veel ontwikkelingen en vernieuwingen gebeurden in hoog tempo.

Zoals gezegd heeft Buelens een brede blik op de wereld in zijn boek. Hij besteed aandacht aan de dekolonisatie van Afrika, de koude oorlog, de groeiende welvaart, de oorlog in Indo-China die in feite geen Aziatische maar westerse oorlog in Azië was en die de Weathermen[3] in Amerika eind jaren zestig (in hun woorden) thuisbrachten en niet in de laatste plaats aan de alom aanwezige westerse dictaturen en autoritaire regentenbestuurders in eigen land. De jaren zestig was het begin van democratisering, van ontmaskering van holle retoriek, van rituelen zonder actuele betekenis en van allerlei zoektochten naar authenticiteit en zeggenschap over je eigen leven.

Naast de caleidoscoop van gebeurtenissen, evenementen, mijlpalen en ontwikkelingen van allerlei aard maakt Buelens her en der verrassende opmerkingen die betrekking hebben op langer lopende ontwikkelingen dan alleen één decennium en mijn geheugen van een bepaalde tijd of gebeurtenis, totaal omdraaien.

3 Duke Ellington treedt op tijdens het eerste mondiale “negritude”- evenement in Dakar, Senegal, 1966

De eerste hiervan is: “Kennedy’s minister van Buitenlandse Zaken Dean Rusk mocht dan nog in 1961 gesteld hebben dat de Noord-Amerikaanse regering zich geconfronteerd zag met ‘het historische probleem tot een min of meer redelijke verstandhouding met de niet-witte wereld te komen’, het is een van de drama’s van de jaren zestig dat zij en haar opvolgers daarin niet of nauwelijks zijn geslaagd.” (p. 311). Vijftig jaar later weten we dat een oplossing voor dit vraagstuk na vele oorlogen en terroristisch geweld nog steeds even actueel is. De mondiale dekolonisatie én de “binnenlandse dekolonisatie” van zwarten en kleurlingen is nog volop aan de gang.

En dit is er nog een: “Er was in de zomer van 1965 in New York iets onvergetelijks gebeurd – dagelijks hadden trucks dichters, jazzmuzikanten, acteurs en een reizende tentoonstelling naar de parken en speelpleinen van Harlem gebracht -, het initiatief kreeg snel navolging elders in het land. In steden als Detroit, Chicago, San Francisco, Oakland, New Orleans en Miami kwam de zogenaamde Black Arts Movement pas echt tot bloei. De Amerikaanse cultuur zou er blijvend door veranderen. Zwarte artiesten ontwierpen een radicaal en stimulerend alternatief voor de liberale, zogenaamd autonome kunst en literatuur die in de Verenigde Staten ..(..)..de norm waren geworden. Kunst – ook op het eerste gezicht misschien complexe, veeleisende literatuur en muziek – kon met, voor en door lokale gemeenschappen worden gemaakt, geadopteerd en uitgedragen.” (p. 402)

Wat niet onvermeld mag blijven is dat in vrijwel alle landen waar jongeren, zwarten, vredesactivisten, vrouwen, studenten e.a. van zich lieten horen, van meet af ook een tegenbeweging is opgestaan. In Parijs vonden demonstraties plaats als steun aan De Gaulle, de Silent Majority, waaronder ook veel studenten, liet veel van zich horen in de VS en bracht uiteindelijk ook Nixon in 1968 in het Witte Huis. Er waren straatgevechten in Ankara tussen rechtse en linkse betogers. In ons land ontstond de Boerenpartij en later ook DS ’70 een NATO-getrouwe afsplitsing van de PvdA, voor wie de koers van de PvdA te links was. Generaals namen of hadden nog steeds de macht in (Brazilië, Griekenland, Pakistan, Indonesia e.a.). Misschien heeft de tegenbeweging in die jaren wel de electorale basis gelegd voor het huidige rechts-populisme.

4 Indonesia: De coup van het leger o.l.v. Suharto, 1966 (Wikipedia)

In literatuur en films kwamen over de gehele wereld de zoektocht naar echtheid in menselijke verhoudingen in botsing met bestaande tradities, rituelen en taboes. Veel films over liefde en over macht van bekende en onbekende regisseurs als Paulo Pasolini, Stanley Kubrick, Ingmar Bergman, Toshio Matsumoto, Jean-Luc Godard, Milos Forman, Dusan Makavejev e.v.a. hadden dit als thema. Ook seksualiteit en homo’s kwamen in beeld.

Er verschenen vele boeken van schrijvers, te veel om op te noemen – ik noem slechts Philip Roth, Carson McCullers, Heinrich Böll, James Baldwin, Junichiro Tanazaki, Pramoedya Ananta Toer, Wislawa Szymborska, Hugo Claus, Aleksandr Solzjenitsyn, V.S. Naipaul en Anna Blaman – die op zeer verschillende manieren getuigden van openheid en gebrek aan ontzag voor heilige -ook dictatoriale – huisjes. De literatuur getuigde zo van het besef dat ons leven en onze wereld van ons was en dat ook behoorde te zijn. Later brak pas het besef door dat we ons hebben te verantwoorden naar onze kinderen en kleinkinderen.

De acties in de jaren zestig werden door grote groepen mensen als oorzaak gezien van de verstoring van de harmonie en stabiliteit van de jaren vijftig. Buelens maakt daar korte metten mee. Deze beschuldiging is “..niet helemaal uit de lucht gegrepen. De bestaande orde werd inderdaad overhoopgehaald. Op nagenoeg alle vlakken werd aangetoond dat de door velen zo gekoesterde harmonie gebouwd was op een grote leugen. De onafhankelijkheidsgolf in Afrika maakte een eind aan de flagrante uitbuiting van een groot deel van de wereldbevolking door een kleine witte minderheid. Het feminisme legde bloot hoezeer vrouwen de tol betaalden voor veel mannelijk gemak. De Burgerrechten­beweging deed hetzelfde voor het niet-witte deel van de Verenigde Staten. Kort gezegd: voor al deze tweede- en derderangsburgers van de wereld bewezen de jaren zestig hoezeer die (naoorlogse, fk) stabiliteit het gevolg was van discriminatie en onderdrukking. De breuklijnen waren er dus altijd geweest, maar nu werden ze volop blootgelegd.” (p.588)

De Black Panthers protesteren niet alleen tegen de segregatie en onderdrukking van de zwarte bevolking. Op enkele plekken (o.a. Boston en Oakland) ontwikkelden zij educatie programma’s voor kansarmen waarin de zwarte en Afrikaanse geschiedenis, kunst en cultuur centraal stonden in het onderwijs dat zij verzorgden. (p. 636)

In het statige Museum of Modern Art in New York vonden eind jaren zestig twee geruchtmakende tentoonstellingen plaatst, één over niet-westerse “primitieve” (sic) kunst, de eerste in MOMA’s geschiedenis, en een documentaire tentoonstelling over Harlem waarin de zwarte bevolking en haar cultuuruitingen centraal stonden. In de jaren zeventig werden deze twee gevolgd door meerdere tentoonstellingen waarin de Afro-Amerikaanse cultuur centraal stond.

Op wereldtentoonstellingen opende de presentatie van nieuwe technieken veelbelovende vergezichten. Ruimtevaart en computers beloofden een ontwikkeling naar welvaart en minder werken voor iedereen. In de architectuur werd bijvoorbeeld overal ter wereld geëxperimenteerd met nieuwe vormen van stedenbouw en stadsvernieuwing. Met nieuwe technieken werden oude binnensteden vernieuwd op een manier waarin steeds vaker bleek dat de menselijke maat zoek was en kapitaal van vastgoedondernemers de toon zetten. Eerst in de tweede helft vaan de jaren zestig drong het besef door dat behoud van overgeleverde stedelijke structuren bij door de overheid gestuurde stadsvernieuwing meer garantie boden voor wonen op menselijke maat: stedelijke vervreemding én woningnood moesten beide aangepakt worden. Betaalbare grootscheepse nieuwbouw en volkshuisvesting en tegelijkertijd de immense groei overal ter wereld van sociaal eenzijdig samengestelde voorsteden en sloppenwijken bleven ook in de decennia daarna een grote uitdaging.

5 Hoofdstad Brasilia gebouwd volgens nieuwe architectonische ideeën

Een van de lijstjes van Buelens betreft het aantal verstoorde culturele evenementen, festivals en tentoonstellingen, waaronder de Buchmesse Frankfurt, de Triënnale van Milaan en in Nederland o.a. de Notenkrakersactie in 1969 in het Concertgebouw en de aktie Tomaat van toneelschoolstudenten tijdens een toneelvoorstelling in datzelfde jaar.

In China was een niet eerder vertoonde massale beweging gaande van jongeren, aangespoord door Mao (die hen gebruikte om tegenstanders uit te schakelen) waarbij vrijwel alle bestaande cultuuruitingen en vooral ook hun vertegenwoordigers en dragers het moesten ontgelden. Er is veel kostbaar cultuurgoed vernield en de schattingen van het aantal menselijke slachtoffers beloopt tussen de 1,7 en 8 miljoen[4].

Gevangenissen in Zuid-Afrika, de VS, Turkije, Griekenland, Brazilië, Mexico, Indonesia, Zuid-Rhodesia, India, Pakistan, Taiwan, de Sovjet Unie, China e.a. zaten vol met mensen die hun bestaan op het spel zetten voor het vrije woord en democratisering. In de Sovjet-Unie en China weden deze gevangenissen nog aangevuld met barre heropvoedingskampen. De jaren zestig zijn zowel de jaren van de roep om authenticiteit en democratisering maar ook van terreur en extreem veel geweld.

Tijdens de zomer van 1967 was er niet alleen de Vietnam-oorlog en de Zesdaagse oorlog in het Midden-Oosten, maar was het ook oorlog om burgerrechten en tegen armoede in “niet minder dan 159 steden van de Verenigde Staten. Vooral de dagenlange plunderingen, brandstichtingen en vuurgevechten in juli in Newark, en Detroit …(..)… meer dan zeventig dodelijke slachtoffers, binnensteden die eruit zagen als gebombardeerde oorlogzones, alleen al in Detroit meer dan 2500 verwoeste winkels, vele duizenden gearresteerden die vaak te arm waren om de borgsom te betalen..(..)..het ergste geweld sinds de Burgeroorlog”. En toch heette de zomer van 1967 The Summer of Love (p. 568).

Buelens documenteert de jaren zestig van de twintigste eeuw op veel verschillende manieren, met veel wetenswaardigheden en gebeurtenissen van over de gehele wereld. Het boek is zeer lezenswaardig want het geeft een veelzijdig, niet eenduidig beeld van een roerig decennium. Het is ook leuk om te lezen: het is alsof je uren bladert door tien jaar krantenkoppen, waarvan de herinnering onder een dikke laag stof ligt. Veel beelden kwamen terug bij het lezen, ook veel namen.

Bij het schrijven over dit boek maakte ik keuzes bij het noemen van voorbeelden en ontwikkelingen die deze veelzijdigheid onderstrepen en laat honderd keer zoveel onderwerpen ongenoemd. Wat is er begonnen in dat decennium, wat is nieuw aan deze jaren?

Op de eerste plaats zijn burgers, waar ter wereld minder gezagsgetrouw, minder als vanzelfsprekend gehoorzaam aan gezag en komen steeds meer burgers overal ter wereld op voor hun burgerrechten. Daarnaast is in een groeiend aantal landen de positie van vrouwen in de samenleving sterk verbeterd. De achterstandssituaties van etnische minderheden en hun strijd is sinds die tijd beter zichtbaar, komt meer in de publiciteit. Niemand kan het nog ontgaan dat minderheden strijden voor hun emancipatie, hun onderdrukking, de etnische maatschappelijke scheidslijnen, helaas ook in Afrika, en de nog steeds voorkomende etnische zuiveringen, zijn zichtbaar en worden opgemerkt.

Ik denk dat de muziekindustrie in die jaren massaconsumptie is geworden, ook films (in bioscopen) werden veel meer bekeken dan in de jaren daarvoor.

Daarnaast heeft de televisie, in Europa eerst alleen via nationale omroepen, zich een grote plaats veroverd in ons dagelijks leven en kon de amusementsindustrie met Engels als voertaal een uniformerende rol spelen in datgene wat steeds meer wereldwijd thuis bekeken werd.

Zo kon ook sport als (commercieel) kijkplezier, sport als vermaak een tot enorme hoogten komen. Van de NBA-finale tot de schaatswedstrijden: allemaal op de tv. De Olympische Spelen van Mexico waren de eerste die massaal in kleur en rechtstreeks te zien over de gehele wereld. De clip die de Beatles maakten van “All you need is Love” is wereldwijd in première door de tv uitgezonden. De televisie veranderde niet alleen het gezinsleven (maar dat is een andere studie), maar had ook andere gevolgen.

Zowel het toegenomen toerismeverkeer, vooral ook met het vliegtuig, als ook de televisie maakten de wereld relatief kleiner. Wat er op de wereld gebeurde en in het nieuws kwam, bereikte via de televisie in principe alle woningen. De zesdaagse oorlog, de troebelen in Congo en Katanga, de oorlog in Vietnam, de Praagse lente, de verovering van de wereld door de Beatles, de gouden Olympische medaille van Geesink en alle grote sportevenementen, oorlogen, honger, natuurrampen, het ijzeren gordijn, alles was te volgen.

De jaren zestig waren vooral in West-Europa en minder in Noord- en Zuid-Amerika (in Azië en Afrika ligt het heel anders) het begin van de afname van de invloed van godsdiensten op ons dagelijks leven. De actief-kerkelijke gelovigheid is in Europa sterk afgenomen.

Het (internationale) verkeer groeide en daarmee de wegen en het aantal auto’s maar ook treinen en vliegtuigen. En deze ontwikkeling blijft maar doorgaan: mijn kinderen zijn al op meer plekken op de wereld geweest, dan ik zelf. (En ik mis het niet, ben niet jaloers.)

Tenslotte is in de jaren zestig het begin aan te wijzen van een wereldwijd groeiend ecologisch bewustzijn: de aarde is niet onuitputtelijk en eindeloos in haar hulpbronnen voor de groei van de mensheid, de ontwikkeling van kapitaal en markten waarin aan eindeloze behoeften wordt tegemoetgekomen houdt echter nooit op. De Club van Rome is opgericht in 1968. En toch is voor mij gebleven: “de belangrijkste culturele en politieke boodschappen van de jaren zestig gingen over hoop, bevrijding en democratisering.”  (p.838)



[1] Ik bezorgde ook kranten en keek altijd voordat ik daarmee na schooltijd begon even op de koppen van de hoofdpagina. Ik kan me nog de pagina herinneren waarop met zwarte koeienletters stond: “MONTINI tot Paus gekozen”. Dit moet in de zomer van 1963 geweest zijn.

[2] Ik heb Nederland voor mezelf nooit “vaderland” genoemd; ik voelde ook al als tiener dit woord als vals, ons land had te weinig sociale samenhang om met enige trots te kunnen zeggen: dit is mijn vaderland.

[3] De Weathermen waren een radicale actiegroep, voortgekomen uit de SDS (Students for a Democratic Society), die gewelddadige acties niet uit de weg ging bij het aan de kaak stellen van de ongelijkheid en de oorlog.

[4] Bron: Wikipedia.